×

We gebruiken cookies om LingQ beter te maken. Als u de website bezoekt, gaat u akkoord met onze cookiebeleid.


image

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 8-3 Beschuldigd van ketterij

8-3 Beschuldigd van ketterij

Beschuldigd van ketterij deel 3

‘Een ketter ben je, een duivelse ketter. En zolang jij in ons midden vertoeft, zullen de rampen op ons blijven neerdalen,' besloot Anselmus de aanklacht. De kinderen gromden.

Nicolaas stond er zwijgend en bleek bij. Maar zijn ogen schitterden. Eindelijk werd de vreemdeling uit het Noorden, die zoveel van Nicolaas' prestige had gestolen, ontmaskerd. Ook Dolf zweeg. Nog wel. Ten eerste besefte hij dat hij het in een godsdienstig debat van de priester moest verliezen, want hij zon nauwelijks begrijpen waar de man het over had. Ten tweede wist hij nog iets: zolang hij zijn mond hield zou de monnik blijven praten - en hopelijk iets zeggen waarop Dolf hem kon aanvallen.

Opeens stegen uit de schare kinderen aarzelende stemmen op: ‘Rudolf van Amstelveen is geen ketter.' ‘Rudolf heeft mijn broertje gered.' ‘Rudolf draagt de Heilige Maagd op zijn borst en ik heb hem zien bidden.' Voorzichtige, verdedigende stemmen waren het, die algauw verloren gingen in het gemor en gefluister van de anderen. Maar Dolf had er iets van opgevangen en dat gaf hem moed. Niet alle kinderen vielen hem af - nog niet.

Anselmus had het ook gehoord en lachte schamper. Hij besloot de beschuldiging te verzwaren.

‘Je draagt kleren die niemand van ons ooit heeft zien dragen. Toen je bij ons kwam, Rudolf, sprak je een taal die niemand op aarde spreekt. Als iedereen ziek wordt, blijf jij gezond. Als iedereen moe is, heb jij nog kracht. Als iedereen slaapt, sluip jij het kamp uit en je begeeft je naar een afgelegen plaats, waar je demonen en duivels ontmoet, waar je offers brengt aan je meester: de Satan! Ik ben je gevolgd, Rudolf van Amstelveen, ik heb je bespied en ontzettende dingen gezien. Te afschuwelijk om hier te uiten voor de onschuldige oren van deze kinderen.' Dolf snoof. Nu begon de tegenstander met leugens en dat was een uiting van zwakte. Welnu, hij zou meneer even van antwoord dienen. ‘Dom Anselmus, ik herinner mij dat de machtige domheer van Rottweil u een bedrieger en valse priester noemde. Daarop had ge toen niets te zeggen. Waarom niet?' ‘Moet ik antwoorden op lasterlijke beschuldigingen?' snauwde Anselmus, toch zichtbaar geschrokken.

‘Nee, maar moet ik dat wel doen? Ik draag geen habijt en geen witte kleren. Ik heb ook geen tijd om voor elk wissewasje op de knieën te zinken, maar daarom ben ik nog geen ketter. En nog minder een Duivelsdienaar. Durft gij te ontkennen dat ik het was die de kinderen brood bracht toen de gierige Rottweilers hen lieten hongeren? Durft gij te ontkennen dat ik het was die hun stukgelopen voeten liet bekleden met zacht leer van konijnenhuid? Durft ge beweren dat van al deze kinderen, die door uw woorden zo diep geschokt zijn, er ook maar één is die mij van hardheid, wreedheid, zelfzucht kan beschuldigen? Kinderen, heb ik ooit een van jullie geslagen, geschopt, gevloekt?' ‘Dat is waar,' riepen enkele kinderen. ‘Rudolf van Amstelveen heeft als een goede heer voor ons gezorgd.' Een kleine jongen maakte zich uit de kring los, ging naast Dolf staan en greep zijn hand.

‘Rudolf is een held,' zei hij helder. Het was Thiess. Thiess, die zo bang was voor de beren van de Karwendel, maar het tegen een priester en een heilige herdersjongen durfde op te nemen.

De stemming sloeg meteen weer om ten gunste van Dolf. Maar Anselmus had, heel sluw, nog een argument achter de hand gehouden.

‘Ja, je hebt hun brood gebracht, Rudolf van Amstelveen. En verklaar mij eens: hoe kon jij in één nacht achthonderd broden bakken zonder de hulp van je meester: de Satan? Dat kan geen mens...' ‘Vijf mensen. Dom Anselmus, kunnen dat. Bakker Gardulf, zijn twee knechten, Frank en ik zijn de hele nacht in touw geweest. De Satan hadden we daarvoor niet nodig, we hadden zelf kracht genoeg.' ‘Bakker Gardulf! Heel Rottweil weet dat Gardulf zelf een heiden is, zijn naam zegt het al. En juist uit zijn bakkerij kwamen de broden. Dat geef je toe, Rudolf van Amstelveen.' Verrek, wat een taaie is die vent, dacht Dolf.

‘Dat zijn beschuldigingen die nergens op slaan, Dom Anselmus. De Rottweilers zouden Gardulf allang uit hun stad gejaagd hebben als hij werkelijk een heiden was. De Rottweilers zijn niet gek!' De kinderen vonden dat logisch klinken. Ze knikten en drongen weer op. Het woordgevecht begon op een toernooi te lijken en ze kregen er plezier in. Vol spanning wachtten ze op de volgende aanval van Anselmus, maar die kwam niet. In zijn plaats zei Nicolaas schel: ‘Nooit zullen wij de zee bereiken, zolang Rudolf van Amstelveen in ons midden is.' Dat ging er bedenkelijk uitzien, want uit de kinderschare steeg een woest gegrom op.

