×

We gebruiken cookies om LingQ beter te maken. Als u de website bezoekt, gaat u akkoord met onze cookiebeleid.


image

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 8-2 Beschuldigd van ketterij deel 2

8-2 Beschuldigd van ketterij deel 2

En dan was er het geval van de kleine Thiess.

Dolf trof het kind wanhopig snikkend aan, te midden van een kring meisjes, die tevergeefs trachtten hem te troosten.

Hoe oud was Thiess? Misschien zeven, want hij miste een paar voortanden. In Dolfs eeuw zou hij een kleine, gelukkige jongen zijn, in de derde klas van de basisschool. Hier was hij een kruisvaarder, prijsgegeven aan alle wisselvalligheden van het klimaat, op weg naar Genua. Thiess jammerde of zijn hartje zou breken. Vragend keken de meisjes naar Rudolf van Amstelveen. Kon hij Thiess niet helpen?

‘Wat scheelt eraan?' vroeg Dolf, neerknielend bij het wanhopige kereltje. Het was moeilijk om uit het verhaal wijs te worden. Thiess snikte maar. Eindelijk begon Dolf te begrijpen wat er aan de hand was. Een paar grotere jongens hadden in een aanval van plaagzucht tegen het kereltje gezegd: ‘Pas maar op, zie je die bergen? Daar gaan we straks doorheen en daar lopen zulke beren rond en die gaan jou opvreten!' ‘Welke jongens?' vroeg Dolf woedend. ‘Ik zal ze streng straffen.' Het kind bedaarde enigszins en keek Dolf aan. Met zijn besmeurde wangen, natte ogen en piekhaar zag hij er aandoenlijk uit.

‘En de beren dan?' riep hij, blijk gevend van meedogenloze kinderlogica. De stoute jongens straffen vond hij prachtig, maar daarmee verhinderde je de beren niet om hem, kleine Thiess, op te vreten. Dolf, uit het veld geslagen, zuchtte. Het bestaan van wilde dieren ontkennen zou niets uitrichten. Het kind veiligheid en bescherming beloven was ook te vaag. En hij voelde hoe de angst van Thiess door de meisjes werd gedeeld.

Hij wist niet goed raad met het geval. Hulpzoekend keek hij rond en toen zag hij Leonardo.

‘Kom eens hier.' ‘Wat is er?' Leonardo leunde op zijn knots en keek verbaasd op de kinderen neer. ‘Narigheid?' ‘Leonardo, herhaal eens voor al deze kinderen wat je in de tent van Nicolaas hebt gezegd, je weet wel, op de avond dat we besloten over de Brenner te gaan.' ‘Wat heb ik toen gezegd?' ‘Over de beren, je weet wel.' ‘O dát.' Leonardo lachte. Hij streelde even over zijn formidabele knots, dempte zijn stem en fluisterde, lichtjes met de knots op de grond tikkend: ‘Met deze stevige vriend kan ik elke wilde beer de baas.' Het maakte op de kinderen een geweldige indruk. Ze keken naar de knots, toen naar Leonardo die in hun ogen groot, sterk en machtig was, ze zagen zijn kalme gezicht en rustige ogen - en slaakten een zucht van verlichting.

‘... en als er toch een beer komt,' vervolgde Leonardo, zacht en dreigend, ‘dan geef ik hem met deze knuppel zo'n geweldige dreun op zijn kop dat hij meteen omvalt - boem! Morsdood is hij dan. En ik trek hem zijn mooie vacht uit, met kop en al, en maak er een mantel van. Die mantel krijg jij, Thiess, en je zult als een koning in een berenpels de Witte Stad binnentrekken.' Kleine Thiess lachte door zijn tranen heen. Hij maakte met zijn korte armpjes maaiende bewegingen.

‘Hu, hu, hu, daar komt de beer. We slaan je dood, lelijke beer, we slaan je dood.' ‘Juist,' zei Leonardo, ‘dat doen we.' Thiess huppelde weg, nog altijd roepend: ‘Hu, hu, ik ben de beer, de grote bruine beer. Ik ga jullie opvreten.' In zijn kinderfantasie zag hij zich al, gehuld in berenhuid, de Saracenen uit Jeruzalem jagen.

