×

We gebruiken cookies om LingQ beter te maken. Als u de website bezoekt, gaat u akkoord met onze cookiebeleid.


image

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 8-3 Beschuldigd van ketterij

8-3 Beschuldigd van ketterij

Beschuldigd van ketterij deel 3

‘Een ketter ben je, een duivelse ketter. En zolang jij in ons midden vertoeft, zullen de rampen op ons blijven neerdalen,' besloot Anselmus de aanklacht. De kinderen gromden.

Nicolaas stond er zwijgend en bleek bij. Maar zijn ogen schitterden. Eindelijk werd de vreemdeling uit het Noorden, die zoveel van Nicolaas' prestige had gestolen, ontmaskerd. Ook Dolf zweeg. Nog wel. Ten eerste besefte hij dat hij het in een godsdienstig debat van de priester moest verliezen, want hij zon nauwelijks begrijpen waar de man het over had. Ten tweede wist hij nog iets: zolang hij zijn mond hield zou de monnik blijven praten - en hopelijk iets zeggen waarop Dolf hem kon aanvallen.

Opeens stegen uit de schare kinderen aarzelende stemmen op: ‘Rudolf van Amstelveen is geen ketter.' ‘Rudolf heeft mijn broertje gered.' ‘Rudolf draagt de Heilige Maagd op zijn borst en ik heb hem zien bidden.' Voorzichtige, verdedigende stemmen waren het, die algauw verloren gingen in het gemor en gefluister van de anderen. Maar Dolf had er iets van opgevangen en dat gaf hem moed. Niet alle kinderen vielen hem af - nog niet.

Anselmus had het ook gehoord en lachte schamper. Hij besloot de beschuldiging te verzwaren.

‘Je draagt kleren die niemand van ons ooit heeft zien dragen. Toen je bij ons kwam, Rudolf, sprak je een taal die niemand op aarde spreekt. Als iedereen ziek wordt, blijf jij gezond. Als iedereen moe is, heb jij nog kracht. Als iedereen slaapt, sluip jij het kamp uit en je begeeft je naar een afgelegen plaats, waar je demonen en duivels ontmoet, waar je offers brengt aan je meester: de Satan! Ik ben je gevolgd, Rudolf van Amstelveen, ik heb je bespied en ontzettende dingen gezien. Te afschuwelijk om hier te uiten voor de onschuldige oren van deze kinderen.' Dolf snoof. Nu begon de tegenstander met leugens en dat was een uiting van zwakte. Welnu, hij zou meneer even van antwoord dienen. ‘Dom Anselmus, ik herinner mij dat de machtige domheer van Rottweil u een bedrieger en valse priester noemde. Daarop had ge toen niets te zeggen. Waarom niet?' ‘Moet ik antwoorden op lasterlijke beschuldigingen?' snauwde Anselmus, toch zichtbaar geschrokken.

‘Nee, maar moet ik dat wel doen? Ik draag geen habijt en geen witte kleren. Ik heb ook geen tijd om voor elk wissewasje op de knieën te zinken, maar daarom ben ik nog geen ketter. En nog minder een Duivelsdienaar. Durft gij te ontkennen dat ik het was die de kinderen brood bracht toen de gierige Rottweilers hen lieten hongeren? Durft gij te ontkennen dat ik het was die hun stukgelopen voeten liet bekleden met zacht leer van konijnenhuid? Durft ge beweren dat van al deze kinderen, die door uw woorden zo diep geschokt zijn, er ook maar één is die mij van hardheid, wreedheid, zelfzucht kan beschuldigen? Kinderen, heb ik ooit een van jullie geslagen, geschopt, gevloekt?' ‘Dat is waar,' riepen enkele kinderen. ‘Rudolf van Amstelveen heeft als een goede heer voor ons gezorgd.' Een kleine jongen maakte zich uit de kring los, ging naast Dolf staan en greep zijn hand.

‘Rudolf is een held,' zei hij helder. Het was Thiess. Thiess, die zo bang was voor de beren van de Karwendel, maar het tegen een priester en een heilige herdersjongen durfde op te nemen.

De stemming sloeg meteen weer om ten gunste van Dolf. Maar Anselmus had, heel sluw, nog een argument achter de hand gehouden.

‘Ja, je hebt hun brood gebracht, Rudolf van Amstelveen. En verklaar mij eens: hoe kon jij in één nacht achthonderd broden bakken zonder de hulp van je meester: de Satan? Dat kan geen mens...' ‘Vijf mensen. Dom Anselmus, kunnen dat. Bakker Gardulf, zijn twee knechten, Frank en ik zijn de hele nacht in touw geweest. De Satan hadden we daarvoor niet nodig, we hadden zelf kracht genoeg.' ‘Bakker Gardulf! Heel Rottweil weet dat Gardulf zelf een heiden is, zijn naam zegt het al. En juist uit zijn bakkerij kwamen de broden. Dat geef je toe, Rudolf van Amstelveen.' Verrek, wat een taaie is die vent, dacht Dolf.

‘Dat zijn beschuldigingen die nergens op slaan, Dom Anselmus. De Rottweilers zouden Gardulf allang uit hun stad gejaagd hebben als hij werkelijk een heiden was. De Rottweilers zijn niet gek!' De kinderen vonden dat logisch klinken. Ze knikten en drongen weer op. Het woordgevecht begon op een toernooi te lijken en ze kregen er plezier in. Vol spanning wachtten ze op de volgende aanval van Anselmus, maar die kwam niet. In zijn plaats zei Nicolaas schel: ‘Nooit zullen wij de zee bereiken, zolang Rudolf van Amstelveen in ons midden is.' Dat ging er bedenkelijk uitzien, want uit de kinderschare steeg een woest gegrom op.

‘God zal ons verlaten wanneer wij dulden dat dit duivelskind met ons meetrekt,' vervolgde Nicolaas met grote nadruk. ‘God heeft ons al een waarschuwing gezonden. Hij zond de Scharlaken Dood. Hij zond ons slecht weer en honderden moeilijkheden. En de rampen zullen over ons blijven neerdalen, zolang hij, Rudolf Wega van Amstelveen, bij ons is en ons ervan tracht te weerhouden dat we het Heilige Land bereiken.' Dreigend stuwden de kinderen om Dolf heen. Kleine Thiess riep angstig: ‘Niet doen!' Ik moet tijd winnen, dacht Dolf wanhopig. Als het zo doorgaat, zal Nicolaas die kinderen tot een lynchpartij verleiden...

‘Halt!' Gebiedend hief hij de armen boven het hoofd. Streng en bevelend richtte hij zijn ogen op de woedende kinderen. ‘Halt! Ik bevind mij in staat van beschuldiging. Ik ontken niet het recht van Nicolaas of van Dom Anselmus om mij te beschuldigen van ketterij en duivelspraktijken - maar ik ontken hun recht om mij zonder vorm van proces te veroordelen. Een beschuldiging uitspreken is niet voldoende. Er moeten ook bewijzen zijn. Daarom eis ik een eerlijk proces, waaraan het hele kinderleger moet deelnemen. Ik beloof dat ik mij aan het eindoordeel zal onderwerpen, hoe dat ook zal luiden. Ik zal ook geen poging doen om te vluchten. Maar ik eis dat ik deze avond volgens de regels berecht zal worden. Bang ben ik daar niet voor, want een onschuldige heeft niets te vrezen, een onschuldige kan op God vertrouwen - en ik ben onschuldig. Dat is alles wat ik te zeggen heb.' Na die woorden draaide hij Nicolaas de rug toe en stapte recht op de kinderen af, die onmiddellijk opzij gingen en hem doorlieten. Zonder op of om te kijken begaf Dolf zich naar zijn eigen hoekje, ging bij de as van het vuur zitten.

