×

我們使用cookies幫助改善LingQ。通過流覽本網站,表示你同意我們的 cookie policy.


image

Don Quichot van La Mancha, Don Quichot II - HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT

Don Quichot II - HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT

HOOFDSTUK II.

HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT.

Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen.

Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje van zijn hoenderhof de wijde wereld in.

Zielsvergenoegd, dat de eerste stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur; want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten.

Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan, waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden, die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds van verre in de ooren klonken.

Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden.

Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter, toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen, gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na, riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is, u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan. " Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak:

"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen; want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven aan uw dienst wensch toe te wijden. " De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:

"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden. " Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken.

De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben.

In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.

Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet.

Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.

De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.

Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde.


Don Quichot II - HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT Don Quijote II - WIE DON QUICHOT SEINE ERSTE VERURTEILUNG VERSTEHT Don Quixote II - HOW DON QUICHOT UNDERSTANDS HIS FIRST TRIAL.

HOOFDSTUK II. CHAPTER II.

HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT. HOW DON QUICHOT TAKES HIS FIRST TRIP.

Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen. All preparations were made and Don Quixote did not want to postpone the execution of his koen and grand scheme.

Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje van zijn hoenderhof de wijde wereld in. So one warm July morning, without informing any mortal of his intention, he donned his armour, put the artfully crafted helmet on his head, put the shield on his arm, seized his lance, mounted Rocinante, and rode through the back door. from his fowl yard into the wide world.

Zielsvergenoegd, dat de eerste stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had kunnen ophangen. Soulful, that the first step in his career as a hero had succeeded so well, he was sitting on his steed, at whose excellent hip-goons he could easily hang all the pieces of his rest as on a pair of sturdy coat-hooks. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur; want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. His satisfaction, however, was not of long duration; for it occurred to him once and for all, that he had not yet really become a knight, and therefore was not allowed to enter a camp with a knight who came in his way. Deze gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. This thought struck him so heavy that he had almost given up on his plan and returned home. Reeds wilde hij Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den ridderslag kon laten geven. He already wanted to make Rocinante turn his head when it occurred to him just in time that he could be knighted by the first person who approached him. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten. This thought filled him with new courage and moved him to continue his happy journey with comfort.

Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. When night fell, and Don Quixote and his tuber were exhausted with fatigue and hunger, our hero looked about in every direction, to see if he could not find somewhere a proudly towering knight's castle or a hospitable castle where he found opportunity to satisfy needs and get a good night's sleep. Tot zijne blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan, waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker was, bereikte. To his delight he saw an inn not far from his road, which he rode up to and reached before it was still quite dark. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden, die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds van verre in de ooren klonken. Coincidentally, two goose girls stood at the door, chatting merrily, and whose clear voices rang in his ears from afar.

Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te hebben. Since, however, friend Don Quixote saw everything that appeared to him with the eyes of his confused mind, and thus imagined the most wonderful things, he did not consider the inn here to be just an ordinary tavern, but believed in it a real and genuine knight's castle with towers and moats, with ramparts and drawbridges in front of it. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten te worden. When he had few steps away from it, he stopped his horse and believed nothing else, or there would now appear a dwarf on the tower and announce with blaring horns that a knight through the castle gate desired to be admitted. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te houden. He waited in vain for a while, and Rocinante, longing not a little for the stable, for food and rest, at last took the reins between his teeth and stepped calmly to the door of the inn, without Don Quixote being able to stop the animal. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden. He stood still in front of the house door, and Don Quixote now caught sight of the two grimy goose-girls, who, however, immediately recreated his noble and imaginative ladies, who at the gate of the castle avoided a little in the cool evening air.

Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige tonen lokte. While he still looked at her with respect, it was a coincidence that the pig-keeper came home with his herd of a stopping-boat and, when he reached the village, lured some loud, powerful tones out of his ear. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. Now Don Quixote believed what his imagination had told him to see fully come true; for he took the swineherd to be the missing dwarf, and sprang joyfully from the horse to greet the two beautiful noble ladies, that is, the goose herders, with reverent bow. De meiden echter, toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen, gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. The girls, however, when they so unexpectedly saw an armored knight before them, screamed and screeched and fled into the inn in terror. Don Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na, riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is, u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan. " Don Quixote, unable to explain this strange behavior, rushed after her, called her back, lifted the visor of his helmet, discovered his thin, dusty face, and said in a lisping voice and with a deep bow: "My noble and high-born Ladies, do not so flee from a knight, of whom you will never fear any irreverent treatment in eternity, but who is rather willing to serve and assist you at all times to the best of his ability. " Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon te worden. Addressed to her in such a strange and unheard-of manner, the two fellows burst into loud, roaring laughter and made such a life and fuss that Don Quixote began to become very angry in the end. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak: Nevertheless he restrained his temper and said:

"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt onverstand. "My honored ladies, to laugh like this for no reason betrays foolishness. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen; want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven aan uw dienst wensch toe te wijden. " However, please do not consider this as an insult; for I repeat you with the deepest respect that I wish to dedicate blood and life to your service. " De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een vreedzaam man vrede zocht te stichten. The mad knight's frenzied language, instead of pacifying her, made the girls laugh even louder, and Don Quichot's annoyance was already rising to a questionable degree, just as the fat innkeeper appeared at the door and if a peaceable man sought to make peace. Niettegenstaande zijne goede bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. In spite of his good intention, however, he had almost laughed himself when he took a closer look at the wonderfully farcical figure of our knight; only the face of the menacing lance in Don Quixote's fist made him hold back by force. Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk: He approached the hero with a polite bow, and said most gently:

"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden. " "Lord knight, in case you may seek a night quarter, you will be served in the most precious way in my house." Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van den ingebeelden burcht was. Don Quixote looked up the fat innkeeper from head to foot, and thought he might infer from his words that he was the keeper of the imagined fortress. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken. So he replied that he himself would be satisfied with everything, provided that one would take care of his steed, whose peer in strength and beauty would be sought in vain in the whole world.

De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. The innkeeper looked at the thin Rocinante and shook his fat head with a smile. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben. However, he willingly seized the animal by the bridle, led it into the stable, and then returned to his guest to learn what he would have to do next.

In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Entering the common room, he found Don Quixote there under the hands of the two goose girls, who, after a touching reconciliation, were now busy releasing the errant knight of his heavy weaponry. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. They had already unbuckled his chest and back; but it was impossible for them to come with the helmet, as it was rigidly attached to the armor by some green cords. Die koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm te bevrijden. The cords had become so entangled that they would have to be cut to free the hero from the heavy burden of the helmet. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen. Don Quixote, however, would not allow this at all, and so he preferred to keep the helmet on his head all night long; which looked very martial, but certainly also had to be a little difficult and tiring.

Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Meanwhile the innkeeper, who was always having trouble, asked not to spit out what the noble knight wanted for supper, and in doing so spoke highly of his fish, which, as far as palatability was concerned, was unparalleled in all Spain. Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Don Quixote was naturally thinking of fresh fish, bass and trout; but the innkeeper had meant stockfish and came towing with a large piece of it. Dit was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet. This was poorly cooked and miserably prepared; but more wretched was the black and moldy bread which was served with it to the poor knight-errant.

Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Since he was as hungry as a horse, our hero was little disturbed by that. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. He immediately attacked the food eagerly; but when he was about to take the first bite to his mouth, he was shocked to find that he could not get a bite over his lips for his helmet. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. The mischievous maidens at first shook with laughter at his embarrassment, but were then kind-hearted enough to lend him their generous assistance in the weighty work of feeding. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte. One held up the visor of his helmet, while the other put fish and bread into his mouth, chunk by chunk.

De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. The hunger of the noble hero was thus appeased. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad daarvoor. But how would he quench the thirst, which had been increased in no small measure by the heavily salted fish? The fat innkeeper knew what to do. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel neerstroomde. He put the thin pipe of a funnel into his mouth, and poured in it from above the wine, which thus flowed very comfortably into the dry throat of the poor sufferer. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered. The fact that half of the wine passed his mouth and out of his trouser legs, the hero did not consider so important in contrast to the sweet satisfaction that he had thereby saved the green cords of his helmet.

Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne dwarsfluit te blazen. While he was still sucking on the pipe, a donkey driver happened to pass by the inn and started blowing a tune on his flute under the windows. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. This coincidental circumstance fully reinforced Don Quixote in his imagination that he was in a famous knightly castle, that he was served by noble ladies, that the stockfish trout and the moldy bread were patties, and that at last the fat innkeeper was the castle guardian. used to be. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde. Because of that certainty, and perhaps a little bit of wine half injected into him, he slowly got into a rather jolly mood, and the thought that he had not yet been knighted remained almost the only thing that tormented him.