Frank, met zijn honderden kleine leerlooiers, werkte zoals hij zelfs in de werkplaats van zijn vader nooit had gewerkt. Dolfs roestvrij stalen broodmes bewees onschatbare diensten bij het snijden van het leer. De vissers, die door hun veelvuldig verblijf in het water weke voeten hadden gekregen, kregen korte laarzen van hertenleer. Een eer waarop zij trots waren, want aan zijn schoeisel kon je nu onmiddellijk een visser herkennen. Dolfs twintigste-eeuwse stappers met onverwoestbare plastic zolen begonnen het langzamerhand toch te begeven. Het zou niet lang duren of ook hij zou moeten wennen aan pantoffels van konijnenvel. De wol van de schapen was verwerkt tot dertig warme wollen capes. Mariecke kreeg er ook een van.

En toen, aan de vooravond van hun vertrek en de grote tocht over het gebergte, beging Dolf weer een fout waarmee hij zich de woede van Anselmus en Nicolaas op de hals haalde.

Hij stelde voor de beide ossen te slachten.

‘Het zijn prachtige dieren,' sprak hij tot Nicolaas, ‘maar de reis door de bergen kunnen ze niet maken. Hun vlees kan nog gerookt worden vannacht, we zullen het onderweg hard nodig hebben.' Hij had de herdersjongen en de monnik midden in het kamp ontmoet en dit was hem plotseling ingevallen. Het speet hem dat hij er niet eerder aan had gedacht.

‘De ossen?' gilde Nicolaas schel. ‘Wou jij je vergrijpen aan mijn ossen?' Anselmus zei woedend: ‘Jij hebt niet het recht om over een geschenk van de aartsbisschop van Keulen te beslissen, Rudolf.' ‘Nee,' zei Dolf kalm. ‘Ik stel het ook alleen maar voor. Ik weet dat ze van Nicolaas zijn. Maar zelfs Nicolaas zal inzien dat ossen geen berggeiten zijn en ongetwijfeld meer last dan gemak zullen veroorzaken.' Vele kinderen merkten dat er weer onenigheid was ontstaan tussen de leiders en Rudolf van Amstelveen. Ze lieten hun werk in de steek en kwamen er nieuwsgierig omheen staan.

Dolf wees naar de ingang van de kloof, een kilometer achter het kamp. En daarna op de bergketen, die hoog en dreigend de kinderen overschaduwde.

‘Hoe wil je met die runderen daardoorheen trekken, Nicolaas?' vroeg hij.

Nicolaas verloor zijn geduld. ‘Rudolf van Amstelveen, altijd val je me lastig, altijd daag je me uit. Waarom? Wie is hier de leider, jij of ik! Jij zegt dat je de kinderen wilt helpen zo snel mogelijk in Jeruzalem te komen. Maar het enige dat je in werkelijkheid doet, is ons voortdurend oponthoud bezorgen. En wantrouwen zaaien.' ‘Juist,' viel Anselmus in. ‘Op een dag kom jij, een vreemdeling, zomaar uit de lucht vallen en je begint ons te commanderen. Ga terug naar waar je vandaan komt; wij hebben je niet nodig.' Dolf keek om. Hij ontdekte dat er honderden kinderen om hen heen stonden. Ze zeiden niets. Wat dachten ze van de woordenstrijd? Aan wiens kant stonden ze?

Hij richtte zich wat hoger op, wetend dat zijn lengte indruk maakte. Hij droeg die middag niets dan zijn gerafelde spijkerbroek. De zon had zijn lichaam gebruind, het zware werk had zijn spieren gestaald. Zijn gladde jongensgezicht had verbeten trekken gekregen. Dolf wist niet van zichzelf hoe hij eruitzag (als een jonge atleet). Hij vreesde dat hij op een haveloze bedelaar leek en nadelig afstak tegen de mooie witte Nicolaas en de keurige habijt van Anselmus.