‘Bewaak hem,' hoorde hij Nicolaas' schelle stem roepen. ‘Hij zal zijn proces krijgen vanavond.' Mooi, dacht Dolf opgelucht. Dan heb ik uren de tijd om me erop voor te bereiden.

De kinderen verspreidden zich. Een twintigtal, met knuppels gewapend, trok een kordon om Dolf en zijn vuurtje. Hij deed of hij hen niet opmerkte.

Hij liet ook niets blijken van zijn groeiende angst voor de avond. Hoe zwaar telde hier een beschuldiging van ketterij? In hoeverre kon hij rekenen op zijn vrienden, op de dankbaarheid van de kinderen? De kans dat ze hem zouden afvallen, voor hem zouden terugdeinzen en hem zonder meer tot de brandstapel zouden laten veroordelen, leek hem niet gering!

Arme Dolf. Als hij meer had kunnen begrijpen van de middeleeuwse mentaliteit, zou hij geweten hebben waarop hij wél kon rekenen. Op de onverbrekelijke trouw van zijn vrienden, een trouw die niet zou wijken voor doodsgevaar, voor bijgeloof of bangmakerij. Want Dolf kwam uit de twintigste eeuw, uit de hoogtijdagen van het opportunisme en het verraad, uit de eeuw waarin een gegeven woord niets betekende, waarin plechtig gezworen eden met het grootste gemak werden gebroken, waarin vriendschap en solidariteit nog slechts bij weinigen te vinden waren.

Achter hem verhieven, donker en dreigend, de Alpen hun onbeklimbare muren en ruige toppen. Daar waren de nauwe doorgangen, donderde een waterval naar beneden. Morgenochtend zou het kinderleger dat gebergte binnentrekken - maar nog deze avond zou worden beslist of dat zou gebeuren onder leiding van Rudolf van Amstelveen - of niet. Dolf zat doodstil, het hoofd gebogen, en in zijn binnenste ontstond iets dat hij geen naam durfde te geven, maar dat onhoudbaar de woorden naar zijn lippen drong: ‘Help mij... Beschermer van armen en verdrukten, help mij...' Dom Thaddeus stond bij het meertje naar de vissende kinderen te kijken. Dat deed hij graag. Hij vond het fijn om te zien met hoeveel geestdrift en jeugdige kracht ze de netten door het water trokken. Hij luisterde glimlachend naar hun gejuich als de netten loodzwaar omhoogkwamen. Hij lachte zelfs om hun teleurgestelde gejammer wanneer een net scheurde en de zilveren vangst ontsnapte. Met welgevallen keek hij naar hun natte, bruingebrande lichamen, naar de glinsteringen van het opspattende water, de witgekuifde bergen op de achtergrond, het glooiende groene land rondom, de julizon boven hun hoofden - al die schoonheid ondervond Dom Thaddeus als een bewijs van Gods goedheid en oneindige liefde.

Hij hield van kinderen. Daarom trok hij met hen mee, vastbesloten hen te helpen waar hij maar kon. Nauwelijks had hij zich in het Zwarte Woud bij de kleine pelgrims aangesloten, of hij had een grote jongen opgemerkt, wiens lange gestalte en bevelende stem een kind van edel bloed verrieden. Een geboren leider. Eerst dacht Thaddeus dat dit niemand anders kon zijn dan Nicolaas, de uitverkoren herdersknaap. En hij voelde hoe heel zijn hart naar die jongen uitging. Pas uren later ontdekte hij zijn vergissing. Nicolaas was een ander. Weliswaar ook een flink uit de kluiten geschoten knaap, maar toch iemand wiens overwicht op de kinderen niet uit een geboren leiderschap voortkwam. Nicolaas was van verre te herkennen aan zijn sneeuwwitte overkleed, aan zijn dwepende oogopslag, aan een zekere waardigheid die aangemeten was - en niet helemaal bij hem paste. Groot was de teleurstelling van Thaddeus. Wie was die vreemde, grote jongen dán? In de drie dagen die daarna waren verstreken voordat zij de stad Rottweil bereikten, had de monnik vele tegenstrijdigheden opgemerkt. De jonge Rudolf, die toch niet anders kon zijn dan de zoon van een groot heer, sliep niet in de tent bij de andere adellijke kinderen. Zelden sprak hij met Nicolaas of de twee priesters, en áls hij met hen sprak hadden ze een verschil van mening. Thaddeus vernam dat de merkwaardige jongen uit het Noorden kwam, zich onderweg bij het kinderkruisleger had aangesloten - en zich toen onmiddellijk had laten gelden.

Hij sprak heel weinig Latijn, scheen toch een soort geleerde te zijn, een wonderdokter, bereisd en moedig, maar hij nam nooit deel aan de gevaarlijke jachtpartijen of visvangsten. Hij bakte geen koeken, looide geen leer, vlocht geen dekens, en was toch altijd in de weer. Overal waar de kinderen raad en beslissingen nodig hadden, kon je hem vinden; hij regelde en organiseerde, en de kinderen gehoorzaamden hem zonder dwang. Zoiets had Dom Thaddeus nooit eerder bij een kind gezien. Was Rudolf wel een kind? Hij had het gezicht van een jongen, de lengte van een volwassene, de wijsheid van een oude kluizenaar...

Dat Rudolf toch een kind was, bleek toen Thaddeus hem bij Rottweil huilend voor de huifkar aantrof. Huilde de jongen om zichzelf? Nee, hij huilde omdat de Scharlaken Dood het kinderleger bedreigde en om het vele leed dat hij voorzag. Toen kon Thaddeus niet anders doen dan uit de anonimiteit treden, hem toespreken en zijn hulp aanbieden. Rudolfs verbeten gevecht tegen de Scharlaken Dood had de monnik verbijsterd. Toen de jongen de strijd tegen de duivelse horden van vieze beestjes had gewonnen en hen had weten terug te drijven tot hun laatste bolwerk, de ossenwagen, terwijl de beide andere monniken in hun onverstand hadden geweigerd de huifkar te laten vernietigen, had Dom Thaddeus maar één ding kunnen doen: ervoor zorgen dat de wagen in vlammen opging. Gezond en vrolijk vervolgden de kinderen toen hun weg. Maar hoe kwam Rudolf van Amstelveen aan zijn medische kennis? Hoe kon de jongen weten wat niemand wist: wie de veroorzakers waren van de Scharlaken Dood?

Diep in gedachten staarde Dom Thaddeus naar de vissende kinderen. Hoe lief had hij hen! En al die andere kinderen met hun onschuldige gezichtjes, lichte stemmen, rappe voetjes - hoeveel hield hij van hen! Maar dat alles was niets vergeleken bij de overheersende genegenheid die hij koesterde voor dat ene, vreemde kind: Rudolf van Amstelveen. Dat verontrustte de priester. Hij vreesde dat zijn stille verrukking een grote zonde was. Zijn plicht was om deze kinderen allen lief te hebben en niet de één meer dan de ander. Thaddeus, een intelligent maar nederig mens, vroeg God om vergeving voor die grote voorliefde.

