A) Lars gaat leren koken.
Hij gaat een nieuw recept leren via internet.
Hij gaat een pastagerecht proberen te maken.
Hij gaat veel groente kopen voor de pasta.
Hij gaat wat champignons, pepers en tomaten kopen.
Hij gaat straks ook veel pasta kopen.
Hij heeft straks een hele tas vol.
Dan gaat hij de pastasaus maken.
Maar Lars zal niet weten hoe hij de pastasaus moet maken.
Hij gaat nog een keer online naar het recept kijken.
B) Ik leerde koken.
Ik leerde een nieuw recept via internet.
Ik probeerde een pastagerecht te maken.
Ik kocht veel groente voor de pasta.
Ik kocht wat champignons, pepers en tomaten.
Ik kocht die ochtend ook veel pasta.
Ik had een hele tas vol.
Toen moest ik de pastasaus maken.
Maar ik was vergeten hoe ik de pastasaus moest maken.
Ik keek nog een keer online naar het recept.
Vragen:
Een : Lars gaat leren koken.
Wat gaat hij leren?
Lars gaat leren koken.
Twee : Lars gaat online een nieuw recept leren.
Waar gaat Lars een nieuw recept leren?
Lars gaat online een nieuw recept leren.
Drie : Hij gaat proberen om een pastagerecht te maken.
Wat gaat hij proberen te maken?
Hij gaat proberen om een pastagerecht te maken.
Vier : Lars gaat veel groente kopen.
Wat gaat Lars kopen?
Lars gaat veel groente kopen.
Vijf : Lars gaat champignons, pepers en tomaten kopen.
Welke groenten gaat Lars kopen?
Lars gaat champignons, pepers en tomaten kopen.
Zes : Hij heeft de pasta vanochtend gekocht.
Wanneer heeft hij de pasta gekocht?
Hij heeft de pasta vanochtend gekocht.
Zeven : Hij had veel pasta.
Hoeveel pasta had hij?
Hij had veel pasta.
Acht : Hij moest daarna de pastasaus maken.
Wat moest hij daarna doen?
Hij moest daarna de pastasaus maken.
Negen : Hij is vergeten hoe hij de pastasaus moet maken.
Weet hij nog hoe hij de pastasaus moet maken?
Nee, hij is het vergeten.
Tien : Hij heeft het recept online bekeken.
Waar heeft hij het recept bekeken?
Hij heeft het recept online bekeken.