×

我們使用cookies幫助改善LingQ。通過流覽本網站,表示你同意我們的 cookie policy.


image

Don Quichot van La Mancha, Don Quichot XIV - HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN

Don Quichot XIV - HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN

HOOFDSTUK XIV.

HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN.

Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.

"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man." De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor 't overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.

Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.

"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen." Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!" De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.

"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf." "Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen." "Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen." "En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor.

Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?" "Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken." "Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle." "En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou." "Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot.

"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt." "Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen." "Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan." "Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal." "Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot." Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:

"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.

"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.

"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.

"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel. "Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.

"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.

"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.

""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn." "Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?" ""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend." ""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen." ""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden." ""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? Loop heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen." "De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:

""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt." ""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen." "De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen. "Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan ieder licht zelf maken." "O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal." Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.

Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.

Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen. Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.

Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.


Don Quichot XIV - HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN Don Quijote XIV - WIE DON QUICHOT VOR EINER NEUEN CHANCE BESTIMMT IST

HOOFDSTUK XIV.

HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN.

Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.

"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man." De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor 't overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.

Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.

"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen." Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!" De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.

"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf." "Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen." "Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen." "En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor.

Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?" "Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken." "Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle." "En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou." "Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot.

"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt." "Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen." "Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan." "Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal." "Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot." Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:

"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.

"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.

"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.

"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel. "Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.

"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.

"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.

""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn." "Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?" ""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend." ""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen." ""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden." ""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? "¿Estás sano? Loop heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen." "De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:

""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. "No tenga miedo, querido señor, y no se preocupe por las amenazas de ese pobre tonto. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt." ""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen." "De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen. "Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan ieder licht zelf maken." "O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal." Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.

Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.

Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen. Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.

Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.