En er klopte iets niet met Rudolf. In geloofszaken was de jongen ongelofelijk onnozel. Met een onschuldig gezicht kon hij dingen zeggen die Thaddeus koude rillingen over de rug deden lopen. Was de jongen een ketter?

Diep in zijn hart had Dom Thaddeus weinig respect voor Nicolaas en voor de twee monniken die met het kinderleger uit Keulen waren vertrokken. Maar hij waagde het niet te twijfelen aan hun heilige opdracht. Rudolf deed dat wel, openlijk zelfs. Thaddeus besefte dat hij zowel Anselmus als Johannis zou moeten liefhebben als broeders. Dat hij dit niet kón, was de schuld van Rudolf en diens verdachtmakingen. Allemaal heel griezelig... Bovendien begreep Dom Thaddeus dat het conflict tussen Rudolf en Anselmus op een dag een hoogtepunt zou naderen, en hij wist niet aan wiens kant hij dan zou moeten staan. Zijn plicht gebood hem om de zijde van de Kerk, dus van Anselmus, te kiezen. Maar aan de andere kant zou dan die jongen staan, van wie hij zo wanhopig veel hield...

De kinderen laadden de vangst voor die dag op de ezel en trokken zingend in de richting van het kampement. Leonardo zwaaide opgewekt naar Dom Thaddeus. Maar die zag het niet. Met gebogen hoofd volgde hij de vissertjes: een eerlijk man, door twijfels verscheurd.

8-3 Beschuldigd van ketterij 8-3 Der Ketzerei beschuldigt 8-3 Κατηγορείται για αίρεση 8-3 Accused of heresy 8-3 Acusado de herejía 8-3 Accusé d'hérésie 8-3 異端として告発される 8-3 Oskarżony o herezję 8-3 Sapkınlıkla suçlanıyor

Beschuldigd van ketterij deel 3 Accused of heresy part 3

‘Een ketter ben je, een duivelse ketter. 'You are a heretic, a devilish heretic. En zolang jij in ons midden vertoeft, zullen de rampen op ons blijven neerdalen,' besloot Anselmus de aanklacht. Und solange ihr unter uns weilt, wird das Unheil weiter über uns hereinbrechen", schloss Anselmus die Anklageschrift. And as long as you remain in our midst, calamities will continue to fall upon us,' Anselmus concluded the charge. De kinderen gromden. Die Kinder knurrten. The children growled.

Nicolaas stond er zwijgend en bleek bij. Nicholas stand stumm und blass da. Nicholas stood silent and pale. Maar zijn ogen schitterden. Aber seine Augen funkelten. But his eyes sparkled. Eindelijk werd de vreemdeling uit het Noorden, die zoveel van Nicolaas' prestige had gestolen, ontmaskerd. Endlich wurde der Fremde aus dem Norden enttarnt, der Nicholas so viel von seinem Ansehen gestohlen hatte. At last the stranger from the North, who had stolen so much of Nicholas's prestige, was exposed. Ook Dolf zweeg. Auch Dolf war still. Dolf was also silent. Nog wel. Trotzdem. Still. Ten eerste besefte hij dat hij het in een godsdienstig debat van de priester moest verliezen, want hij zon nauwelijks begrijpen waar de man het over had. Zunächst wurde ihm klar, dass er in einer religiösen Debatte gegen den Priester den Kürzeren ziehen musste, da er kaum verstand, wovon der Mann sprach. First, he realized that he must lose out to the priest in a religious debate, for he could hardly understand what the man was talking about. Ten tweede wist hij nog iets: zolang hij zijn mond hield zou de monnik blijven praten - en hopelijk iets zeggen waarop Dolf hem kon aanvallen. Zweitens wusste er noch etwas: Solange er den Mund hielt, würde der Mönch weiterreden - und hoffentlich etwas sagen, womit Dolf ihn angreifen konnte. Second, he knew something else: as long as he kept his mouth shut, the monk would keep talking - and hopefully say something that Dolf could attack him on.

Opeens stegen uit de schare kinderen aarzelende stemmen op: ‘Rudolf van Amstelveen is geen ketter.' Plötzlich erhoben sich zögerliche Stimmen aus der Schar der Kinder: 'Rudolf von Amstelveen ist kein Ketzer.' Suddenly hesitant voices rose from the crowd of children: 'Rudolf van Amstelveen is not a heretic.' ‘Rudolf heeft mijn broertje gered.' 'Rudolf hat meinen kleinen Bruder gerettet.' "Rudolf saved my little brother." ‘Rudolf draagt de Heilige Maagd op zijn borst en ik heb hem zien bidden.' Rudolf trägt die Heilige Jungfrau auf der Brust und ich habe ihn beten sehen. "Rudolf carries the Blessed Virgin on his chest and I have seen him pray." Voorzichtige, verdedigende stemmen waren het, die algauw verloren gingen in het gemor en gefluister van de anderen. Es waren vorsichtige, abwehrende Stimmen, die bald im Gemurmel und Geflüster der anderen untergingen. They were wary, defensive voices, soon lost in the murmurs and whispers of the others. Maar Dolf had er iets van opgevangen en dat gaf hem moed. Aber Dolf hatte etwas davon mitbekommen und das machte ihm Mut. But Dolf had heard something of it and that gave him courage. Niet alle kinderen vielen hem af - nog niet. Nicht alle Kinder sind ihm verfallen - noch nicht. Not all the kids rejected him - not yet.

Anselmus had het ook gehoord en lachte schamper. Anselmus hatte es auch gehört und lachte höhnisch. Anselmus had heard it too and laughed scornfully. Hij besloot de beschuldiging te verzwaren. Er beschloss, der Anschuldigung Nachdruck zu verleihen. He decided to aggravate the charge.