‘God zal ons verlaten wanneer wij dulden dat dit duivelskind met ons meetrekt,' vervolgde Nicolaas met grote nadruk. ‘God heeft ons al een waarschuwing gezonden. Hij zond de Scharlaken Dood. Hij zond ons slecht weer en honderden moeilijkheden. En de rampen zullen over ons blijven neerdalen, zolang hij, Rudolf Wega van Amstelveen, bij ons is en ons ervan tracht te weerhouden dat we het Heilige Land bereiken.' Dreigend stuwden de kinderen om Dolf heen. Kleine Thiess riep angstig: ‘Niet doen!' Ik moet tijd winnen, dacht Dolf wanhopig. Als het zo doorgaat, zal Nicolaas die kinderen tot een lynchpartij verleiden...

‘Halt!' Gebiedend hief hij de armen boven het hoofd. Streng en bevelend richtte hij zijn ogen op de woedende kinderen. ‘Halt! Ik bevind mij in staat van beschuldiging. Ik ontken niet het recht van Nicolaas of van Dom Anselmus om mij te beschuldigen van ketterij en duivelspraktijken - maar ik ontken hun recht om mij zonder vorm van proces te veroordelen. Een beschuldiging uitspreken is niet voldoende. Er moeten ook bewijzen zijn. Daarom eis ik een eerlijk proces, waaraan het hele kinderleger moet deelnemen. Ik beloof dat ik mij aan het eindoordeel zal onderwerpen, hoe dat ook zal luiden. Ik zal ook geen poging doen om te vluchten. Maar ik eis dat ik deze avond volgens de regels berecht zal worden. Bang ben ik daar niet voor, want een onschuldige heeft niets te vrezen, een onschuldige kan op God vertrouwen - en ik ben onschuldig. Dat is alles wat ik te zeggen heb.' Na die woorden draaide hij Nicolaas de rug toe en stapte recht op de kinderen af, die onmiddellijk opzij gingen en hem doorlieten. Zonder op of om te kijken begaf Dolf zich naar zijn eigen hoekje, ging bij de as van het vuur zitten.

‘Bewaak hem,' hoorde hij Nicolaas' schelle stem roepen. ‘Hij zal zijn proces krijgen vanavond.' Mooi, dacht Dolf opgelucht. Dan heb ik uren de tijd om me erop voor te bereiden.

De kinderen verspreidden zich. Een twintigtal, met knuppels gewapend, trok een kordon om Dolf en zijn vuurtje. Hij deed of hij hen niet opmerkte.

Hij liet ook niets blijken van zijn groeiende angst voor de avond. Hoe zwaar telde hier een beschuldiging van ketterij? In hoeverre kon hij rekenen op zijn vrienden, op de dankbaarheid van de kinderen? De kans dat ze hem zouden afvallen, voor hem zouden terugdeinzen en hem zonder meer tot de brandstapel zouden laten veroordelen, leek hem niet gering!

Arme Dolf. Als hij meer had kunnen begrijpen van de middeleeuwse mentaliteit, zou hij geweten hebben waarop hij wél kon rekenen. Op de onverbrekelijke trouw van zijn vrienden, een trouw die niet zou wijken voor doodsgevaar, voor bijgeloof of bangmakerij. Want Dolf kwam uit de twintigste eeuw, uit de hoogtijdagen van het opportunisme en het verraad, uit de eeuw waarin een gegeven woord niets betekende, waarin plechtig gezworen eden met het grootste gemak werden gebroken, waarin vriendschap en solidariteit nog slechts bij weinigen te vinden waren.

Achter hem verhieven, donker en dreigend, de Alpen hun onbeklimbare muren en ruige toppen. Daar waren de nauwe doorgangen, donderde een waterval naar beneden. Morgenochtend zou het kinderleger dat gebergte binnentrekken - maar nog deze avond zou worden beslist of dat zou gebeuren onder leiding van Rudolf van Amstelveen - of niet. Dolf zat doodstil, het hoofd gebogen, en in zijn binnenste ontstond iets dat hij geen naam durfde te geven, maar dat onhoudbaar de woorden naar zijn lippen drong: ‘Help mij... Beschermer van armen en verdrukten, help mij...' Dom Thaddeus stond bij het meertje naar de vissende kinderen te kijken. Dat deed hij graag. Hij vond het fijn om te zien met hoeveel geestdrift en jeugdige kracht ze de netten door het water trokken. Hij luisterde glimlachend naar hun gejuich als de netten loodzwaar omhoogkwamen. Hij lachte zelfs om hun teleurgestelde gejammer wanneer een net scheurde en de zilveren vangst ontsnapte. Met welgevallen keek hij naar hun natte, bruingebrande lichamen, naar de glinsteringen van het opspattende water, de witgekuifde bergen op de achtergrond, het glooiende groene land rondom, de julizon boven hun hoofden - al die schoonheid ondervond Dom Thaddeus als een bewijs van Gods goedheid en oneindige liefde.

