×

우리는 LingQ를 개선하기 위해서 쿠키를 사용합니다. 사이트를 방문함으로써 당신은 동의합니다 쿠키 정책.

Jules Verne - De reis om de wereld in 80 dagen, De reis o... – Text to read

Jules Verne - De reis om de wereld in 80 dagen, De reis om de wereld in 80 dagen - deel 2 (hoofdstuk 4+5+6)

고급 1 네덜란드어의 lesson to practice reading

지금 본 레슨 학습 시작

De reis om de wereld in 80 dagen - deel 2 (hoofdstuk 4+5+6)

Vierde hoofdstuk. Waarin Phileas Fogg zijn knecht Passepartout in de hoogste mate verbaast.

Ten zeven uur vijf en twintig minuten nam Phileas Fogg, na twintig guineas met het whisten gewonnen te hebben, afscheid van zijn collega's en verliet de Reform-club. Tien minuten voor achten was hij in zijne woning terug. Passepartout, die zijne bezigheden zeer goed kende, stond verbaasd toen hij mijnheer Fogg zich schuldig zag maken aan onnauwkeurigheid, en op dit ongewone uur thuis zag komen. Volgens zijne gewoonte moest de bewoner van Savilla Row eerst ten twaalf uur te huis komen. Phileas Fogg was terstond naar zijn kamer gegaan en riep: Passepartout!

Passepartout gaf geen antwoord. Dat roepen kon hem niet gelden. Het was nog geen tijd. ‘Passepartout,' riep Fogg, nogmaals zonder eenige stemverheffing. Passepartout kwam boven. ‘Ik heb u tweemaal geroepen,' zeide Fogg. ‘Maar het is nog geen twaalf uur,' antwoordde Passepartout, met de lijst van werkzaamheden, die Fogg hem gegeven had, in de hand. ‘Ik weet het,' hernam Fogg, daarom maak ik er u geen verwijt van. Binnen tien minuten vertrekken wij naar Dover en Calais.' Een soort van grijns kwam er op het gezicht van den Franschman. Blijkbaar had hij niet goed gehoord. ‘Gaat mijnheer ergens anders wonen?' vroeg hij. ‘Ja,' zeide zijn meester, ‘wij gaan een reis om de wereld maken.' Passepartout, met de oogleden en wenkbrauwen opgetrokken, de armen slap langs het lijf en het lichaam in elkander gezonken, was het uitgedrukte beeld der stomme verbazing. ‘Een reis om de wereld,' mompelde hij. ‘In tachtig dagen,' antwoordde de heer Fogg. ‘Wij hebben dus geen oogenblik te verliezen.' ‘Maar de koffers?' - zeide Passepartout, zijn hoofd schuddende. ‘Geen koffers, slechts een reiszak. Doe daarin twee wollen hemden en drie paar kousen en hetzelfde voor u; onderweg koopen wij het overige. Gij haalt mijn overjas en mijn reis-plaid. Trek goede schoenen aan. Intusschen wij zullen bijna niet loopen. Ga nu.' Passepartout had willen antwoorden, maar hij kon niet. Hij verliet de kamer van Fogg, ging naar de zijne, viel op een stoel neder, en mompelde: Wel, wel, dat is me nu toch al te sterk. En nu dacht ik zoo rustig hier te zullen leven! Werktuiglijk maakte hij zijne toebereidselen voor de reis, de reis om de wereld in tachtig dagen! Had hij met een gek te doen? Neen.... het was geen scherts! Men ging naar Dover, goed. Naar Calais, best. Dat deed den goeden jongen, die sedert vijf jaar den vaderlandschen bodem niet had gedrukt, zelfs genoegen. Men zou misschien zelfs naar Parijs gaan; welnu, hij zou deze groote hoofdstad met genoegen terug zien. Zeker zou een gentleman, die zoo weinig van loopen hield, daar blijven. Ja, ongetwijfeld, maar het was minder zeker, dat die gentleman die tot nu toe altijd zoo huisvast was, op reis ging, dat hij zich ging verplaatsen. Om acht uur had Passepartout het eenvoudig valies gereed gemaakt, dat zijn goed en dat van zijn meester bevatte, en verliet, nog half in verwarring zijn kamer, waarvan hij de deur zorgvuldig sloot. Hij kwam nu weder bij Fogg. Fogg was ook klaar. Onder den arm droeg hij Bradshaw's continental railway-steam-transit and general guide, die alle mogelijke noodige inlichtingen voor de reis bevatte. Hij nam het valies uit de handen van Passepartout, opende het en deed er een lias banknoten in, die in alle landen ter wereld worden aangenomen. ‘Gij hebt dus niets vergeten?' vroeg hij. ‘Niets, mijnheer.' ‘Mijn jas en mijn plaid.' ‘Hier zijn zij.' ‘Goed zoo, neem nu het valies maar op.' Fogg gaf zijn valies aan Passepartout.