‘Je draagt kleren die niemand van ons ooit heeft zien dragen. “You're wearing clothes that none of us have ever seen wearing. Toen je bij ons kwam, Rudolf, sprak je een taal die niemand op aarde spreekt. Als du zu uns kamst, Rudolf, sprachst du eine Sprache, die niemand auf der Erde spricht. When you came to us, Rudolf, you spoke a language that no one on earth speaks. Als iedereen ziek wordt, blijf jij gezond. Wenn alle anderen krank werden, bleiben Sie gesund. If everyone gets sick, you stay healthy. Als iedereen moe is, heb jij nog kracht. Wenn alle anderen müde sind, haben Sie noch Kraft. When everyone is tired, you still have strength. Als iedereen slaapt, sluip jij het kamp uit en je begeeft je naar een afgelegen plaats, waar je demonen en duivels ontmoet, waar je offers brengt aan je meester: de Satan! Wenn alle schlafen, schleichst du dich aus dem Lager und machst dich auf den Weg zu einem abgelegenen Ort, wo du auf Dämonen und Teufel triffst, denen du Opfergaben für deinen Meister bringst: Satan! When everyone is asleep, you sneak out of the camp and make your way to a remote place, where you meet demons and devils, where you make sacrifices to your master: Satan! Kiedy wszyscy śpią, wymykasz się z obozu i udajesz w odległe miejsce, gdzie spotykasz demony i diabły, gdzie składasz ofiary swojemu panu: Szatanowi! Ik ben je gevolgd, Rudolf van Amstelveen, ik heb je bespied en ontzettende dingen gezien. I followed you, Rudolf van Amstelveen, I spied on you and saw terrible things. Te afschuwelijk om hier te uiten voor de onschuldige oren van deze kinderen.' Es ist zu schrecklich, um es hier vor den unschuldigen Ohren dieser Kinder auszusprechen". Too horrible to utter here for the innocent ears of these children.' Dolf snoof. Dolf schnaubte. Dolph sniffed. Nu begon de tegenstander met leugens en dat was een uiting van zwakte. Nun begann der Gegner zu lügen, und das war ein Ausdruck von Schwäche. Now the opponent started with lies and that was an expression of weakness. Welnu, hij zou meneer even van antwoord dienen. Nun, er würde dem Herrn kurz mit einer Antwort dienen. Well, he would answer sir for a moment. ‘Dom Anselmus, ik herinner mij dat de machtige domheer van Rottweil u een bedrieger en valse priester noemde. Dom Anselmus, ich erinnere mich, dass die mächtige Domina von Rottweil dich einen Hochstapler und falschen Priester genannt hat. 'Dom Anselmus, I remember that the mighty Domlord of Rottweil called you an imposter and false priest. Daarop had ge toen niets te zeggen. Dazu hatten Sie damals nichts zu sagen. You had nothing to say to that then. Waarom niet?' Warum nicht? ‘Moet ik antwoorden op lasterlijke beschuldigingen?' Soll ich auf verleumderische Anschuldigungen reagieren? "Should I Respond to Defamatory Accusations?" snauwde Anselmus, toch zichtbaar geschrokken. knurrte Anselmus, immer noch sichtlich erschrocken. snapped Anselmus, still visibly startled.

‘Nee, maar moet ik dat wel doen? Nein, aber sollte ich? 'No, but should I? Ik draag geen habijt en geen witte kleren. Ich trage weder eine Kutte noch weiße Kleidung. I don't wear a habit or white clothes. Ik heb ook geen tijd om voor elk wissewasje op de knieën te zinken, maar daarom ben ik nog geen ketter. Ich habe auch nicht die Zeit, wegen jeder Kleinigkeit in die Knie zu gehen, aber das macht mich nicht zu einem Ketzer. I don't have time to get down on my knees for every trifle, but that doesn't make me a heretic. En nog minder een Duivelsdienaar. Durft gij te ontkennen dat ik het was die de kinderen brood bracht toen de gierige Rottweilers hen lieten hongeren? Wollt ihr leugnen, dass ich es war, der den Kindern Brot brachte, als die gierigen Rottweiler sie verhungern ließen? Dare you deny that it was I who brought bread to the children when the greedy Rottweilers left them to starve? Durft gij te ontkennen dat ik het was die hun stukgelopen voeten liet bekleden met zacht leer van konijnenhuid? Wollt ihr leugnen, dass ich es war, der ihre gebrochenen Füße mit weichem Kaninchenfell überzogen hat? Dare you deny that it was I who covered their broken feet with soft rabbit-skin leather? Durft ge beweren dat van al deze kinderen, die door uw woorden zo diep geschokt zijn, er ook maar één is die mij van hardheid, wreedheid, zelfzucht kan beschuldigen? Du wagst es zu behaupten, dass es unter all diesen Kindern, die von deinen Worten so tief erschüttert sind, auch nur eines gibt, das mich der Härte, der Grausamkeit, des Egoismus beschuldigen kann? Dare you say that of all these children, who are so deeply shocked by your words, there is only one who can accuse me of harshness, cruelty, selfishness? Kinderen, heb ik ooit een van jullie geslagen, geschopt, gevloekt?' Kinder, habe ich jemals einen von euch geschlagen, getreten oder verflucht? Kids, have I ever hit, kicked, cursed any of you?' ‘Dat is waar,' riepen enkele kinderen. Das ist wahr", riefen einige Kinder. ‘Rudolf van Amstelveen heeft als een goede heer voor ons gezorgd.' Rudolf von Amstelveen kümmerte sich um uns wie ein guter Gentleman. 'Rudolf of Amstelveen took care of us like a good gentleman.' Een kleine jongen maakte zich uit de kring los, ging naast Dolf staan en greep zijn hand. Ein kleiner Junge löste sich aus dem Kreis, stellte sich neben Dolf und ergriff seine Hand. A small boy broke away from the circle, stood next to Dolf and grabbed his hand.

‘Rudolf is een held,' zei hij helder. Het was Thiess. Thiess, die zo bang was voor de beren van de Karwendel, maar het tegen een priester en een heilige herdersjongen durfde op te nemen. Thiess, who was so afraid of the bears of the Karwendel, but dared to take on a priest and a holy shepherd boy.

De stemming sloeg meteen weer om ten gunste van Dolf. Die Stimmung kippte sofort wieder zu Gunsten von Dolf. The mood immediately turned again in favor of Dolf. L'ambiance s'est immédiatement retournée en faveur de Dolf. Maar Anselmus had, heel sluw, nog een argument achter de hand gehouden. Aber Anselmus hatte sich listigerweise ein anderes Argument aufgespart. But Anselmus, very cunningly, had another argument up his sleeve.

‘Ja, je hebt hun brood gebracht, Rudolf van Amstelveen. Ja, du hast ihnen Brot gebracht, Rudolf von Amstelveen. 'Yes, you brought them bread, Rudolf van Amstelveen. En verklaar mij eens: hoe kon jij in één nacht achthonderd broden bakken zonder de hulp van je meester: de Satan? Dat kan geen mens...' Kein Mensch kann das tun...' ‘Vijf mensen. Fünf Personen. Dom Anselmus, kunnen dat. Bakker Gardulf, zijn twee knechten, Frank en ik zijn de hele nacht in touw geweest. Baker Gardulf, seine beiden Diener, Frank und ich waren die ganze Nacht wach. Bakker Gardulf, his two servants, Frank and I have been busy all night. De Satan hadden we daarvoor niet nodig, we hadden zelf kracht genoeg.' Dazu brauchten wir Satan nicht, wir hatten selbst genug Kraft. ‘Bakker Gardulf! Bäcker Gardulf! Heel Rottweil weet dat Gardulf zelf een heiden is, zijn naam zegt het al. Ganz Rottweil weiß, dass Gardulf selbst ein Heide ist, sein Name sagt alles. All of Rottweil knows that Gardulf himself is a heathen, his name says it all. En juist uit zijn bakkerij kwamen de broden. Dat geef je toe, Rudolf van Amstelveen.' You admit that, Rudolf van Amstelveen.' Verrek, wat een taaie is die vent, dacht Dolf. Verdammt, was für ein harter Kerl das ist, dachte Dolf. Damn, what a tough guy this guy is, Dolf thought. Cholera, jaki to twardy facet, pomyślał Dolf.