Hij hield van kinderen. Daarom trok hij met hen mee, vastbesloten hen te helpen waar hij maar kon. Nauwelijks had hij zich in het Zwarte Woud bij de kleine pelgrims aangesloten, of hij had een grote jongen opgemerkt, wiens lange gestalte en bevelende stem een kind van edel bloed verrieden. Een geboren leider. Eerst dacht Thaddeus dat dit niemand anders kon zijn dan Nicolaas, de uitverkoren herdersknaap. En hij voelde hoe heel zijn hart naar die jongen uitging. Pas uren later ontdekte hij zijn vergissing. Nicolaas was een ander. Weliswaar ook een flink uit de kluiten geschoten knaap, maar toch iemand wiens overwicht op de kinderen niet uit een geboren leiderschap voortkwam. Nicolaas was van verre te herkennen aan zijn sneeuwwitte overkleed, aan zijn dwepende oogopslag, aan een zekere waardigheid die aangemeten was - en niet helemaal bij hem paste. Groot was de teleurstelling van Thaddeus. Wie was die vreemde, grote jongen dán? In de drie dagen die daarna waren verstreken voordat zij de stad Rottweil bereikten, had de monnik vele tegenstrijdigheden opgemerkt. De jonge Rudolf, die toch niet anders kon zijn dan de zoon van een groot heer, sliep niet in de tent bij de andere adellijke kinderen. Zelden sprak hij met Nicolaas of de twee priesters, en áls hij met hen sprak hadden ze een verschil van mening. Thaddeus vernam dat de merkwaardige jongen uit het Noorden kwam, zich onderweg bij het kinderkruisleger had aangesloten - en zich toen onmiddellijk had laten gelden.

Hij sprak heel weinig Latijn, scheen toch een soort geleerde te zijn, een wonderdokter, bereisd en moedig, maar hij nam nooit deel aan de gevaarlijke jachtpartijen of visvangsten. Hij bakte geen koeken, looide geen leer, vlocht geen dekens, en was toch altijd in de weer. Overal waar de kinderen raad en beslissingen nodig hadden, kon je hem vinden; hij regelde en organiseerde, en de kinderen gehoorzaamden hem zonder dwang. Zoiets had Dom Thaddeus nooit eerder bij een kind gezien. Was Rudolf wel een kind? Hij had het gezicht van een jongen, de lengte van een volwassene, de wijsheid van een oude kluizenaar...

Dat Rudolf toch een kind was, bleek toen Thaddeus hem bij Rottweil huilend voor de huifkar aantrof. Huilde de jongen om zichzelf? Nee, hij huilde omdat de Scharlaken Dood het kinderleger bedreigde en om het vele leed dat hij voorzag. Toen kon Thaddeus niet anders doen dan uit de anonimiteit treden, hem toespreken en zijn hulp aanbieden. Rudolfs verbeten gevecht tegen de Scharlaken Dood had de monnik verbijsterd. Toen de jongen de strijd tegen de duivelse horden van vieze beestjes had gewonnen en hen had weten terug te drijven tot hun laatste bolwerk, de ossenwagen, terwijl de beide andere monniken in hun onverstand hadden geweigerd de huifkar te laten vernietigen, had Dom Thaddeus maar één ding kunnen doen: ervoor zorgen dat de wagen in vlammen opging. Gezond en vrolijk vervolgden de kinderen toen hun weg. Maar hoe kwam Rudolf van Amstelveen aan zijn medische kennis? Hoe kon de jongen weten wat niemand wist: wie de veroorzakers waren van de Scharlaken Dood?

Diep in gedachten staarde Dom Thaddeus naar de vissende kinderen. Hoe lief had hij hen! En al die andere kinderen met hun onschuldige gezichtjes, lichte stemmen, rappe voetjes - hoeveel hield hij van hen! Maar dat alles was niets vergeleken bij de overheersende genegenheid die hij koesterde voor dat ene, vreemde kind: Rudolf van Amstelveen. Dat verontrustte de priester. Hij vreesde dat zijn stille verrukking een grote zonde was. Zijn plicht was om deze kinderen allen lief te hebben en niet de één meer dan de ander. Thaddeus, een intelligent maar nederig mens, vroeg God om vergeving voor die grote voorliefde.

En er klopte iets niet met Rudolf. In geloofszaken was de jongen ongelofelijk onnozel. Met een onschuldig gezicht kon hij dingen zeggen die Thaddeus koude rillingen over de rug deden lopen. Was de jongen een ketter?

Diep in zijn hart had Dom Thaddeus weinig respect voor Nicolaas en voor de twee monniken die met het kinderleger uit Keulen waren vertrokken. Maar hij waagde het niet te twijfelen aan hun heilige opdracht. Rudolf deed dat wel, openlijk zelfs. Thaddeus besefte dat hij zowel Anselmus als Johannis zou moeten liefhebben als broeders. Dat hij dit niet kón, was de schuld van Rudolf en diens verdachtmakingen. Allemaal heel griezelig... Bovendien begreep Dom Thaddeus dat het conflict tussen Rudolf en Anselmus op een dag een hoogtepunt zou naderen, en hij wist niet aan wiens kant hij dan zou moeten staan. Zijn plicht gebood hem om de zijde van de Kerk, dus van Anselmus, te kiezen. Maar aan de andere kant zou dan die jongen staan, van wie hij zo wanhopig veel hield...

De kinderen laadden de vangst voor die dag op de ezel en trokken zingend in de richting van het kampement. Leonardo zwaaide opgewekt naar Dom Thaddeus. Maar die zag het niet. Met gebogen hoofd volgde hij de vissertjes: een eerlijk man, door twijfels verscheurd.


8-3 Beschuldigd van ketterij

Beschuldigd van ketterij deel 3

‘Een ketter ben je, een duivelse ketter. 'You are a heretic, a devilish heretic. En zolang jij in ons midden vertoeft, zullen de rampen op ons blijven neerdalen,' besloot Anselmus de aanklacht. And as long as you remain in our midst, calamities will continue to fall upon us,' Anselmus concluded the charge. De kinderen gromden. The children growled.

