×

Utilizziamo i cookies per contribuire a migliorare LingQ. Visitando il sito, acconsenti alla nostra politica dei cookie.


image

Don Quichot van La Mancha, Don Quichot IV - WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT

Don Quichot IV - WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT

HOOFDSTUK IV.

WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT.

De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet en welgemoed zijn tocht vervolgde.

Zijne opgewonden verbeelding spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven nauwelijks de aarde te raken.

Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open, oogen toe, mijn jongen! " Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen, dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt. " Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer, deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen. " "Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" riep Don Quichot, die uit pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. "Gij liegt! Bind terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden. " In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was.

"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief. Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som terstond zonder tegenspraak te betalen.

"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven, dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "Ik sleep de realen maar zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem eerlijk toekomt. " "Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Geloof mij, edele ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren. " "Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder zijn woord brak. Ga gerust met hem. " "Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" huilebalkte de jongen. "Hij is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets. " "Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar ik u onder mijne bescherming heb genomen. " De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier, zeg ik! " En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast, waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder, aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte.

"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" spotte de boer, terwijl hij zijne slagen als hagel neer liet vallen. "Toe, roep hem nu en zie, of hij je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester rebellig te wezen. Klets, klets, klets! " En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot reispenning.

Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe:

"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden aardbodem is! " De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid: "Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid, waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne overal uitbazuinen. " "Dat is maar dwaze praat!" voegde Don Quichot hun toe. "Als ik haar toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting te ontzeggen. " "Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig maken?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust bedwingende. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene, en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en voor en achter een bochel heeft. " "Ellendige, laaghartige schavuit!" riep Don Quichot, ten uiterste verontwaardigd. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten. " En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk, op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan, struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl dezen daarbij zaten te schudden van lachen.

Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten, den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los, tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield, maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers ondergaan moest.

Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen.


Don Quichot IV - WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT Don Quijote IV - WO BRAAF ABGELEHNT UND VERRÄUMT WIRD Don Quixote IV - WHEREIN BRAAF IS RETURNED AND RANCHED Don Quijote IV - DONDE EL BRAFIO ES RECHAZADO Y RANCHADO

HOOFDSTUK IV. CHAPTER IV.

WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT. IN WHICH BRAVADO IS ROASTED AND WHIPPED.

De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet en welgemoed zijn tocht vervolgde. The morning was just beginning to dusk, when Don Quixote left the inn and continued his journey in good spirits.

Zijne opgewonden verbeelding spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en een schildknaap te voorzien. His excited imagination had already set before him all kinds of great and unheard of feats of arms, when suddenly the advice fell upon him which the innkeeper had given him, namely, to provide himself above all with money, fine linen and a squire. Dit deed hem dus besluiten naar zijne woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. This made him decide to return to his hometown, and to make Rocinante take the road to the village where he had seen the light of day. Het paard scheen zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden stal te verlangen. The horse seemed to understand his intention, and to desire the familiar stable even more than he did. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven nauwelijks de aarde te raken. It trotted along happily and seemed barely touching the earth with its hooves.

Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Once Don Quixote pulled on the reins and listened. Een klagend gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. A lamenting moan forced his ears from a dense undergrowth, and at once he sent his horse to the place from which the sound came. Hij was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke die klagende tonen uitstiet. He was barely fifty paces away when he discovered a mare tied up and there close to a boy about fourteen years old, emitting those complaining notes. De jongen was aan een boom vastgebonden en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. The boy was tied to a tree and his upper body bared to the hips. Een stevige boer stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open, oogen toe, mijn jongen! " A stout peasant stood behind him, mercilessly beating the screaming boy with a thick rope, and at every blow followed the admonition: "Open your eyes, my boy!" Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen durft! Don Quichot's heart swelled with anger and indignation, adding to the peasant in a thunderous voice: "You are a shameful and disgraceful knight, daring yourself so defenseless! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen, dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt. " Let him go, mount your steed, and take your lance, that we may try one another's strength; for I swear to you and will prove to you that your course betrays the worst cowardice. " Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer, deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hearing the menacing voice and seeing the knight in armor approaching him with a cut-down lance, the peasant already thought himself a man of death, and answered with a fright, "Noble sir, this fellow here has his chastisement. well deserved. Hij is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't nooit weer te zien te krijgen. He is one of my servants and shepherds my sheep, but is so bad at his duty that I lose a piece every other day, never to see it again. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen. " Then when I give him a pack, he says, although it is a disgraceful lie, that I am doing it out of angry stinginess and because I do not want to pay him what he deserves. " "Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" "That thou liest, wicked schobbejak!" riep Don Quichot, die uit pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. cried Don Quixote, who out of sheer chivalry chose the weaker side. "Gij liegt! "Thou liest! Bind terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden. " Immediately untie the boy and pay him what is due to him, if you do not want to be pierced with my lance while standing. " In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was. In his fear, the peasant untied the young recruit, and Don Quixote asked the latter how much money his lord owed him.

