A) Lies wil nieuwe schoenen kopen.
Ze gaat naar een schoenenwinkel.
Daar zijn veel mooie schoenen.
Lies past een paar blauwe schoenen.
De blauwe schoenen zijn te klein.
Ze past een paar zwarte schoenen.
Deze schoenen zijn heel comfortabel.
Lies vraagt hoeveel de zwarte schoenen kosten.
De zwarte schoenen kosten vierhonderdvijftig euro.
Met spijt zet Lies de schoenen neer en gaat weg.
B) Ik wil nieuwe schoenen kopen.
Ik ga naar een schoenenwinkel.
Daar zijn veel mooie schoenen.
Ik pas een paar blauwe schoenen.
De blauwe schoenen zijn te klein.
Ik pas een paar zwarte schoenen.
Deze schoenen zijn heel comfortabel.
Ik vraag hoeveel de zwarte schoenen kosten.
De zwarte schoenen kosten vierhonderdvijftig euro.
Met spijt zet ik de schoenen neer en ga weg.
Vragen:
Een : Lies wil nieuwe schoenen kopen.
Wil Lies nieuwe schoenen kopen?
Ja, Lies wil nieuwe schoenen kopen.
Twee : Er zijn veel mooie schoenen in de schoenenwinkel.
Zijn er veel schoenen in de schoenenwinkel?
Ja, er zijn veel mooie schoenen in de schoenenwinkel.
Drie : Lies past een paar blauwe en een paar zwarte schoenen.
Past Lies twee paar schoenen?
Ja, Lies past twee paar schoenen.
Ze past een paar blauwe en een paar zwarte.
Vier : Lies past eerst een paar blauwe schoenen.
Past Lies eerst een paar rode schoenen?
Nee, Lies past geen paar rode schoenen.
Ze past een paar blauwe schoenen.
Vijf : De blauwe schoenen zijn te klein.
Zijn de blauwe schoenen comfortabel?
Nee, de blauwe schoenen zijn niet comfortabel.
Ze zijn te klein.
Zes : De zwarte schoenen zijn zeer comfortabel.
Zijn de zwarte schoenen comfortabel?
Ja, de zwarte schoenen zijn zeer comfortabel.
Zeven : De zwarte schoenen kosten vierhonderdvijftig euro.
Zijn de zwarte schoenen duur?
Ja, de zwarte schoenen zijn duur.
Ze kosten vierhonderdvijftig euro.
Acht : Met spijt zet Lies de schoenen neer en verlaat de winkel.
Koopt Lies de schoenen?
Nee, Lies koopt de schoenen niet.
Ze zet ze neer en verlaat de winkel.