Nicolaas stond er zwijgend en bleek bij. Nicholas stood silent and pale. Maar zijn ogen schitterden. But his eyes sparkled. Eindelijk werd de vreemdeling uit het Noorden, die zoveel van Nicolaas' prestige had gestolen, ontmaskerd. At last the stranger from the North, who had stolen so much of Nicholas's prestige, was exposed. Ook Dolf zweeg. Dolf was also silent. Nog wel. Still. Ten eerste besefte hij dat hij het in een godsdienstig debat van de priester moest verliezen, want hij zon nauwelijks begrijpen waar de man het over had. First, he realized that he must lose out to the priest in a religious debate, for he could hardly understand what the man was talking about. Ten tweede wist hij nog iets: zolang hij zijn mond hield zou de monnik blijven praten - en hopelijk iets zeggen waarop Dolf hem kon aanvallen. Second, he knew something else: as long as he kept his mouth shut, the monk would keep talking - and hopefully say something that Dolf could attack him on.

Opeens stegen uit de schare kinderen aarzelende stemmen op: ‘Rudolf van Amstelveen is geen ketter.' Suddenly hesitant voices rose from the crowd of children: 'Rudolf van Amstelveen is not a heretic.' ‘Rudolf heeft mijn broertje gered.' "Rudolf saved my little brother." ‘Rudolf draagt de Heilige Maagd op zijn borst en ik heb hem zien bidden.' "Rudolf carries the Blessed Virgin on his chest and I have seen him pray." Voorzichtige, verdedigende stemmen waren het, die algauw verloren gingen in het gemor en gefluister van de anderen. They were wary, defensive voices, soon lost in the murmurs and whispers of the others. Maar Dolf had er iets van opgevangen en dat gaf hem moed. But Dolf had heard something of it and that gave him courage. Niet alle kinderen vielen hem af - nog niet. Not all the kids rejected him - not yet.

Anselmus had het ook gehoord en lachte schamper. Anselmus had heard it too and laughed scornfully. Hij besloot de beschuldiging te verzwaren. He decided to aggravate the charge.

‘Je draagt kleren die niemand van ons ooit heeft zien dragen. “You're wearing clothes that none of us have ever seen wearing. Toen je bij ons kwam, Rudolf, sprak je een taal die niemand op aarde spreekt. When you came to us, Rudolf, you spoke a language that no one on earth speaks. Als iedereen ziek wordt, blijf jij gezond. If everyone gets sick, you stay healthy. Als iedereen moe is, heb jij nog kracht. When everyone is tired, you still have strength. Als iedereen slaapt, sluip jij het kamp uit en je begeeft je naar een afgelegen plaats, waar je demonen en duivels ontmoet, waar je offers brengt aan je meester: de Satan! When everyone is asleep, you sneak out of the camp and make your way to a remote place, where you meet demons and devils, where you make sacrifices to your master: Satan! Kiedy wszyscy śpią, wymykasz się z obozu i udajesz w odległe miejsce, gdzie spotykasz demony i diabły, gdzie składasz ofiary swojemu panu: Szatanowi! Ik ben je gevolgd, Rudolf van Amstelveen, ik heb je bespied en ontzettende dingen gezien. I followed you, Rudolf van Amstelveen, I spied on you and saw terrible things. Te afschuwelijk om hier te uiten voor de onschuldige oren van deze kinderen.' Too horrible to utter here for the innocent ears of these children.' Dolf snoof. Dolph sniffed. Nu begon de tegenstander met leugens en dat was een uiting van zwakte. Now the opponent started with lies and that was an expression of weakness. Welnu, hij zou meneer even van antwoord dienen. Well, he would answer sir for a moment. ‘Dom Anselmus, ik herinner mij dat de machtige domheer van Rottweil u een bedrieger en valse priester noemde. 'Dom Anselmus, I remember that the mighty Domlord of Rottweil called you an imposter and false priest. Daarop had ge toen niets te zeggen. You had nothing to say to that then. Waarom niet?' ‘Moet ik antwoorden op lasterlijke beschuldigingen?' "Should I Respond to Defamatory Accusations?" snauwde Anselmus, toch zichtbaar geschrokken. snapped Anselmus, still visibly startled.

‘Nee, maar moet ik dat wel doen? 'No, but should I? Ik draag geen habijt en geen witte kleren. I don't wear a habit or white clothes. Ik heb ook geen tijd om voor elk wissewasje op de knieën te zinken, maar daarom ben ik nog geen ketter. I don't have time to get down on my knees for every trifle, but that doesn't make me a heretic. En nog minder een Duivelsdienaar. Durft gij te ontkennen dat ik het was die de kinderen brood bracht toen de gierige Rottweilers hen lieten hongeren? Dare you deny that it was I who brought bread to the children when the greedy Rottweilers left them to starve? Durft gij te ontkennen dat ik het was die hun stukgelopen voeten liet bekleden met zacht leer van konijnenhuid? Dare you deny that it was I who covered their broken feet with soft rabbit-skin leather? Durft ge beweren dat van al deze kinderen, die door uw woorden zo diep geschokt zijn, er ook maar één is die mij van hardheid, wreedheid, zelfzucht kan beschuldigen? Dare you say that of all these children, who are so deeply shocked by your words, there is only one who can accuse me of harshness, cruelty, selfishness? Kinderen, heb ik ooit een van jullie geslagen, geschopt, gevloekt?' Kids, have I ever hit, kicked, cursed any of you?' ‘Dat is waar,' riepen enkele kinderen. ‘Rudolf van Amstelveen heeft als een goede heer voor ons gezorgd.' Een kleine jongen maakte zich uit de kring los, ging naast Dolf staan en greep zijn hand. A small boy broke away from the circle, stood next to Dolf and grabbed his hand.