‘Jullie hebben mij niet nodig - nee, dat heb ik gemerkt,' zei hij trots. ‘Wat hebben jullie gedaan om ervoor te zorgen dat de kinderen morgen veilig het gebergte kunnen binnentrekken? Hebben jullie gezorgd voor voedselvoorraden, voor kleding en schoeisel, voor wapens tegen de wilde dieren? Hebben jullie de kinderen ooit aangespoord tot enige voorzorgsmaatregel? Niets van dit alles hebben jullie gedaan. Bidden ja, dat deden jullie. Maar één gedachte wijden aan wat er ging komen, één keer vooruit denken om tegen de moeilijkheden opgewassen te zijn, dat hebben jullie nooit gedaan. Dat heb ik gedaan.' Steeds meer kinderen omringden hen. Fluisterend werden de nieuw aangekomenen ingelicht over de ruzie. Enkelen liepen weer angstig weg, maar de meesten verdrongen zich om geen woord te hoeven missen. Het waren in hoofdzaak meisjes en kleintjes. De vissers waren aan het meer, de jagers waren op jacht, Frank was met zijn leerlooiers naar de beek getrokken om huiden te reinigen. Ieder had zijn werk en deeddat met geestdrift. De knokploegen waren een halve kilometer verder aan het sprokkelen. Slechts de kookploegen waren thuis, samen met de hummels. En die kwamen nu aanlopen.

‘De kinderen hebben jou nooit nodig gehad, Rudolf van Amstelveen,' zei Nicolaas fier. ‘God waakt over ons, Hij zal ons voeden en ons de kracht geven alle beproevingen te doorstaan.' De kinderen rondom knikten vroom. Dolf wierp het hoofd in de nek: ‘Daarbij verlangt God ook van ons enige inspanning - en veel overleg,' zei hij koel. ‘Je spreekt als een ketter,' snauwde Anselmus. Eindelijk was het woord dat velen wekenlang op de lippen had gebrand, gevallen. Dolf zei roekeloos: ‘Probeer mij maar geen angst aan te jagen, Dom Anselmus, want dat zal u niet lukken. Ik heb maar één taak: de fouten die u maakt en die dodelijk zijn voor deze kinderen, weer recht te zetten. God weet dat ik het daar druk genoeg mee heb.' Nicolaas uitte een gesmoorde kreet van protest. Hij vond Rudolfs optreden onverdraaglijk. Anselmus stak bezwerend de handen op. ‘Een afgezant uit de hel ben je, Rudolf van Amstelveen. Jouw werk is kennelijk om ons op dwaalwegen te leiden en ons te verhinderen een heilige missie te volbrengen.' Ontzet deinsden de kinderen terug. In hun ogen las Dolf de angstige vraag: Rudolf een afgezant van de duivel?

Opeens drong het tot de jongen door dat hij in gevaar verkeerde. Eén bevel van Anselmus of van Nicolaas, en honderden in paniek gebrachte kinderen zouden zich op hem storten, hem aan stukken scheuren, zo klein als ze waren! Waar was Leonardo nu met zijn knots? Waar was Carolus? Waar waren al zijn vrienden en trouwe medewerkers? Bijtijds herinnerde hij zich zijn talisman. Snel greep hij de hanger met de Heilige Maagd en kuste de primitieve voorstelling.

De Heilige Moeder Maria beschermt mij, Dom Anselmus,' zei hij dreigend. ‘Ge kunt mij niet ongestraft beledigen.' ‘Laster niet, Rudolf! Heb jij niet in Rottweil met een oude jood gesjacherd en hem munten aangeboden, door de Duivel zelf geslagen?' Verroest, hoe weet hij dat nou weer? dacht Dolf verbijsterd. Die Anselmus moet over een goede inlichtingendienst beschikken.

‘En heb jij niet, door middel van toverij, onze onmisbare huifkar in vlammen doen opgaan, midden in de nacht?' vervolgde de monnik met harde stem. ‘En bezit je niet een mes dat gesmeed werd in de gloeiende diepten van de hel, zodat het niet kan roesten en nooit bot wordt?' Welja, laten ze me een duivel noemen omdat ik toevallig een goed broodmes heb meegebracht, dacht Dolf. Nog meer?

Schijnbaar onbewogen liet hij de beschuldigingen over zich heen komen. Zijn blik liet Dom Anselmus niet meer los. Maar diep in zijn hart groeide de angst.


8-2 Beschuldigd van ketterij deel 2

En dan was er het geval van de kleine Thiess.

