Jon zit op de middelbare school.
Hij heeft veel huiswerk.
Eva zit op de universiteit.
Zij heeft ook veel huiswerk.
Jon houdt niet van huiswerk.
Hij zit graag op zijn computer.
Eva vindt lezen en schrijven leuk.
Ze maakt elke dag haar huiswerk.
Eva is Jons oudere zus.
Ze zorgt er altijd voor dat hij zijn huiswerk maakt.
Ik zit op de middelbare school.
Ik heb veel huiswerk.
Eva zit op de universiteit.
Zij heeft ook veel huiswerk.
Ik hou niet van huiswerk.
Ik zit graag op mijn computer.
Eva vindt lezen en schrijven leuk.
Ze maakt elke dag haar huiswerk.
Eva is mijn oudere zus.
Ze zorgt er altijd voor dat ik mijn huiswerk maak.
Vragen:
Een : Jon zit op de middelbare school.
Zit Jon op de middelbare school?
Ja, Jon zit op de middelbare school.
Twee : Jon heeft veel huiswerk.
Heeft Jon veel huiswerk?
Ja, Jon heeft veel huiswerk.
Drie : Eva zit op de universiteit.
Zit Eva op de middelbare school?
Nee, Eva zit niet op de middelbare school.
Ze zit op de universiteit.
Vier : Jon zit graag op de computer.
Zit Jon graag op de computer?
Ja, Jon zit graag op de computer.
Vijf : Eva vindt lezen en schrijven leuk.
Vindt Eva het leuk om films te kijken?
Nee, Eva vindt lezen en schrijven leuk.
Zes : Eva maakt elke dag haar huiswerk.
Maakt Eva elke dag haar huiswerk?
Ja, Eva maakt elke dag haar huiswerk.
Zeven : Eva is Jons oudere zus.
Zijn Jon en Eva familie van elkaar?
Ja, Jon en Eva zijn familie van elkaar.
Eva is Jons oudere zus.
Acht : Eva zorgt ervoor dat Jon elke dag zijn huiswerk maakt.
Zorgt Eva ervoor dat Jon zijn huiswerk maakt?
Ja, Eva zorgt ervoor dat Jon elke dag zijn huiswerk maakt.