‘Rudolf is een held,' zei hij helder. Het was Thiess. Thiess, die zo bang was voor de beren van de Karwendel, maar het tegen een priester en een heilige herdersjongen durfde op te nemen. Thiess, who was so afraid of the bears of the Karwendel, but dared to take on a priest and a holy shepherd boy.

De stemming sloeg meteen weer om ten gunste van Dolf. The mood immediately turned again in favor of Dolf. Maar Anselmus had, heel sluw, nog een argument achter de hand gehouden. But Anselmus, very cunningly, had another argument up his sleeve.

‘Ja, je hebt hun brood gebracht, Rudolf van Amstelveen. 'Yes, you brought them bread, Rudolf van Amstelveen. En verklaar mij eens: hoe kon jij in één nacht achthonderd broden bakken zonder de hulp van je meester: de Satan? Dat kan geen mens...' ‘Vijf mensen. Dom Anselmus, kunnen dat. Bakker Gardulf, zijn twee knechten, Frank en ik zijn de hele nacht in touw geweest. Bakker Gardulf, his two servants, Frank and I have been busy all night. De Satan hadden we daarvoor niet nodig, we hadden zelf kracht genoeg.' ‘Bakker Gardulf! Heel Rottweil weet dat Gardulf zelf een heiden is, zijn naam zegt het al. All of Rottweil knows that Gardulf himself is a heathen, his name says it all. En juist uit zijn bakkerij kwamen de broden. Dat geef je toe, Rudolf van Amstelveen.' You admit that, Rudolf van Amstelveen.' Verrek, wat een taaie is die vent, dacht Dolf. Cholera, jaki to twardy facet, pomyślał Dolf.

‘Dat zijn beschuldigingen die nergens op slaan, Dom Anselmus. 'These are false accusations, Dom Anselmus. De Rottweilers zouden Gardulf allang uit hun stad gejaagd hebben als hij werkelijk een heiden was. The Rottweilers would have driven Gardulf out of their town long ago if he really was a heathen. De Rottweilers zijn niet gek!' The Rottweilers aren't crazy!' De kinderen vonden dat logisch klinken. The children thought that sounded logical. Ze knikten en drongen weer op. They nodded and pressed again. Het woordgevecht begon op een toernooi te lijken en ze kregen er plezier in. The word fight started to look like a tournament and they got into it. Vol spanning wachtten ze op de volgende aanval van Anselmus, maar die kwam niet. They anxiously waited for Anselm's next attack, but it did not come. In zijn plaats zei Nicolaas schel: ‘Nooit zullen wij de zee bereiken, zolang Rudolf van Amstelveen in ons midden is.' Instead, Nicolaas shrilled: 'We shall never reach the sea as long as Rudolf van Amstelveen is among us.' Dat ging er bedenkelijk uitzien, want uit de kinderschare steeg een woest gegrom op. That started to look doubtful, because a ferocious growl went up from the children's crowd. To wyglądało na wątpliwe, gdyż z tłumu dzieci dobiegł dziki warkot.

‘God zal ons verlaten wanneer wij dulden dat dit duivelskind met ons meetrekt,' vervolgde Nicolaas met grote nadruk. "God will forsake us if we allow this devil's child to go with us," Nicholas continued with great emphasis. ‘God heeft ons al een waarschuwing gezonden. “God has already sent us a warning. Hij zond de Scharlaken Dood. He sent the Scarlet Death. Hij zond ons slecht weer en honderden moeilijkheden. He sent us bad weather and hundreds of troubles. En de rampen zullen over ons blijven neerdalen, zolang hij, Rudolf Wega van Amstelveen, bij ons is en ons ervan tracht te weerhouden dat we het Heilige Land bereiken.' And the disasters will continue to descend on us, as long as he, Rudolf Wega van Amstelveen, is with us and tries to prevent us from reaching the Holy Land.' Dreigend stuwden de kinderen om Dolf heen. Menacingly, the children pushed around Dolf. Kleine Thiess riep angstig: ‘Niet doen!' Little Thiess cried anxiously, "Don't!" Ik moet tijd winnen, dacht Dolf wanhopig. I must buy time, Dolf thought desperately. Als het zo doorgaat, zal Nicolaas die kinderen tot een lynchpartij verleiden... If it continues like this, Nicholas will lead those children into a lynch mob... Jeśli tak będzie dalej, Nicholas skusi te dzieci do linczu...