Dolf trof het kind wanhopig snikkend aan, te midden van een kring meisjes, die tevergeefs trachtten hem te troosten. Dolf found the child sobbing desperately, in the midst of a circle of girls who tried in vain to comfort him.

Hoe oud was Thiess? Misschien zeven, want hij miste een paar voortanden. In Dolfs eeuw zou hij een kleine, gelukkige jongen zijn, in de derde klas van de basisschool. Hier was hij een kruisvaarder, prijsgegeven aan alle wisselvalligheden van het klimaat, op weg naar Genua. Here he was a crusader, subject to all the vicissitudes of the climate, on his way to Genoa. Tutaj był krzyżowcem, poddającym się wszelkim zmianom klimatu, w drodze do Genui. Thiess jammerde of zijn hartje zou breken. Thiess wailed as if his heart would break. Vragend keken de meisjes naar Rudolf van Amstelveen. Kon hij Thiess niet helpen?

‘Wat scheelt eraan?' "What's the matter?" vroeg Dolf, neerknielend bij het wanhopige kereltje. Het was moeilijk om uit het verhaal wijs te worden. Thiess snikte maar. Eindelijk begon Dolf te begrijpen wat er aan de hand was. Een paar grotere jongens hadden in een aanval van plaagzucht tegen het kereltje gezegd: ‘Pas maar op, zie je die bergen? Some of the bigger boys had said to the little fellow in a fit of teasing, 'Watch out, see those mountains? Daar gaan we straks doorheen en daar lopen zulke beren rond en die gaan jou opvreten!' We'll go through that later and bears like that are walking around there and they're going to eat you!' ‘Welke jongens?' vroeg Dolf woedend. ‘Ik zal ze streng straffen.' "I will punish them severely." Het kind bedaarde enigszins en keek Dolf aan. The child calmed down somewhat and looked at Dolf. Met zijn besmeurde wangen, natte ogen en piekhaar zag hij er aandoenlijk uit. With his smeared cheeks, wet eyes and spiky hair, he looked touching. Z rozmazanymi policzkami, mokrymi oczami i sterczącymi włosami wyglądał ujmująco.

‘En de beren dan?' riep hij, blijk gevend van meedogenloze kinderlogica. he cried, displaying ruthless childish logic. De stoute jongens straffen vond hij prachtig, maar daarmee verhinderde je de beren niet om hem, kleine Thiess, op te vreten. He loved punishing the bad boys, but that didn't stop the bears from eating him, little Thiess. Dolf, uit het veld geslagen, zuchtte. Het bestaan van wilde dieren ontkennen zou niets uitrichten. Zaprzeczanie istnieniu dzikich zwierząt nic by nie dało. Het kind veiligheid en bescherming beloven was ook te vaag. Promising the child safety and protection was also too vague. En hij voelde hoe de angst van Thiess door de meisjes werd gedeeld. And he felt how Thiess's fear was shared by the girls.

Hij wist niet goed raad met het geval. Hulpzoekend keek hij rond en toen zag hij Leonardo.

‘Kom eens hier.' ‘Wat is er?' Leonardo leunde op zijn knots en keek verbaasd op de kinderen neer. ‘Narigheid?' 'Kłopot?' ‘Leonardo, herhaal eens voor al deze kinderen wat je in de tent van Nicolaas hebt gezegd, je weet wel, op de avond dat we besloten over de Brenner te gaan.' "Leonardo, repeat to all these children what you said in Nicholas's tent, you know, the night we decided to cross the Brenner." ‘Wat heb ik toen gezegd?' ‘Over de beren, je weet wel.' "About the bears, you know." ‘O dát.' Leonardo lachte. Hij streelde even over zijn formidabele knots, dempte zijn stem en fluisterde, lichtjes met de knots op de grond tikkend: ‘Met deze stevige vriend kan ik elke wilde beer de baas.' He stroked his formidable club for a moment, lowered his voice and, tapping the club lightly on the ground, whispered, "With this sturdy friend I can conquer any wild bear." Het maakte op de kinderen een geweldige indruk. Na dzieciach zrobiło to ogromne wrażenie. Ze keken naar de knots, toen naar Leonardo die in hun ogen groot, sterk en machtig was, ze zagen zijn kalme gezicht en rustige ogen - en slaakten een zucht van verlichting. They looked at the club, then at Leonardo, who in their eyes was big, strong and mighty, they saw his calm face and quiet eyes - and breathed a sigh of relief. Spojrzeli na klub, potem na Leonarda, który w ich oczach był duży, silny i potężny, zobaczyli jego spokojną twarz i spokojne oczy - i odetchnęli z ulgą.