"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief. "Nine and sixty reals," replied sobbing the gaunt thief. Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som terstond zonder tegenspraak te betalen. His master stood completely bewildered at this answer and raised both hands in amazement; but the knight ordered him to pay that sum immediately without contradiction.

"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven, dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "And even if I had to stay dead in the place right now, I can't give that money," cried the farmer. "Ik sleep de realen maar zoo niet in mijn zak mee. "I drag the reals but so not in my pocket. Als de jongen echter met mij naar huis wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem eerlijk toekomt. " However, if the boy wants to come home with me, I swear to you, lord knight, that he will have what is rightfully his. " "Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Nay, with me I will not," cried the lad. "Geloof mij, edele ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren. " "Believe me, noble knight, if he gets me under his claws again, he'll take the poor skin off my ears in the flesh. " "Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. "Nay, he will not, but he will do as I command him. Hij moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder zijn woord brak. He must promise me on his word, that he will pay you, and heaven may have mercy on him, when he broke his word like a bad and false knight. Ga gerust met hem. " Go easy on him. " "Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" "But he's not a knight at all, sir!" huilebalkte de jongen. cried the boy. "Hij is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets. " "He is just the rich farmer Juan Haldudo from Quintanar and nothing else. " "Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. "That does not matter," declared Don Quixote; "even among the Haldudos there can be knights, and I tell you, if your lord does not pay you, I will come again, to discipline him. Weet, dat ik de beroemde dolende ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Know that I am the famous wandering knight Don Quixote of La Mancha, the exterminator of all evils, the protector of innocence and the refuge of the oppressed. Ga daarom met uw meester, mijn zoon! Therefore go with your master, my son! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar ik u onder mijne bescherming heb genomen. " He will not dare to harm you, since I have taken you under my protection. " De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in galop. The farmer swore on high and low that he would treat the boy properly, and Don Quixote spurred his steed and galloped away. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Not soon, however, was he out of sight when the farmer turned to his servant and said, "Now come here, my boy: I want to pay you what is due to you, with interest and interest. Kom hier, zeg ik! " Come here, I say! " En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast, waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder, aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte. And with these words he grabbed him, tied him again to the oak tree, where he whipped the rascal so miserably that his howling roar echoed far and wide through the forest and he wished the fierce knight, to whom he owed that suit, into the deepest abyss.

"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" "Call your liberator now, my son!" spotte de boer, terwijl hij zijne slagen als hagel neer liet vallen. scoffed the farmer, dropping his blows like hail. "Toe, roep hem nu en zie, of hij je hooren en helpen zal! "Please, call him now and see if he will hear you and help you! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester rebellig te wezen. Wait, I want to teach you to be rebellious against your master. Klets, klets, klets! " Chat, chat, chat! " En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. And he pounded away at the boy until his arm was paralyzed. Toen eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot reispenning. Then first he untied him and chased him away with a dour kick to travel medal.

Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond te kreunen en te krimpen. Meanwhile Don Quixote trudged off at a jog and rejoiced in his work, little suspecting how his newly freed protégé was now groaning and shrinking under the blows of his chastisers. Maar daar op eens zag hij in de verte eene stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. But suddenly he saw a cloud of dust rising in the distance, which he immediately mistook for a troop of poaching robber barons, although they were simply six peaceful merchants and their servants who were going from Toledo to Murcia to do their business. Don Quichot herinnerde zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend voorbeeld had gesteld. Don Quixote, however, remembered what he had previously read in his old chivalric histories, and decided to act in the same way as those incomparable heroes, whom he had once set himself as a shining example. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos afwachten. So with calm composure he steadied himself more firmly in the saddle, covered his chest with the shield, put on the lance and remained in this position, motionlessly awaiting the slowly approaching small caravan. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe: Now when the strange knights, for such he held them to be, had come within reach of his resounding voice, he opened his mouth and shouted defiantly at them:

"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden aardbodem is! " "Whoever you may be, I will not grant you passage until you have declared and testified that Dulcinea of Toboso, my chosen lady, is the noblest and most beautiful damsel on the great and wide earth! " De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid: "Koen, dapper en roemwaardig ridder! The merchants could tell from Don Quixote's gesticulation and the hilarious language he uttered that there must be something wrong with him up there, and one of them, a boisterous rogue, immediately replied with the same dignity: "Koen, brave and worthy knight! wij hebben den naam van de eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. We have never heard the name of the honorable damsel, whom you are echoing there, and so we have not the slightest objection to her. Laat ons dan zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid, waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne overal uitbazuinen. " Then let us see what she is like, and if she really is the paragon of beauty for which you spend her, then we shall be happy to extol her honor and praise everywhere. " "Dat is maar dwaze praat!" "That's just foolish talk!" voegde Don Quichot hun toe. Don Quixote added to them. "Als ik haar toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën neervielt. "If I showed her, 't would be no merit for you to fall down on your knees before her. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden neergeworpen. Nay, even without beholding her lovely face, thou shalt believe, confess and swear that she is the most beautiful on earth, or all will be thrown to the dust by the force of my lance. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting te ontzeggen. " Come closer then, come closer, one by one or all together, and I will show you what punishment awaits those who dare to deny the noble and high lady Dulcinea of Toboso the esteem due to her. " "Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig maken?" "Ei, lord knight, how art thou also so frighteningly adrift?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust bedwingende. replied the mocking merchant, struggling to contain his laughter. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene, en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en voor en achter een bochel heeft. " "Just show us an image of your adored one, and even if it is only as big as a grain of barley, we will be satisfied and give you all the credit for your glory, even if it appears from that conterfeit, that the noble Dulcinea is very cross-eyed and has a hunchback front and back. " "Ellendige, laaghartige schavuit!" "Miserable, low-life rascal!" riep Don Quichot, ten uiterste verontwaardigd. cried Don Quixote, utterly indignant. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. "Doña [1] Dulcinea of Toboso does not squint, much less is her noble stature marred by a hump. Maar gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten. " But thou shalt for thy snoode slander pay it with death. " En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk, op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan, struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door de lucht vloog. And while he was still shouting this, he spurred Rocinante on and dashed at the mocking merchant with such violence that he would have pierced him with his lance had not a fortunate coincidence averted the imminent danger. Poor Rocinante, not yet trained for such a hard run, struck a stone, stumbled, fell down and hurled his knight's rider from the saddle with such force that he flew ten paces through the air. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem dat. He did his best to rise again from his fall; but the heavy burden of his rest prevented him from doing so. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl dezen daarbij zaten te schudden van lachen. Notwithstanding, he continued to jeer and rave and showered the merchants with a flood of invective, while the latter sat there shaking with laughter.

Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten, den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. But the spectacle he made finally began to bore one of the mule drivers of the company and made him decide to forcefully silence the fallen knight. Hij steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los, tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. He dismounted from his beast of burden, approached Don Quixote, snatched the lance from his hand, broke it in half, took the thickest end and pounded with it on the still constantly jeering and cursing knight until he had smashed his club into a thousand splinters. Vervolgens nam hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield, maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers ondergaan moest. Then he took the other piece of the lance and used it in the same way against the poor fallen man, who therefore did not keep quiet, but called heaven and earth as witnesses to the disgraceful treatment he had to endure from such wretched thieves and street robbers.

Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. When at last the fellow grew tired and Don Quixote had received an ungracious gesture of blows, the merchants continued their journey without further concern for the woefully afflicted hero. Deze hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen. He now renewed his efforts to get up; but he did not succeed, as his whole body was badly bruised and he could hardly move his arms and legs.