‘Halt!' "Halt!" Gebiedend hief hij de armen boven het hoofd. Imperiously he raised his arms above his head. Na rozkaz podniósł ręce nad głowę. Streng en bevelend richtte hij zijn ogen op de woedende kinderen. Stern and commanding, he turned his eyes to the angry children. ‘Halt! 'Hold! Ik bevind mij in staat van beschuldiging. I am indicted. Ik ontken niet het recht van Nicolaas of van Dom Anselmus om mij te beschuldigen van ketterij en duivelspraktijken - maar ik ontken hun recht om mij zonder vorm van proces te veroordelen. I do not deny the right of Nicholas or of Dom Anselmus to accuse me of heresy and diabolical practices - but I deny their right to condemn me without trial. Een beschuldiging uitspreken is niet voldoende. Making an accusation is not enough. Er moeten ook bewijzen zijn. There must also be evidence. Daarom eis ik een eerlijk proces, waaraan het hele kinderleger moet deelnemen. That is why I demand a fair trial, in which the entire children's army must participate. Ik beloof dat ik mij aan het eindoordeel zal onderwerpen, hoe dat ook zal luiden. I promise to submit to the final judgment, whatever that may be. Ik zal ook geen poging doen om te vluchten. Nor will I attempt to flee. Maar ik eis dat ik deze avond volgens de regels berecht zal worden. But I demand that I be tried this evening according to the rules. Bang ben ik daar niet voor, want een onschuldige heeft niets te vrezen, een onschuldige kan op God vertrouwen - en ik ben onschuldig. I am not afraid of that, because an innocent has nothing to fear, an innocent can trust in God - and I am innocent. Dat is alles wat ik te zeggen heb.' That's all I have to say.' Na die woorden draaide hij Nicolaas de rug toe en stapte recht op de kinderen af, die onmiddellijk opzij gingen en hem doorlieten. With these words he turned his back to Nicholas and walked straight towards the children, who immediately stepped aside and let him through. Zonder op of om te kijken begaf Dolf zich naar zijn eigen hoekje, ging bij de as van het vuur zitten. Without looking up or back, Dolf went to his own corner, sat down by the ashes of the fire. Nie patrząc w górę ani w tył, Dolf poszedł do swojego kąta i usiadł przy popiołach ognia.

‘Bewaak hem,' hoorde hij Nicolaas' schelle stem roepen. 'Guard him,' he heard Nicholas's shrill voice call. ‘Hij zal zijn proces krijgen vanavond.' "He'll get his trial tonight." Mooi, dacht Dolf opgelucht. Good, Dolf thought with relief. Dan heb ik uren de tijd om me erop voor te bereiden. Then I have hours to prepare for it.

De kinderen verspreidden zich. The children scattered. Een twintigtal, met knuppels gewapend, trok een kordon om Dolf en zijn vuurtje. About twenty, armed with clubs, drew a cordon around Dolf and his fire. Hij deed of hij hen niet opmerkte. He pretended not to notice them.

Hij liet ook niets blijken van zijn groeiende angst voor de avond. Nor did he show his growing fear of the evening. Hoe zwaar telde hier een beschuldiging van ketterij? What was the weight of an accusation of heresy here? In hoeverre kon hij rekenen op zijn vrienden, op de dankbaarheid van de kinderen? To what extent could he count on his friends, on the gratitude of the children? De kans dat ze hem zouden afvallen, voor hem zouden terugdeinzen en hem zonder meer tot de brandstapel zouden laten veroordelen, leek hem niet gering! The chance that they would drop him, shrink from him, and simply have him condemned to the stake, did not seem small to him! Szanse, że go stracą, cofną się przed nim i spalą go na stosie, nie wydawały mu się małe!

Arme Dolf. Poor Dolph. Als hij meer had kunnen begrijpen van de middeleeuwse mentaliteit, zou hij geweten hebben waarop hij wél kon rekenen. If he could have understood more about the medieval mentality, he would have known what to count on. Op de onverbrekelijke trouw van zijn vrienden, een trouw die niet zou wijken voor doodsgevaar, voor bijgeloof of bangmakerij. To the unbreakable fidelity of his friends, a fidelity that would not give way to mortal danger, to superstition or frightening. Za niezłomną wierność jego przyjaciół, wierność, która nie podda się śmiertelnemu niebezpieczeństwu, przesądom ani sianiu strachu. Want Dolf kwam uit de twintigste eeuw, uit de hoogtijdagen van het opportunisme en het verraad, uit de eeuw waarin een gegeven woord niets betekende, waarin plechtig gezworen eden met het grootste gemak werden gebroken, waarin vriendschap en solidariteit nog slechts bij weinigen te vinden waren. For Dolf came from the twentieth century, from the heyday of opportunism and betrayal, from the age in which a given word meant nothing, in which solemnly sworn oaths were broken with the greatest of ease, in which friendship and solidarity could only be found among a few .

Achter hem verhieven, donker en dreigend, de Alpen hun onbeklimbare muren en ruige toppen. Behind him, dark and menacing, the Alps lifted their unclimbable walls and rugged peaks. Daar waren de nauwe doorgangen, donderde een waterval naar beneden. There were the narrow passages, a waterfall thundered down. Morgenochtend zou het kinderleger dat gebergte binnentrekken - maar nog deze avond zou worden beslist of dat zou gebeuren onder leiding van Rudolf van Amstelveen - of niet. Tomorrow morning the children's army would enter those mountains - but it would be decided this evening whether that would happen under the leadership of Rudolf van Amstelveen - or not. Dolf zat doodstil, het hoofd gebogen, en in zijn binnenste ontstond iets dat hij geen naam durfde te geven, maar dat onhoudbaar de woorden naar zijn lippen drong: ‘Help mij... Beschermer van armen en verdrukten, help mij...' Dolf sat quite still, his head bowed, and something arose within him that he dared not name, but which forced the words unstoppably to his lips: "Help me... Protector of the poor and oppressed, help me..." Dom Thaddeus stond bij het meertje naar de vissende kinderen te kijken. Dom Thaddeus stood by the pond watching the children fishing. Dat deed hij graag. Hij vond het fijn om te zien met hoeveel geestdrift en jeugdige kracht ze de netten door het water trokken. He was pleased to see the spirit and youthful vigor with which they pulled the nets through the water. Hij luisterde glimlachend naar hun gejuich als de netten loodzwaar omhoogkwamen. Hij lachte zelfs om hun teleurgestelde gejammer wanneer een net scheurde en de zilveren vangst ontsnapte. He even laughed at their disappointed wail when a net broke and the silver catch escaped. Met welgevallen keek hij naar hun natte, bruingebrande lichamen, naar de glinsteringen van het opspattende water, de witgekuifde bergen op de achtergrond, het glooiende groene land rondom, de julizon boven hun hoofden - al die schoonheid ondervond Dom Thaddeus als een bewijs van Gods goedheid en oneindige liefde. Z przyjemnością patrzył na ich mokre, opalone ciała, na błysk rozbryzgującej się wody, na białoczubne góry w tle, na falującą zieloną krainę dookoła, na lipcowe słońce nad ich głowami - całe to piękno, którego doznał Dom Tadeusz jako dowód dobroci Boga i nieskończonej miłości.

