Ik sta elke ochtend om 6 uur op.
Ik maak ontbijt en ik drink een kop koffie.
Ik ga met de auto naar mijn werk.
Mijn werk begint om half acht ‘s ochtends.
Ik ben kok in een restaurant.
Ik maak eten voor hongerige klanten.
De klanten komen uit veel verschillende landen.
Ze spreken veel verschillende talen.
Ik ontmoet veel vriendelijke mensen.
Ik ben blij als ik met de klanten praat.