‘Draag er goed zorg voor, want er zit twintig duizend pond sterling in.' Het had weinig gescheeld of het valies was uit Passepartouts handen gevallen, alsof de twintig duizend pond sterling in goud waren en daarvan het gewicht hadden. Toen gingen Fogg en zijn bediende naar beneden en de huisdeur werd op het nachtslot gedaan. Rijtuigen stonden aan het einde van Savilla Row. Phileas Fogg en zijn bediende namen een cab en reden zoo snel mogelijk naar het station van Charing-Cross, waarop een van de takken van den Ooster-spoorweg uitloopt. Acht uur twintig minuten hield de cab op vóor het hek van het station. Passepartout sprong er uit. Zijn meester volgde hem en betaalde den koetsier. Op hetzelfde oogenblik naderde eene arme vrouw met een kind aan de hand. Zij liep barrevoets. Haar hoofddeksel was een verflenste hoed, waarvan een armzalige veer afhing; eene shawl in flarden bedekte hare gescheurde plunje. Zij wendde zich tot Phileas Fogg en vroeg een aalmoes. Fogg gaf haar de twintig guinea's, die hij aan de whisttafel gewonnen had. ‘Daar, goede vrouw,' zeide hij, ‘ik ben blij dat ik u ontmoet heb.' Daarop ging hij verder. Passepartout voelde zijne oogen vochtig worden. Zijn meester steeg hooger in zijne achting. Fogg en zijn bediende gingen terstond naar de wachtkamer. Hier liet Fogg Passepartout twee kaartjes eerste klasse voor Parijs nemen. Toen hij zich omkeerde, zag hij zijn vijf collega's van de Reform-club. ‘Mijne heeren,' zeide hij, ‘ik ga vertrekken, de verschillende visa's zullen u in staat stellen om bij mijne terugkomst mijne reis na te gaan.' ‘O, mijnheer Fogg,' zeide Ralph Gauthier beleefd, ‘dat is onnoodig. Wij vertrouwen op uw eer van gentleman!' ‘Maar zóo is het toch beter,' antwoordde Phileas Fogg. ‘Gij vergeet niet, wanneer ge terug moet zijn?....' merkte Andrew Stuart aan. ‘In tachtig dagen,' antwoordde Fogg: ‘zaterdag 21 December 1872, 's avonds kwart voor negen.' ‘Tot wederziens, mijne heeren!' Om kwart voor negenen namen Phileas Fogg en zijn bediende plaats in denzelfden waggon. Vijf minuten later hoorde men een schel fluitje en de trein zette zich in beweging. Het was een stikdonkere nacht. Er viel een fijne motregen en het regende gestadig door. Phileas Fogg zat in zijn hoek gedoken en sprak geen woord. Passepartout, nog altijd onthutst, drukte onwillekeurig het valies met banknooten stijf tegen zich aan. Maar de trein had Sydenham nog niet gepasseerd, of Passepartout uitte een kreet van wanhoop. ‘Wat is er?' vroeg Fogg. ‘Ik heb... in mijne gejaagdheid... in mijn haast... iets vergeten...' ‘Wat?' ‘De gaskraan in mijne kamer uit te draaien!' ‘Zoo vriend,' antwoordde Fogg koel, ‘dan brandt deze voor uwe rekening!' --- Vijfde hoofdstuk. Waarin een nieuw effect aan de Londensche Beurs komt.