‘Dat zijn beschuldigingen die nergens op slaan, Dom Anselmus. Das sind Anschuldigungen, die keinen Sinn ergeben, Dom Anselmus. 'These are false accusations, Dom Anselmus. De Rottweilers zouden Gardulf allang uit hun stad gejaagd hebben als hij werkelijk een heiden was. Die Rottweiler hätten Gardulf schon längst aus ihrer Stadt gejagt, wenn er wirklich ein Heide wäre. The Rottweilers would have driven Gardulf out of their town long ago if he really was a heathen. De Rottweilers zijn niet gek!' The Rottweilers aren't crazy!' De kinderen vonden dat logisch klinken. The children thought that sounded logical. Ze knikten en drongen weer op. Sie nickten und gingen wieder weiter. They nodded and pressed again. Het woordgevecht begon op een toernooi te lijken en ze kregen er plezier in. Das Wortgefecht begann, wie ein Turnier auszusehen, und sie hatten Spaß dabei. The word fight started to look like a tournament and they got into it. Vol spanning wachtten ze op de volgende aanval van Anselmus, maar die kwam niet. Voller Spannung warteten sie auf den nächsten Angriff von Anselmus, aber er kam nicht. They anxiously waited for Anselm's next attack, but it did not come. In zijn plaats zei Nicolaas schel: ‘Nooit zullen wij de zee bereiken, zolang Rudolf van Amstelveen in ons midden is.' An seiner Stelle sagte Nikolaus schrill: "Niemals werden wir das Meer erreichen, solange Rudolf van Amstelveen in unserer Mitte ist. Instead, Nicolaas shrilled: 'We shall never reach the sea as long as Rudolf van Amstelveen is among us.' Dat ging er bedenkelijk uitzien, want uit de kinderschare steeg een woest gegrom op. Das sah fragwürdig aus, denn aus der Kinderschar erhob sich ein wildes Knurren. That started to look doubtful, because a ferocious growl went up from the children's crowd. To wyglądało na wątpliwe, gdyż z tłumu dzieci dobiegł dziki warkot.

‘God zal ons verlaten wanneer wij dulden dat dit duivelskind met ons meetrekt,' vervolgde Nicolaas met grote nadruk. Gott wird uns verlassen, wenn wir dulden, dass dieses Teufelskind mit uns reist", fuhr Nicholas mit großem Nachdruck fort. "God will forsake us if we allow this devil's child to go with us," Nicholas continued with great emphasis. ‘God heeft ons al een waarschuwing gezonden. Gott hat uns bereits eine Warnung geschickt. “God has already sent us a warning. Hij zond de Scharlaken Dood. He sent the Scarlet Death. Hij zond ons slecht weer en honderden moeilijkheden. Er schickte uns schlechtes Wetter und Hunderte von Schwierigkeiten. He sent us bad weather and hundreds of troubles. En de rampen zullen over ons blijven neerdalen, zolang hij, Rudolf Wega van Amstelveen, bij ons is en ons ervan tracht te weerhouden dat we het Heilige Land bereiken.' And the disasters will continue to descend on us, as long as he, Rudolf Wega van Amstelveen, is with us and tries to prevent us from reaching the Holy Land.' Dreigend stuwden de kinderen om Dolf heen. Bedrohlich drängten sich die Kinder um Dolf herum. Menacingly, the children pushed around Dolf. Kleine Thiess riep angstig: ‘Niet doen!' Der kleine Thiess rief ängstlich: "Nicht! Little Thiess cried anxiously, "Don't!" Ik moet tijd winnen, dacht Dolf wanhopig. Ich muss Zeit gewinnen, dachte Dolf verzweifelt. I must buy time, Dolf thought desperately. Als het zo doorgaat, zal Nicolaas die kinderen tot een lynchpartij verleiden... Wenn das so weitergeht, wird Nicholas diese Kinder lynchen... If it continues like this, Nicholas will lead those children into a lynch mob... Jeśli tak będzie dalej, Nicholas skusi te dzieci do linczu...

‘Halt!' "Halt!" Gebiedend hief hij de armen boven het hoofd. Gebetsvoll hob er die Arme über den Kopf. Imperiously he raised his arms above his head. Na rozkaz podniósł ręce nad głowę. Streng en bevelend richtte hij zijn ogen op de woedende kinderen. Streng und befehlend richtete er seinen Blick auf die wütenden Kinder. Stern and commanding, he turned his eyes to the angry children. ‘Halt! 'Hold! Ik bevind mij in staat van beschuldiging. Ich befinde mich in einem Zustand der Anklageschrift. I am indicted. Ik ontken niet het recht van Nicolaas of van Dom Anselmus om mij te beschuldigen van ketterij en duivelspraktijken - maar ik ontken hun recht om mij zonder vorm van proces te veroordelen. I do not deny the right of Nicholas or of Dom Anselmus to accuse me of heresy and diabolical practices - but I deny their right to condemn me without trial. Een beschuldiging uitspreken is niet voldoende. Making an accusation is not enough. Er moeten ook bewijzen zijn. There must also be evidence. Daarom eis ik een eerlijk proces, waaraan het hele kinderleger moet deelnemen. Deshalb fordere ich einen fairen Prozess, an dem die gesamte Kinderarmee teilnehmen muss. That is why I demand a fair trial, in which the entire children's army must participate. Ik beloof dat ik mij aan het eindoordeel zal onderwerpen, hoe dat ook zal luiden. Ich verspreche, mich dem endgültigen Urteil zu fügen, wie auch immer es ausfallen mag. I promise to submit to the final judgment, whatever that may be. Ik zal ook geen poging doen om te vluchten. Ich werde auch nicht versuchen zu fliehen. Nor will I attempt to flee. Maar ik eis dat ik deze avond volgens de regels berecht zal worden. Aber ich verlange, dass ich heute Abend nach den Regeln verurteilt werde. But I demand that I be tried this evening according to the rules. Bang ben ik daar niet voor, want een onschuldige heeft niets te vrezen, een onschuldige kan op God vertrouwen - en ik ben onschuldig. Ich habe keine Angst davor, denn ein unschuldiger Mensch hat nichts zu befürchten, ein unschuldiger Mensch kann Gott vertrauen - und ich bin unschuldig. I am not afraid of that, because an innocent has nothing to fear, an innocent can trust in God - and I am innocent. Dat is alles wat ik te zeggen heb.' That's all I have to say.' Na die woorden draaide hij Nicolaas de rug toe en stapte recht op de kinderen af, die onmiddellijk opzij gingen en hem doorlieten. With these words he turned his back to Nicholas and walked straight towards the children, who immediately stepped aside and let him through. Zonder op of om te kijken begaf Dolf zich naar zijn eigen hoekje, ging bij de as van het vuur zitten. Ohne aufzublicken oder sich umzudrehen, machte sich Dolf auf den Weg zu seiner eigenen Ecke und setzte sich in die Asche des Feuers. Without looking up or back, Dolf went to his own corner, sat down by the ashes of the fire. Nie patrząc w górę ani w tył, Dolf poszedł do swojego kąta i usiadł przy popiołach ognia.

‘Bewaak hem,' hoorde hij Nicolaas' schelle stem roepen. 'Guard him,' he heard Nicholas's shrill voice call. ‘Hij zal zijn proces krijgen vanavond.' "He'll get his trial tonight." Mooi, dacht Dolf opgelucht. Good, Dolf thought with relief. Dan heb ik uren de tijd om me erop voor te bereiden. Dann habe ich Stunden Zeit, mich darauf vorzubereiten. Then I have hours to prepare for it.