‘... en als er toch een beer komt,' vervolgde Leonardo, zacht en dreigend, ‘dan geef ik hem met deze knuppel zo'n geweldige dreun op zijn kop dat hij meteen omvalt - boem! Morsdood is hij dan. En ik trek hem zijn mooie vacht uit, met kop en al, en maak er een mantel van. Die mantel krijg jij, Thiess, en je zult als een koning in een berenpels de Witte Stad binnentrekken.' Ten płaszcz jest twój, Thiess, i wejdziesz do Białego Miasta jak król w niedźwiedziej skórze. Kleine Thiess lachte door zijn tranen heen. Hij maakte met zijn korte armpjes maaiende bewegingen. He made flailing movements with his short arms. Wykonywał gwałtowne ruchy krótkimi rękami.

‘Hu, hu, hu, daar komt de beer. We slaan je dood, lelijke beer, we slaan je dood.' ‘Juist,' zei Leonardo, ‘dat doen we.' Thiess huppelde weg, nog altijd roepend: ‘Hu, hu, ik ben de beer, de grote bruine beer. Thiess skipped off, still shouting, “Hu, huh, I'm the bear, the big brown bear. Ik ga jullie opvreten.' In zijn kinderfantasie zag hij zich al, gehuld in berenhuid, de Saracenen uit Jeruzalem jagen.

Frank, met zijn honderden kleine leerlooiers, werkte zoals hij zelfs in de werkplaats van zijn vader nooit had gewerkt. Frank, with his hundreds of small tanners, worked as he had never worked even in his father's workshop. Dolfs roestvrij stalen broodmes bewees onschatbare diensten bij het snijden van het leer. Nóż do chleba ze stali nierdzewnej firmy Dolf okazał się nieoceniony podczas cięcia skóry. De vissers, die door hun veelvuldig verblijf in het water weke voeten hadden gekregen, kregen korte laarzen van hertenleer. Rybacy, których stopy zmoczyły się z powodu częstego przebywania w wodzie, dostali krótkie buty z jeleniej skóry. Een eer waarop zij trots waren, want aan zijn schoeisel kon je nu onmiddellijk een visser herkennen. An honor of which they were proud, because you could immediately recognize a fisherman by his footwear. Dolfs twintigste-eeuwse stappers met onverwoestbare plastic zolen begonnen het langzamerhand toch te begeven. Dolf's twentieth-century walkers with indestructible plastic soles gradually began to fail. Dwudziestowieczni piechurzy Dolfa z niezniszczalnymi plastikowymi podeszwami stopniowo zaczęli ustępować. Het zou niet lang duren of ook hij zou moeten wennen aan pantoffels van konijnenvel. It wouldn't be long before he, too, would have to get used to rabbit skin slippers. De wol van de schapen was verwerkt tot dertig warme wollen capes. Mariecke kreeg er ook een van. Mariecke got one too.

En toen, aan de vooravond van hun vertrek en de grote tocht over het gebergte, beging Dolf weer een fout waarmee hij zich de woede van Anselmus en Nicolaas op de hals haalde. And then, on the eve of their departure and the great journey across the mountains, Dolf made another mistake, drawing the wrath of Anselmus and Nicholas. A potem, w przeddzień ich wyjazdu i wielkiej podróży przez góry, Dolf popełnił kolejny błąd, który ściągnął na siebie gniew Anzelmusa i Mikołaja.

Hij stelde voor de beide ossen te slachten. He proposed to slaughter both oxen. Zasugerował, aby ubić dwa woły.

‘Het zijn prachtige dieren,' sprak hij tot Nicolaas, ‘maar de reis door de bergen kunnen ze niet maken. Hun vlees kan nog gerookt worden vannacht, we zullen het onderweg hard nodig hebben.' Their meat can still be smoked tonight, we will need it on the way.' Hij had de herdersjongen en de monnik midden in het kamp ontmoet en dit was hem plotseling ingevallen. He had met the shepherd boy and the monk in the middle of the camp and this had suddenly occurred to him. Spotkał pasterza i mnicha w środku obozu i nagle przyszło mu do głowy. Het speet hem dat hij er niet eerder aan had gedacht. He was sorry he hadn't thought of it sooner.