Toen Phileas Fogg Londen verliet, dacht hij zeker niet dat zijn vertrek zulk een opzien zou baren. Eerst bracht het verhaal der weddenschap eene ware gisting te weeg onder de leden der Reform-club; vervolgens plantte zich die beweging voort door de dagbladen en correspondentiën tot het Londensche publiek en al de inwoners van het gansche Vereenigde Koninkrijk. De reis om de wereld werd besproken, betwist, ontleed, met zooveel hartstocht en ijver, alsof er sprake was van eene nieuwe Alabama-quaestie. De een was de partij van Phileas Fogg toegedaan, de ander - en deze had weldra verreweg de meerderheid - was tegen hem Een reis om de wereld in tachtig dagen was goed in theorie en op papier; in dat minimum van tijd, met de middelen van aansluiting, die tegenwoordig in gebruik waren, was zij niet alleen onmogelijk, maar onzinnig. De Times, de Standard, de Eveningstar, de Morning Chronicle en twintig andere bladen, die veel gelezen werden, verklaarden zich tegen den heer Fogg. Alleen de Daily Telegraph was tot op zekere hoogte van zijne meening. Phileas Fogg werd voor dwaas, buitensporig, ja gek verklaard, en in zijn medeleden van de Reform-club werd het zeer afgekeurd, dat zij zulk eene weddenschap hadden aangenomen, die duidelijk een verzwakking van Fogg's geestvermogens verried. Zeer heftige, maar logische artikels verschenen over deze quaestie. Men weet dat Engeland in alles, wat met aardrijkskunde in verband staat, steeds veel belang stelt. Daar was dan ook geen lezer, tot welken stand hij behoorde, die niet de kolommen, welke over de zaak van Phileas Fogg handelden, verslond. In de eerste dagen waren eenige vermetelen, hoofdzakelijk vrouwen, op zijne hand, vooral toen de Illustrated Londen News zijn portret uitgaf naar de photografie die in de archieven van de Reform-club bewaard werd. Eenige heeren durfden zeggen: Wel zeker, waarom niet? Men heeft toch nog wel buitengewoner dingen gezien! Dit waren vooral de lezers van de Daily Telegraph. Maar men zag al spoedig dat dit blad zelf begon te wankelen. En waarlijk, den 7den October verscheen er in het maandschrift van het Koninklijk Aardrijkskundig genootschap een artikel, dat de quaestie uit verschillende oogpunten behandelde en zonneklaar bewees dat deze onderneming dwaasheid was. Volgens dit artikel was alles in het nadeel van den reiziger, zoowel de hinderpalen, die de menschen, als die, welke de natuur tegen de verwezenlijking van zijn plan zouden opwerpen. Om in dit voornemen te slagen, moest men een wonderdadigen samenloop aannemen van de uren van vertrek en aankomst, een samenloop die niet bestond en die niet bestaan kon. Waar alles zeer nauwkeurig is ingericht als in Europa, dat men in betrekkelijk korten tijd doorreist, daar kan men rekenen op de stipte aankomst der treinen; maar wanneer men slechts drie dagen heeft, om van het eene eind van Indië naar het andere te komen en acht dagen voor de Vereenigde Staten, kon men dan staat maken op de elementen van zulk een vraagstuk? En dan nog de ongelukken, die aan de machines konden overkomen, het derailleeren, de botsingen, het slechte weder, de ophooping van sneeuw, was dat alles niet tegen den heer Fogg? Zou hij niet gedurende den winter op de mailbooten blootgesteld zijn aan stormen en zware mist? Is het dan zoo zeldzaam dat de beste Transatlantische booten dikwijls een oponthoud hebben van twee of drie dagen? Er was maar éene vertraging noodig, en de geheele keten van aansluiting was onherstelbaar verbroken. Zoo Phileas Fogg slechts eenige uren te laat kwam voor één mailboot, zou hij immers moeten wachten tot de volgende vertrok, en zelfs door dit kleine oponthoud zou zijne reis onherroepelijk mislukt zijn. Dit artikel maakte veel opgang. Bijna alle bladen namen het over, en de acties ‘Phileas Fogg' daalden geducht. Gedurende de eerste dagen na het vertrek van den gentleman, waren er groote zaken gedaan tusschen hen, die aan het welslagen van zijne onderneming geloofden of twijfelden. Men kent de buitensporigheid der Engelschen in het wedden. Op dat gebied zijn zij nog veel hartstochtelijker en standvastiger dan de spelers op het hunne. Wedden is een eigenschap van het Engelsche karakter. Niet alleen gingen dan ook verschillende leden der Reform-club aanzienlijke weddenschappen aan, maar het groote publiek deed hetzelfde. Phileas Fogg werd als een wedrenpaard ingeschreven in een soort van stud-book . Men maakte van hem een beurs-effect, dat terstond getaxeerd werd. Men vroeg en bood ‘Phileas Fogg's' aan en deed er ontzaglijke zaken in. Maar vijf dagen na zijn vertrek en na het artikel van het maandschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, begonnen de aanbiedingen de overhand te nemen. De ‘Phileas Fogg's' daalden. Men bood ze met stapels aan. Eerst werden zij genomen vijf voor een, toen tien, en nu nam men ze niet dan twintig, vijftig, en eindelijk honderd voor een. Slechts één aanhanger bleef hem getrouw: het was de lámme lord Albemarle. Deze achtenswaardige gentlemán, vastgenageld aan zijn stoel, had wel zijn geheele fortuin willen geven om een reis om de wereld te doen, al was het ook in tien jaar, en wedde vijf duizend pond sterling voor Phileas Fogg. Wanneer men hem de dwaasheid en het nuttelooze tevens van het plan onder de oogen bracht, antwoordde hij eenvoudig: Zoo de zaak uitvoerbaar is, dan is het goed dat een Engelschman haar het eerst volbrengt. De voorstanders van Phileas Fogg verminderden hoe langer hoe meer, iedereen, en niet zonder reden, was tegen hem; men nam hem niet dan tegen honderdvijftig, à tweehonderd voor één, totdat zeven dagen na zijn vertrek er iets geheel onverwachts gebeurde, hetwelk oorzaak was, dat men hem in het geheel niet meer nam. In den loop van dien dag ten negen ure des avonds, ontving de directeur van politie in de hoofdstad een telegram van den volgende inhoud:

‘Van SUEZ naar LONDEN. Rowan, directeur van politie, hoofddirectie Scotlandplace. Ik volg dief Bank, Phileas Fogg Zend onmiddellijk bevel tot inhechteinsneming naar Bombay (Engelsch Indië). Fix, detective.'

De uitwerking van dit telegram liet zich terstond gevoelen. De algemeen geachte gentleman verdween eensklaps om plaats te maken voor den dief der banknoten. Zijn photographisch portret, dat met die van al zijne medeleden, in het archief berustte, werd vergeleken. Trek voor trek gaf het den man weer, wiens signalement bij het ingestelde onderzoek was opgemaakt. Men herinnerde zich al het geheimzinnige van Phileas Fogg's leven, zijne afzondering, zijn plotseling vertrek, en het was boven allen twijfel verheven dat deze persoon, onder voorwendsel dat hij eene reis om de wereld ging maken, die op eene onzinnige weddenschap berustte, geen ander doel had gehad dan de Engelsche politie-agenten van het spoor teleiden. --- Zesde hoofdstuk. Waarin de agent Fix een rechtmatig ongeduld aan den dag legt.

Het telegram omtrent Phileas Fogg kwam onder de volgende omstandigheden in de wereld. Woensdag den 9en October wachtte men te Suez ten elf uren de mailboot Mongolia van de P. & O. Company, eene schroefboot metende twee duizend achthonderd ton, en van vijfhonderd paardekrachten nominaal. De Mongolia deed de reis geregeld van Brindisi naar Bombay door het kanaal van Suez. Het was een der snelste schepen van de Compagnie, en de reglementaire snelheid, namelijk 10 mijlen in het uur van Brindisi naar Suez, en 9⅞ mijlen van Suez naar Bombay had het nooit noodig gehad. Twee heeren wachtten op de aankomst der Mongolia, te midden van de inboorlingen en vreemdelingen, die in groote menigte deze stad bezoeken, nog niet lang geleden slechts een dorpje, waaraan thans het reuzenwerk van de Lesseps eene schoone toekomst voorspelt. Een van deze twee heeren was de consulaire agent van het Vereenigde Koningrijk, te Suez gevestigd, en die - ten spijt van alle ongunstige voorstellingen van het Britsche Gouvernement en van de sombere beschouwingen van den ingenieur Stephenson - iederen dag toch de schepen zag voorbijvaren, die op deze wijze den ouden weg van Engeland naar Indië om de Kaap de Goede Hoop tot de helft verkortten. De ander was een klein mager man, met een slim, eenigszins zenuwachtig gelaat, die onophoudelijk zijne wenkbrauwen fronsde. Onder zijne lange wimpers zag men zijne levendige oogen schitteren, maar hij bezat de kracht die te temperen. Op dit oogenblik legde hij duidelijke blijken van ongeduld aan den dag; hij liep heen en weder en kon geen minuut op dezelfde plaats blijven staan. Die man heette Fix. Hij was een van die d e t e c t i v e s of Engelsche politie-agenten, welke naar de verschillende havens waren gezonden nadat de diefstal aan de Engelsche bank was gepleegd. Aan hem was het opgedragen nauwkeurig toe te zien op al de