De kinderen verspreidden zich. The children scattered. Een twintigtal, met knuppels gewapend, trok een kordon om Dolf en zijn vuurtje. Ein Zwanzigjähriger, der mit Knüppeln bewaffnet war, zog einen Kordon um Dolf und sein Feuer. About twenty, armed with clubs, drew a cordon around Dolf and his fire. Hij deed of hij hen niet opmerkte. He pretended not to notice them.

Hij liet ook niets blijken van zijn groeiende angst voor de avond. Er ließ sich auch nichts von seiner wachsenden Unruhe über den Abend anmerken. Nor did he show his growing fear of the evening. Hoe zwaar telde hier een beschuldiging van ketterij? Wie schwer wiegt hier der Vorwurf der Ketzerei? What was the weight of an accusation of heresy here? In hoeverre kon hij rekenen op zijn vrienden, op de dankbaarheid van de kinderen? Inwieweit konnte er auf seine Freunde, auf die Dankbarkeit der Kinder zählen? To what extent could he count on his friends, on the gratitude of the children? De kans dat ze hem zouden afvallen, voor hem zouden terugdeinzen en hem zonder meer tot de brandstapel zouden laten veroordelen, leek hem niet gering! Die Wahrscheinlichkeit, dass sie sich gegen ihn wenden, vor ihm zurückschrecken und ihn kurzerhand zum Scheiterhaufen verurteilen würden, erschien ihm nicht gering! The chance that they would drop him, shrink from him, and simply have him condemned to the stake, did not seem small to him! Szanse, że go stracą, cofną się przed nim i spalą go na stosie, nie wydawały mu się małe!

Arme Dolf. Poor Dolph. Als hij meer had kunnen begrijpen van de middeleeuwse mentaliteit, zou hij geweten hebben waarop hij wél kon rekenen. Hätte er mehr über die mittelalterliche Mentalität erfahren, hätte er gewusst, worauf er sich verlassen kann. If he could have understood more about the medieval mentality, he would have known what to count on. Op de onverbrekelijke trouw van zijn vrienden, een trouw die niet zou wijken voor doodsgevaar, voor bijgeloof of bangmakerij. Auf die unverbrüchliche Loyalität seiner Freunde, eine Loyalität, die weder der tödlichen Gefahr noch dem Aberglauben oder der Panikmache weichen würde. To the unbreakable fidelity of his friends, a fidelity that would not give way to mortal danger, to superstition or frightening. Za niezłomną wierność jego przyjaciół, wierność, która nie podda się śmiertelnemu niebezpieczeństwu, przesądom ani sianiu strachu. Want Dolf kwam uit de twintigste eeuw, uit de hoogtijdagen van het opportunisme en het verraad, uit de eeuw waarin een gegeven woord niets betekende, waarin plechtig gezworen eden met het grootste gemak werden gebroken, waarin vriendschap en solidariteit nog slechts bij weinigen te vinden waren. Denn Dolf kam aus dem zwanzigsten Jahrhundert, aus der Blütezeit des Opportunismus und des Verrats, aus dem Jahrhundert, in dem ein gegebenes Wort nichts bedeutete, in dem feierlich geschworene Eide mit größter Leichtigkeit gebrochen wurden, in dem Freundschaft und Solidarität noch unter wenigen zu finden waren. For Dolf came from the twentieth century, from the heyday of opportunism and betrayal, from the age in which a given word meant nothing, in which solemnly sworn oaths were broken with the greatest of ease, in which friendship and solidarity could only be found among a few .

Achter hem verhieven, donker en dreigend, de Alpen hun onbeklimbare muren en ruige toppen. Hinter ihm, dunkel und bedrohlich, erhoben sich die Alpen mit ihren unüberwindbaren Wänden und schroffen Gipfeln. Behind him, dark and menacing, the Alps lifted their unclimbable walls and rugged peaks. Daar waren de nauwe doorgangen, donderde een waterval naar beneden. Da waren die engen Gänge, die einen Wasserfall hinunterdonnerten. There were the narrow passages, a waterfall thundered down. Morgenochtend zou het kinderleger dat gebergte binnentrekken - maar nog deze avond zou worden beslist of dat zou gebeuren onder leiding van Rudolf van Amstelveen - of niet. Morgen früh würde die junge Armee in das Gebirge einrücken - aber noch heute Abend würde sich entscheiden, ob dies unter der Führung von Rudolf van Amstelveen geschehen würde - oder nicht. Tomorrow morning the children's army would enter those mountains - but it would be decided this evening whether that would happen under the leadership of Rudolf van Amstelveen - or not. Dolf zat doodstil, het hoofd gebogen, en in zijn binnenste ontstond iets dat hij geen naam durfde te geven, maar dat onhoudbaar de woorden naar zijn lippen drong: ‘Help mij... Beschermer van armen en verdrukten, help mij...' Dolf saß totenstill, mit gesenktem Kopf, und in seinem Innersten stieg etwas auf, das er nicht zu benennen wagte, das aber unaufhörlich die Worte über seine Lippen zwang: "Hilf mir... Beschützer der Armen und Unterdrückten, hilf mir...' Dolf sat quite still, his head bowed, and something arose within him that he dared not name, but which forced the words unstoppably to his lips: "Help me... Protector of the poor and oppressed, help me..." Dom Thaddeus stond bij het meertje naar de vissende kinderen te kijken. Dom Thaddäus stand am See und sah den Kindern beim Angeln zu. Dom Thaddeus stood by the pond watching the children fishing. Dat deed hij graag. Das hat er gerne gemacht. Hij vond het fijn om te zien met hoeveel geestdrift en jeugdige kracht ze de netten door het water trokken. Es machte ihm Spaß zu sehen, mit wie viel Elan und jugendlichem Elan sie die Netze durch das Wasser zogen. He was pleased to see the spirit and youthful vigor with which they pulled the nets through the water. Hij luisterde glimlachend naar hun gejuich als de netten loodzwaar omhoogkwamen. Lächelnd lauschte er ihrem Jubel, als sich die Netze spannten. He listened smilingly to their cheers as the nets rose leadenly. Hij lachte zelfs om hun teleurgestelde gejammer wanneer een net scheurde en de zilveren vangst ontsnapte. Er lachte sogar über ihre enttäuschten Schreie, wenn ein Netz riss und der silberne Fang entkam. He even laughed at their disappointed wail when a net broke and the silver catch escaped. Met welgevallen keek hij naar hun natte, bruingebrande lichamen, naar de glinsteringen van het opspattende water, de witgekuifde bergen op de achtergrond, het glooiende groene land rondom, de julizon boven hun hoofden - al die schoonheid ondervond Dom Thaddeus als een bewijs van Gods goedheid en oneindige liefde. Mit Vergnügen betrachtete er ihre nassen, gebräunten Körper, das Glitzern des plätschernden Wassers, die weißgekämmten Berge im Hintergrund, das sanfte grüne Land ringsum, die Juli-Sonne über ihren Köpfen - all diese Schönheit empfand Dom Thaddeus als Beweis für Gottes Güte und unendliche Liebe. Z przyjemnością patrzył na ich mokre, opalone ciała, na błysk rozbryzgującej się wody, na białoczubne góry w tle, na falującą zieloną krainę dookoła, na lipcowe słońce nad ich głowami - całe to piękno, którego doznał Dom Tadeusz jako dowód dobroci Boga i nieskończonej miłości.