‘De ossen?' gilde Nicolaas schel. ‘Wou jij je vergrijpen aan mijn ossen?' "Do you want to violate my oxen?" Anselmus zei woedend: ‘Jij hebt niet het recht om over een geschenk van de aartsbisschop van Keulen te beslissen, Rudolf.' ‘Nee,' zei Dolf kalm. ‘Ik stel het ook alleen maar voor. 'I'm just suggesting it. Ik weet dat ze van Nicolaas zijn. Maar zelfs Nicolaas zal inzien dat ossen geen berggeiten zijn en ongetwijfeld meer last dan gemak zullen veroorzaken.' But even Nicholas will see that oxen are not mountain goats and will undoubtedly cause more trouble than comfort.' Vele kinderen merkten dat er weer onenigheid was ontstaan tussen de leiders en Rudolf van Amstelveen. Many children noticed that disagreements had arisen again between the leaders and Rudolf van Amstelveen. Ze lieten hun werk in de steek en kwamen er nieuwsgierig omheen staan. They abandoned their work and gathered around curiously.

Dolf wees naar de ingang van de kloof, een kilometer achter het kamp. Dolf pointed to the canyon entrance, a mile behind camp. En daarna op de bergketen, die hoog en dreigend de kinderen overschaduwde. And then on the mountain range, high and menacingly overshadowing the children.

‘Hoe wil je met die runderen daardoorheen trekken, Nicolaas?' 'How are you going to get those oxen through there, Nicholas?' vroeg hij.

Nicolaas verloor zijn geduld. Nicholas lost his temper. ‘Rudolf van Amstelveen, altijd val je me lastig, altijd daag je me uit. 'Rudolf van Amstelveen, you always bother me, you always challenge me. Waarom? Wie is hier de leider, jij of ik! Jij zegt dat je de kinderen wilt helpen zo snel mogelijk in Jeruzalem te komen. You say you want to help the children get to Jerusalem as soon as possible. Maar het enige dat je in werkelijkheid doet, is ons voortdurend oponthoud bezorgen. But all you're really doing is causing us constant delays. En wantrouwen zaaien.' And sow distrust.' ‘Juist,' viel Anselmus in. ‘Op een dag kom jij, een vreemdeling, zomaar uit de lucht vallen en je begint ons te commanderen. “One day you, a stranger, just fall out of the sky and you start bossing us around. Ga terug naar waar je vandaan komt; wij hebben je niet nodig.' Go back to where you came from; we don't need you.' Dolf keek om. Dolph looked around. Hij ontdekte dat er honderden kinderen om hen heen stonden. He found hundreds of children standing around them. Ze zeiden niets. Wat dachten ze van de woordenstrijd? What did they think of the war of words? Aan wiens kant stonden ze?

Hij richtte zich wat hoger op, wetend dat zijn lengte indruk maakte. He raised himself a little higher, knowing his height made an impression. Hij droeg die middag niets dan zijn gerafelde spijkerbroek. He wore nothing but his frayed jeans that afternoon. De zon had zijn lichaam gebruind, het zware werk had zijn spieren gestaald. The sun had tanned his body, the hard work had hardened his muscles. Zijn gladde jongensgezicht had verbeten trekken gekregen. His smooth boyish face had taken on grim features. Dolf wist niet van zichzelf hoe hij eruitzag (als een jonge atleet). Dolf himself did not know what he looked like (as a young athlete). Hij vreesde dat hij op een haveloze bedelaar leek en nadelig afstak tegen de mooie witte Nicolaas en de keurige habijt van Anselmus. He feared that he looked like a ragged beggar and would be a disadvantage against the fine white Nicholas and Anselm's neat habit. Obawiał się, że wygląda jak obdarty żebrak, i wyglądał niekorzystnie dla ładnego białego Mikołaja i schludnego habitu Anzelma.