Hij hield van kinderen. He loved children. Daarom trok hij met hen mee, vastbesloten hen te helpen waar hij maar kon. So he went with them, determined to help them wherever he could. Nauwelijks had hij zich in het Zwarte Woud bij de kleine pelgrims aangesloten, of hij had een grote jongen opgemerkt, wiens lange gestalte en bevelende stem een kind van edel bloed verrieden. No sooner had he joined the little pilgrims in the Black Forest than he noticed a tall boy whose tall stature and commanding voice betrayed a child of noble blood. Een geboren leider. Eerst dacht Thaddeus dat dit niemand anders kon zijn dan Nicolaas, de uitverkoren herdersknaap. En hij voelde hoe heel zijn hart naar die jongen uitging. Pas uren later ontdekte hij zijn vergissing. Nicolaas was een ander. Weliswaar ook een flink uit de kluiten geschoten knaap, maar toch iemand wiens overwicht op de kinderen niet uit een geboren leiderschap voortkwam. Wprawdzie też dość przerośnięty chłopak, ale jednak taki, którego przewaga nad dziećmi nie wynikała z urodzonego przywództwa. Nicolaas was van verre te herkennen aan zijn sneeuwwitte overkleed, aan zijn dwepende oogopslag, aan een zekere waardigheid die aangemeten was - en niet helemaal bij hem paste. Nicholas could be recognized from afar by his snow-white cloak, by his enthusiastic glance, by a certain dignity that was fitted - and didn't quite suit him. Mikołaja można było rozpoznać z daleka po jego śnieżnobiałej szacie, po jego olśniewającym spojrzeniu, po pewnej godności, która była dopasowana - i niezupełnie mu odpowiadała. Groot was de teleurstelling van Thaddeus. Great was the disappointment of Thaddeus. Wie was die vreemde, grote jongen dán? Who was that strange, big boy then? In de drie dagen die daarna waren verstreken voordat zij de stad Rottweil bereikten, had de monnik vele tegenstrijdigheden opgemerkt. In the three days that had passed before they reached the town of Rottweil, the monk had noticed many contradictions. De jonge Rudolf, die toch niet anders kon zijn dan de zoon van een groot heer, sliep niet in de tent bij de andere adellijke kinderen. Young Rudolf, who could not be anything other than the son of a great lord, did not sleep in the tent with the other noble children. Zelden sprak hij met Nicolaas of de twee priesters, en áls hij met hen sprak hadden ze een verschil van mening. Rarely did he speak to Nicholas or the two priests, and when he spoke to them they had a difference of opinion. Thaddeus vernam dat de merkwaardige jongen uit het Noorden kwam, zich onderweg bij het kinderkruisleger had aangesloten - en zich toen onmiddellijk had laten gelden. Thaddeus learned that the curious boy was from the North, had joined the Children's Cross army along the way - and then immediately asserted himself. Tadeusz dowiedział się, że ciekawski chłopak jest z Północy, po drodze zaciągnął się do armii Dziecięcego Krzyża - i natychmiast się upewnił.

Hij sprak heel weinig Latijn, scheen toch een soort geleerde te zijn, een wonderdokter, bereisd en moedig, maar hij nam nooit deel aan de gevaarlijke jachtpartijen of visvangsten. Hij bakte geen koeken, looide geen leer, vlocht geen dekens, en was toch altijd in de weer. He baked no cakes, tanned no leather, did not braid blankets, and yet was always busy. Nie piekł ciast, garbowanej skóry ani nie tkał koców, a jednak zawsze był zajęty. Overal waar de kinderen raad en beslissingen nodig hadden, kon je hem vinden; hij regelde en organiseerde, en de kinderen gehoorzaamden hem zonder dwang. You could find him wherever the children needed advice and decisions; he arranged and organized, and the children obeyed him without coercion. Zoiets had Dom Thaddeus nooit eerder bij een kind gezien. Dom Thaddeus had never seen anything like it in a child before. Was Rudolf wel een kind? Was Rudolph even a child? Hij had het gezicht van een jongen, de lengte van een volwassene, de wijsheid van een oude kluizenaar... He had the face of a boy, the height of an adult, the wisdom of an old hermit...