Hij hield van kinderen. He loved children. Daarom trok hij met hen mee, vastbesloten hen te helpen waar hij maar kon. Also ging er mit ihnen und war entschlossen, ihnen zu helfen, wo immer er konnte. So he went with them, determined to help them wherever he could. Nauwelijks had hij zich in het Zwarte Woud bij de kleine pelgrims aangesloten, of hij had een grote jongen opgemerkt, wiens lange gestalte en bevelende stem een kind van edel bloed verrieden. Kaum hatte er sich im Schwarzwald zu den kleinen Pilgern gesellt, fiel ihm ein großer Junge auf, dessen hohe Statur und beherrschte Stimme ein Kind von edlem Blut verriet. No sooner had he joined the little pilgrims in the Black Forest than he noticed a tall boy whose tall stature and commanding voice betrayed a child of noble blood. Een geboren leider. Eerst dacht Thaddeus dat dit niemand anders kon zijn dan Nicolaas, de uitverkoren herdersknaap. En hij voelde hoe heel zijn hart naar die jongen uitging. Und er spürte, wie sein ganzes Herz für diesen Jungen schlug. Pas uren later ontdekte hij zijn vergissing. Erst Stunden später entdeckte er seinen Fehler. Only hours later did he discover his mistake. Nicolaas was een ander. Nicholas was another. Weliswaar ook een flink uit de kluiten geschoten knaap, maar toch iemand wiens overwicht op de kinderen niet uit een geboren leiderschap voortkwam. Zwar auch ein stattlicher Bursche, aber dennoch jemand, dessen Vormachtstellung gegenüber Kindern nicht auf angeborener Führerschaft beruhte. Wprawdzie też dość przerośnięty chłopak, ale jednak taki, którego przewaga nad dziećmi nie wynikała z urodzonego przywództwa. Nicolaas was van verre te herkennen aan zijn sneeuwwitte overkleed, aan zijn dwepende oogopslag, aan een zekere waardigheid die aangemeten was - en niet helemaal bij hem paste. Nicholas war schon von weitem an seinem schneeweißen Gewand zu erkennen, an seinem wehmütigen Blick, an einer gewissen Würde, die geformt war - und nicht ganz zu ihm passte. Nicholas could be recognized from afar by his snow-white cloak, by his enthusiastic glance, by a certain dignity that was fitted - and didn't quite suit him. Mikołaja można było rozpoznać z daleka po jego śnieżnobiałej szacie, po jego olśniewającym spojrzeniu, po pewnej godności, która była dopasowana - i niezupełnie mu odpowiadała. Groot was de teleurstelling van Thaddeus. Great was the disappointment of Thaddeus. Wie was die vreemde, grote jongen dán? Who was that strange, big boy then? In de drie dagen die daarna waren verstreken voordat zij de stad Rottweil bereikten, had de monnik vele tegenstrijdigheden opgemerkt. In den folgenden drei Tagen, bevor sie die Stadt Rottweil erreichten, hatte der Mönch viele Ungereimtheiten festgestellt. In the three days that had passed before they reached the town of Rottweil, the monk had noticed many contradictions. De jonge Rudolf, die toch niet anders kon zijn dan de zoon van een groot heer, sliep niet in de tent bij de andere adellijke kinderen. Der junge Rudolf, der sicher nichts anderes als der Sohn eines großen Fürsten sein konnte, schlief nicht im Zelt mit den anderen adligen Kindern. Young Rudolf, who could not be anything other than the son of a great lord, did not sleep in the tent with the other noble children. Zelden sprak hij met Nicolaas of de twee priesters, en áls hij met hen sprak hadden ze een verschil van mening. Er sprach nur selten mit Nicholas oder den beiden Priestern, und wenn er mit ihnen sprach, hatten sie eine Meinungsverschiedenheit. Rarely did he speak to Nicholas or the two priests, and when he spoke to them they had a difference of opinion. Thaddeus vernam dat de merkwaardige jongen uit het Noorden kwam, zich onderweg bij het kinderkruisleger had aangesloten - en zich toen onmiddellijk had laten gelden. Thaddeus learned that the curious boy was from the North, had joined the Children's Cross army along the way - and then immediately asserted himself. Tadeusz dowiedział się, że ciekawski chłopak jest z Północy, po drodze zaciągnął się do armii Dziecięcego Krzyża - i natychmiast się upewnił.

Hij sprak heel weinig Latijn, scheen toch een soort geleerde te zijn, een wonderdokter, bereisd en moedig, maar hij nam nooit deel aan de gevaarlijke jachtpartijen of visvangsten. Er sprach nur wenig Latein, schien aber eine Art Gelehrter zu sein, ein Wundertäter, weit gereist und mutig, aber er nahm nie an den gefährlichen Jagden oder Fischzügen teil. Hij bakte geen koeken, looide geen leer, vlocht geen dekens, en was toch altijd in de weer. Er hat keinen Kuchen gebacken, kein Leder gegerbt, keine Decken geflochten und war doch immer auf dem Sprung. He baked no cakes, tanned no leather, did not braid blankets, and yet was always busy. Nie piekł ciast, garbowanej skóry ani nie tkał koców, a jednak zawsze był zajęty. Overal waar de kinderen raad en beslissingen nodig hadden, kon je hem vinden; hij regelde en organiseerde, en de kinderen gehoorzaamden hem zonder dwang. You could find him wherever the children needed advice and decisions; he arranged and organized, and the children obeyed him without coercion. Zoiets had Dom Thaddeus nooit eerder bij een kind gezien. Dom Thaddeus had never seen anything like it in a child before. Was Rudolf wel een kind? Was Rudolph even a child? Hij had het gezicht van een jongen, de lengte van een volwassene, de wijsheid van een oude kluizenaar... He had the face of a boy, the height of an adult, the wisdom of an old hermit...