‘Jullie hebben mij niet nodig - nee, dat heb ik gemerkt,' zei hij trots. ‘Wat hebben jullie gedaan om ervoor te zorgen dat de kinderen morgen veilig het gebergte kunnen binnentrekken? Hebben jullie gezorgd voor voedselvoorraden, voor kleding en schoeisel, voor wapens tegen de wilde dieren? Have you provided food supplies, clothing and footwear, weapons against the wild beasts? Hebben jullie de kinderen ooit aangespoord tot enige voorzorgsmaatregel? Have you ever urged the children to take any precautions? Niets van dit alles hebben jullie gedaan. You have done none of this. Bidden ja, dat deden jullie. Pray yes, you did. Maar één gedachte wijden aan wat er ging komen, één keer vooruit denken om tegen de moeilijkheden opgewassen te zijn, dat hebben jullie nooit gedaan. But to give one thought to what was to come, to think one step ahead to meet the difficulties, you never did. Dat heb ik gedaan.' I have done that.' Steeds meer kinderen omringden hen. More and more children surrounded them. Fluisterend werden de nieuw aangekomenen ingelicht over de ruzie. In a whisper, the new arrivals were informed of the quarrel. Enkelen liepen weer angstig weg, maar de meesten verdrongen zich om geen woord te hoeven missen. A few walked away in fear again, but most of them crowded so as not to miss a word. Kilku znów uciekło ze strachu, ale większość z nich ścisnęła się, by nie przegapić ani słowa. Het waren in hoofdzaak meisjes en kleintjes. They were mainly girls and little ones. De vissers waren aan het meer, de jagers waren op jacht, Frank was met zijn leerlooiers naar de beek getrokken om huiden te reinigen. The fishermen were at the lake, the hunters were hunting, Frank had gone to the stream with his tanners to clean hides. Ieder had zijn werk en deeddat met geestdrift. Each had his job and did it with enthusiasm. De knokploegen waren een halve kilometer verder aan het sprokkelen. The thugs were gathering half a kilometer away. Slechts de kookploegen waren thuis, samen met de hummels. Only the cooking crews were home, along with the hummels. En die kwamen nu aanlopen. And they were coming now.

‘De kinderen hebben jou nooit nodig gehad, Rudolf van Amstelveen,' zei Nicolaas fier. 'The children never needed you, Rudolf van Amstelveen,' Nicolaas said proudly. ‘God waakt over ons, Hij zal ons voeden en ons de kracht geven alle beproevingen te doorstaan.' "God watches over us, He will nourish us and give us strength to endure all trials." De kinderen rondom knikten vroom. The children around nodded piously. Dolf wierp het hoofd in de nek: ‘Daarbij verlangt God ook van ons enige inspanning - en veel overleg,' zei hij koel. Dolf threw back his head: 'God also requires some effort from us - and a lot of deliberation,' he said coolly. Dolf odrzucił głowę do tyłu: „Bóg też wymaga od nas pewnego wysiłku – i dużo namysłu” – powiedział chłodno. ‘Je spreekt als een ketter,' snauwde Anselmus. 'You speak like a heretic,' snapped Anselmus. — Mówisz jak heretyk — warknął Anselm. Eindelijk was het woord dat velen wekenlang op de lippen had gebrand, gevallen. Finally, the word that had been on the lips of many for weeks had fallen. Wreszcie padło słowo, które przez wiele tygodni płonęło na ustach. Dolf zei roekeloos: ‘Probeer mij maar geen angst aan te jagen, Dom Anselmus, want dat zal u niet lukken. Dolf said recklessly, 'Don't try to frighten me, Dom Anselmus, for you won't succeed. Ik heb maar één taak: de fouten die u maakt en die dodelijk zijn voor deze kinderen, weer recht te zetten. I have only one task: to right the mistakes you make that are fatal to these children. God weet dat ik het daar druk genoeg mee heb.' God knows I'm busy enough with that.' Nicolaas uitte een gesmoorde kreet van protest. Nicholas gave a muffled cry of protest. Mikołaj wydał zduszony okrzyk protestu. Hij vond Rudolfs optreden onverdraaglijk. He found Rudolf's behavior unbearable. Anselmus stak bezwerend de handen op. Anselm held up his hands imploringly. ‘Een afgezant uit de hel ben je, Rudolf van Amstelveen. 'You are an emissary from hell, Rudolf van Amstelveen. Jouw werk is kennelijk om ons op dwaalwegen te leiden en ons te verhinderen een heilige missie te volbrengen.' Your job is apparently to lead us astray and prevent us from fulfilling a sacred mission.' Twoim zadaniem jest najwyraźniej sprowadzić nas na manowce i uniemożliwić nam wykonanie świętej misji. Ontzet deinsden de kinderen terug. Dzieci cofnęły się ze zgrozy. In hun ogen las Dolf de angstige vraag: Rudolf een afgezant van de duivel?