Dat Rudolf toch een kind was, bleek toen Thaddeus hem bij Rottweil huilend voor de huifkar aantrof. That Rudolf was a child after all became apparent when Thaddeus found him crying in front of the covered wagon at Rottweil. To, że Rudolf był przecież dzieckiem, stało się jasne, gdy Tadeusz zastał go płaczącego przed krytym wozem w Rottweil. Huilde de jongen om zichzelf? Was the boy crying for himself? Nee, hij huilde omdat de Scharlaken Dood het kinderleger bedreigde en om het vele leed dat hij voorzag. No, he wept because the Scarlet Death threatened the army of children and for the great suffering he foresaw. Nie, płakał, ponieważ Szkarłatna Śmierć zagroziła dziecięcej armii i wielkim cierpieniom, które przewidział. Toen kon Thaddeus niet anders doen dan uit de anonimiteit treden, hem toespreken en zijn hulp aanbieden. Then Thaddeus had no choice but to step out of anonymity, address him and offer his help. Rudolfs verbeten gevecht tegen de Scharlaken Dood had de monnik verbijsterd. Rudolf's fierce fight against the Scarlet Death had stunned the monk. Toen de jongen de strijd tegen de duivelse horden van vieze beestjes had gewonnen en hen had weten terug te drijven tot hun laatste bolwerk, de ossenwagen, terwijl de beide andere monniken in hun onverstand hadden geweigerd de huifkar te laten vernietigen, had Dom Thaddeus maar één ding kunnen doen: ervoor zorgen dat de wagen in vlammen opging. When the boy had won the battle against the fiendish hordes of foul beasts and managed to drive them back to their last stronghold, the oxcart, while the other two monks had unwisely refused to let the covered wagon be destroyed, Dom Thaddeus had only one thing to do: cause the car to burst into flames. Gezond en vrolijk vervolgden de kinderen toen hun weg. Healthy and cheerful, the children then continued on their way. Maar hoe kwam Rudolf van Amstelveen aan zijn medische kennis? But how did Rudolf van Amstelveen get his medical knowledge? Hoe kon de jongen weten wat niemand wist: wie de veroorzakers waren van de Scharlaken Dood? How could the boy know what no one knew: who caused the Scarlet Death?

Diep in gedachten staarde Dom Thaddeus naar de vissende kinderen. Hoe lief had hij hen! En al die andere kinderen met hun onschuldige gezichtjes, lichte stemmen, rappe voetjes - hoeveel hield hij van hen! And all those other children with their innocent faces, light voices, nimble feet - how much he loved them! Maar dat alles was niets vergeleken bij de overheersende genegenheid die hij koesterde voor dat ene, vreemde kind: Rudolf van Amstelveen. Ale to wszystko było niczym w porównaniu z dominującym uczuciem, jakie żywił do tego jednego dziwnego dziecka: Rudolfa van Amstelveena. Dat verontrustte de priester. That alarmed the priest. To zaalarmowało księdza. Hij vreesde dat zijn stille verrukking een grote zonde was. He feared that his quiet delight was a great sin. Bał się, że jego cicha radość była wielkim grzechem. Zijn plicht was om deze kinderen allen lief te hebben en niet de één meer dan de ander. Thaddeus, een intelligent maar nederig mens, vroeg God om vergeving voor die grote voorliefde. Tadeusz, człowiek inteligentny, ale pokorny, prosił Boga o przebaczenie dla tego wielkiego upodobania.

En er klopte iets niet met Rudolf. And something wasn't right with Rudolf. In geloofszaken was de jongen ongelofelijk onnozel. In matters of faith, the boy was incredibly ignorant. Met een onschuldig gezicht kon hij dingen zeggen die Thaddeus koude rillingen over de rug deden lopen. With an innocent face, he could say things that sent chills down Thaddeus's spine. Was de jongen een ketter? Was the boy a heretic?

Diep in zijn hart had Dom Thaddeus weinig respect voor Nicolaas en voor de twee monniken die met het kinderleger uit Keulen waren vertrokken. Deep in his heart, Dom Thaddeus had little respect for Nicholas or for the two monks who had left Cologne with the children's army. Maar hij waagde het niet te twijfelen aan hun heilige opdracht. But he dared not doubt their sacred mission. Rudolf deed dat wel, openlijk zelfs. Rudolf did, openly even. Thaddeus besefte dat hij zowel Anselmus als Johannis zou moeten liefhebben als broeders. Thaddeus realized that he should love both Anselm and Johannes as brothers. Dat hij dit niet kón, was de schuld van Rudolf en diens verdachtmakingen. That he could not do this was the fault of Rudolf and his suspicions. To, że nie mógł tego zrobić, było winą Rudolfa i jego podejrzeniami. Allemaal heel griezelig... Bovendien begreep Dom Thaddeus dat het conflict tussen Rudolf en Anselmus op een dag een hoogtepunt zou naderen, en hij wist niet aan wiens kant hij dan zou moeten staan. All very creepy... Besides, Dom Thaddeus understood that the conflict between Rudolf and Anselm would one day come to a head, and he didn't know whose side he would have to be on. Wszystko bardzo przerażające... Poza tym Dom Tadeusz zrozumiał, że konflikt między Rudolfem a Anselmem pewnego dnia osiągnie punkt kulminacyjny, a on nie wiedział, po której stronie powinien być. Zijn plicht gebood hem om de zijde van de Kerk, dus van Anselmus, te kiezen. His duty commanded him to take the side of the Church, that is, of Anselm. Jego obowiązek nakazywał mu stanąć po stronie Kościoła, czyli Anzelma. Maar aan de andere kant zou dan die jongen staan, van wie hij zo wanhopig veel hield... But on the other side would be that boy he loved so desperately...

De kinderen laadden de vangst voor die dag op de ezel en trokken zingend in de richting van het kampement. The children loaded the day's catch onto the donkey and went singing in the direction of the encampment. Leonardo zwaaide opgewekt naar Dom Thaddeus. Leonardo waved cheerfully to Dom Thaddeus. Maar die zag het niet. But he didn't see it. Met gebogen hoofd volgde hij de vissertjes: een eerlijk man, door twijfels verscheurd. With bowed head he followed the fishermen: an honest man, torn by doubts. Szedł za rybakami z pochyloną głową: uczciwy człowiek, targany wątpliwościami.