Dat Rudolf toch een kind was, bleek toen Thaddeus hem bij Rottweil huilend voor de huifkar aantrof. Dass Rudolf doch noch ein Kind war, zeigte sich, als Thaddäus ihn in Rottweil weinend vor dem Wagen fand. That Rudolf was a child after all became apparent when Thaddeus found him crying in front of the covered wagon at Rottweil. To, że Rudolf był przecież dzieckiem, stało się jasne, gdy Tadeusz zastał go płaczącego przed krytym wozem w Rottweil. Huilde de jongen om zichzelf? Hat der Junge um sich selbst geweint? Was the boy crying for himself? Nee, hij huilde omdat de Scharlaken Dood het kinderleger bedreigde en om het vele leed dat hij voorzag. Nein, er weinte, weil der Scharlachrote Tod die Armee der Kinder bedrohte und weil er viele Leiden voraussah. No, he wept because the Scarlet Death threatened the army of children and for the great suffering he foresaw. Nie, płakał, ponieważ Szkarłatna Śmierć zagroziła dziecięcej armii i wielkim cierpieniom, które przewidział. Toen kon Thaddeus niet anders doen dan uit de anonimiteit treden, hem toespreken en zijn hulp aanbieden. Then Thaddeus had no choice but to step out of anonymity, address him and offer his help. Rudolfs verbeten gevecht tegen de Scharlaken Dood had de monnik verbijsterd. Rudolfs verbissener Kampf gegen den Scharlachroten Tod hatte den Mönch verblüfft. Rudolf's fierce fight against the Scarlet Death had stunned the monk. Toen de jongen de strijd tegen de duivelse horden van vieze beestjes had gewonnen en hen had weten terug te drijven tot hun laatste bolwerk, de ossenwagen, terwijl de beide andere monniken in hun onverstand hadden geweigerd de huifkar te laten vernietigen, had Dom Thaddeus maar één ding kunnen doen: ervoor zorgen dat de wagen in vlammen opging. Als der Junge den Kampf gegen die dämonischen Horden von Ungeheuern gewonnen hatte und es ihm gelang, sie in ihre letzte Festung, den Ochsenkarren, zurückzutreiben, während die beiden anderen Mönche in ihrer Unvernunft sich geweigert hatten, den Planwagen zerstören zu lassen, konnte Dom Thaddäus nur eines tun: dafür sorgen, dass der Wagen in Flammen aufging. When the boy had won the battle against the fiendish hordes of foul beasts and managed to drive them back to their last stronghold, the oxcart, while the other two monks had unwisely refused to let the covered wagon be destroyed, Dom Thaddeus had only one thing to do: cause the car to burst into flames. Gezond en vrolijk vervolgden de kinderen toen hun weg. Gesund und glücklich setzten die Kinder dann ihren Weg fort. Healthy and cheerful, the children then continued on their way. Maar hoe kwam Rudolf van Amstelveen aan zijn medische kennis? But how did Rudolf van Amstelveen get his medical knowledge? Hoe kon de jongen weten wat niemand wist: wie de veroorzakers waren van de Scharlaken Dood? How could the boy know what no one knew: who caused the Scarlet Death?

Diep in gedachten staarde Dom Thaddeus naar de vissende kinderen. Tief in Gedanken versunken starrte Dom Thaddäus die Fischerkinder an. Hoe lief had hij hen! Wie sehr er sie liebte! How much he loved them! En al die andere kinderen met hun onschuldige gezichtjes, lichte stemmen, rappe voetjes - hoeveel hield hij van hen! Und all die anderen Kinder mit ihren unschuldigen kleinen Gesichtern, ihren hellen Stimmen, ihren wippenden Füßen - wie sehr er sie liebte! And all those other children with their innocent faces, light voices, nimble feet - how much he loved them! Maar dat alles was niets vergeleken bij de overheersende genegenheid die hij koesterde voor dat ene, vreemde kind: Rudolf van Amstelveen. Aber all das war nichts im Vergleich zu der überwältigenden Zuneigung, die er für dieses eine, seltsame Kind hegte: Rudolf van Amstelveen. Ale to wszystko było niczym w porównaniu z dominującym uczuciem, jakie żywił do tego jednego dziwnego dziecka: Rudolfa van Amstelveena. Dat verontrustte de priester. Das beunruhigte den Priester. That alarmed the priest. To zaalarmowało księdza. Hij vreesde dat zijn stille verrukking een grote zonde was. He feared that his quiet delight was a great sin. Bał się, że jego cicha radość była wielkim grzechem. Zijn plicht was om deze kinderen allen lief te hebben en niet de één meer dan de ander. Thaddeus, een intelligent maar nederig mens, vroeg God om vergeving voor die grote voorliefde. Tadeusz, człowiek inteligentny, ale pokorny, prosił Boga o przebaczenie dla tego wielkiego upodobania.

En er klopte iets niet met Rudolf. Und mit Rudolf stimmte etwas nicht. And something wasn't right with Rudolf. In geloofszaken was de jongen ongelofelijk onnozel. Was den Glauben anging, war der Junge unglaublich leichtgläubig. In matters of faith, the boy was incredibly ignorant. Met een onschuldig gezicht kon hij dingen zeggen die Thaddeus koude rillingen over de rug deden lopen. With an innocent face, he could say things that sent chills down Thaddeus's spine. Was de jongen een ketter? Was the boy a heretic?

Diep in zijn hart had Dom Thaddeus weinig respect voor Nicolaas en voor de twee monniken die met het kinderleger uit Keulen waren vertrokken. Deep in his heart, Dom Thaddeus had little respect for Nicholas or for the two monks who had left Cologne with the children's army. Maar hij waagde het niet te twijfelen aan hun heilige opdracht. But he dared not doubt their sacred mission. Rudolf deed dat wel, openlijk zelfs. Rudolf did, openly even. Thaddeus besefte dat hij zowel Anselmus als Johannis zou moeten liefhebben als broeders. Thaddäus erkannte, dass er sowohl Anselmus als auch Johannis wie Brüder lieben sollte. Thaddeus realized that he should love both Anselm and Johannes as brothers. Dat hij dit niet kón, was de schuld van Rudolf en diens verdachtmakingen. Dass er das nicht tun konnte, war Rudolfs Schuld und sein Verdacht. That he could not do this was the fault of Rudolf and his suspicions. To, że nie mógł tego zrobić, było winą Rudolfa i jego podejrzeniami. Allemaal heel griezelig... Bovendien begreep Dom Thaddeus dat het conflict tussen Rudolf en Anselmus op een dag een hoogtepunt zou naderen, en hij wist niet aan wiens kant hij dan zou moeten staan. Alles sehr unheimlich... Außerdem war Dom Thaddäus klar, dass der Konflikt zwischen Rudolf und Anselmus eines Tages einen Höhepunkt erreichen würde, und er wusste nicht, auf wessen Seite er dann stehen sollte. All very creepy... Besides, Dom Thaddeus understood that the conflict between Rudolf and Anselm would one day come to a head, and he didn't know whose side he would have to be on. Wszystko bardzo przerażające... Poza tym Dom Tadeusz zrozumiał, że konflikt między Rudolfem a Anselmem pewnego dnia osiągnie punkt kulminacyjny, a on nie wiedział, po której stronie powinien być. Zijn plicht gebood hem om de zijde van de Kerk, dus van Anselmus, te kiezen. His duty commanded him to take the side of the Church, that is, of Anselm. Jego obowiązek nakazywał mu stanąć po stronie Kościoła, czyli Anzelma. Maar aan de andere kant zou dan die jongen staan, van wie hij zo wanhopig veel hield... But on the other side would be that boy he loved so desperately...

De kinderen laadden de vangst voor die dag op de ezel en trokken zingend in de richting van het kampement. Die Kinder luden den Fang des Tages auf den Esel und machten sich singend auf den Weg zum Lager. The children loaded the day's catch onto the donkey and went singing in the direction of the encampment. Leonardo zwaaide opgewekt naar Dom Thaddeus. Leonardo winkte Dom Thaddäus fröhlich zu. Leonardo waved cheerfully to Dom Thaddeus. Maar die zag het niet. Aber der hat es nicht gesehen. But he didn't see it. Met gebogen hoofd volgde hij de vissertjes: een eerlijk man, door twijfels verscheurd. Mit gesenktem Kopf folgte er den Fischern: ein ehrlicher, von Zweifeln geplagter Mann. With bowed head he followed the fishermen: an honest man, torn by doubts. Szedł za rybakami z pochyloną głową: uczciwy człowiek, targany wątpliwościami.