Opeens drong het tot de jongen door dat hij in gevaar verkeerde. Suddenly it dawned on the boy that he was in danger. Nagle chłopcu przyszło do głowy, że jest w niebezpieczeństwie. Eén bevel van Anselmus of van Nicolaas, en honderden in paniek gebrachte kinderen zouden zich op hem storten, hem aan stukken scheuren, zo klein als ze waren! One command from Anselm or Nicholas, and hundreds of panicked children would pounce on him, tear him to pieces, small as they were! Waar was Leonardo nu met zijn knots? Where was Leonardo now with his club? Waar was Carolus? Where was Charles? Waar waren al zijn vrienden en trouwe medewerkers? Where were all his friends and loyal associates? Bijtijds herinnerde hij zich zijn talisman. In time he remembered his talisman. Z czasem przypomniał sobie swój talizman. Snel greep hij de hanger met de Heilige Maagd en kuste de primitieve voorstelling. Quickly he grabbed the pendant with the Blessed Virgin and kissed the primitive image.

De Heilige Moeder Maria beschermt mij, Dom Anselmus,' zei hij dreigend. Holy Mother Mary protects me, Dom Anselmus,' he said menacingly. ‘Ge kunt mij niet ongestraft beledigen.' "You cannot insult me with impunity." „Nie możesz mnie bezkarnie obrażać”. ‘Laster niet, Rudolf! 'Don't slander, Rudolf! - Nie oczerniaj, Rudolf! Heb jij niet in Rottweil met een oude jood gesjacherd en hem munten aangeboden, door de Duivel zelf geslagen?' Didn't you haggle with an old Jew in Rottweil and offer him coins minted by the Devil himself?' Czy nie targowałeś się ze starym Żydem w Rottweil i nie ofiarowałeś mu monet wybitych przez samego diabła? Verroest, hoe weet hij dat nou weer? Damn, how does he know that? Zardzewiały, skąd on to znowu wie? dacht Dolf verbijsterd. thought Dolf in bewilderment. Die Anselmus moet over een goede inlichtingendienst beschikken. That Anselmus must have a good intelligence service. Że Anzelmus musi mieć dobrą służbę wywiadowczą.

‘En heb jij niet, door middel van toverij, onze onmisbare huifkar in vlammen doen opgaan, midden in de nacht?' "And did you not, by sorcery, set our indispensable covered wagon on fire in the middle of the night?" - A czy nie za pomocą czarów nie podpaliłeś w środku nocy naszego niezastąpionego krytego wozu? vervolgde de monnik met harde stem. kontynuował mnich donośnym głosem. ‘En bezit je niet een mes dat gesmeed werd in de gloeiende diepten van de hel, zodat het niet kan roesten en nooit bot wordt?' "And don't you have a blade that was forged in the glowing depths of hell, so that it cannot rust and never become dull?" - A czy nie masz ostrza, które zostało wykute w świetlistych czeluściach piekła, aby nie rdzewieło i nigdy się nie tępiło? Welja, laten ze me een duivel noemen omdat ik toevallig een goed broodmes heb meegebracht, dacht Dolf. Well, let them call me a devil because I happened to bring a good bread knife, Dolf thought. Nog meer? Even more?

Schijnbaar onbewogen liet hij de beschuldigingen over zich heen komen. Seemingly impassive, he allowed the accusations to pour over him. Pozornie niewzruszony pozwolił, by oskarżenia go oblały. Zijn blik liet Dom Anselmus niet meer los. His gaze never left Dom Anselmus. Dom Anselmus nigdy nie puszczał wzroku. Maar diep in zijn hart groeide de angst. But deep in his heart the fear grew. Ale w głębi jego serca narastał strach.