reizigers, die den weg over Suez namen en te onderzoeken of een van hen ook verdacht mocht zijn. In dat geval moest hij diens spoor volgen, totdat hij in het bezit zou wezen van eene volmacht om hem te arresteeren. Juist twee dagen geleden had Fix van den directeur der Londensche politie het signalement ontvangen van den vermoedelijken dief. Het was dat van den heer, dien men in het betaalkantoor van de Engelsche bank had gezien. De detective, die blijkbaar zeer belust was op de aanzienlijke premie, welke hem was toegezegd ingeval hij mocht slagen, wachtte dus met een licht te verklaren ongeduld de aankomst der Mongolia. ‘En gij zegt, mijnheer de consul,' vroeg hij wel voor de tiende maal, ‘dat de boot niet lang meer weg kan blijven?' ‘Neen, mijnheer Fix.' antwoordde de consul. ‘Zij was gisteren al lang in het gezicht bij de haven van Port-Saïd en wat zijn honderd zestig kilometers voor zulk een snelloopende boot? Ik verzeker u, dat de Mongolia altijd den prijs van vijf en twintig pond verdiend heeft, dien het Gouvernement heeft gesteld voor elke vier en twintig uren, die zij binnen den bepaalden tijd aankomt.' ‘Komt deze mailboot rechtstreeks van Brindisi?' vroeg Fix. ‘Ja, van Brindisi, waar zij de post naar Indië heeft opgenomen, en dat zij zaterdag ten tien ure verlaten heeft. Heb dus geduld, zij zal zoo dadelijk komen; maar ik begrijp waarlijk niet hoe gij met het signalement, dat ge nu hebt, uw man kunt herkennen, zoo hij al aan boord van de Mongolia is.' ‘Mijnheer de consul,' antwoordde Fix, ‘die menschen ruikt men meer dan dat men ze wel herkent. Men moet ze ruiken, en de reuk is een bijzonder zintuig, dat het gehoor en het gezicht steunt. Ik heb in mijn leven verscheidene van die heeren ontmoet, en zoo de dief zich aan boord bevindt, maak er dan gerust staat op, dat hij mij ook niet ontglippen zal.' ‘Ik help het u wenschen, mijnheer Fix, want het is een belangrijke diefstal.' ‘Een prachtige diefstal,' antwoordde de agent opgetogen. ‘Vijf en vijftig duizend pond! Zulke buitenkansjes hebben wij niet dikwijls! De dieven beteekenen tegenwoordig niet veel! Het ras der Sheppards sterft uit! Men laat zich nu voor eenige shillings oppakken!' ‘Mijnheer Fix,' antwoordde de consul, ‘gij praat er zoo zeker over, dat ik van harte wensch dat gij slagen zult; maar ik geloof, dat in de omstandigheden waarin gij verkeert, dit moeielijk gaan zal. Weet ge wel, dat volgens het signalement, hetwelk ge gekregen hebt, deze dief zeer veel op een eerlijk man gelijkt?' ‘Mijnheer de consul,' antwoordde de inspecteur van politie op beslissenden toon, ‘de groote dieven gelijken altijd op eerlijke luî. Gij begrijpt toch wel dat voor hen, die een schurkengezicht hebben, slechts één weg open staat, namelijk om eerlijk te blijven, anders zouden zij ingerekend worden. De eerlijke gezichten zijn het, waarop men vooral moet passen. Een moeielijk werk, ik beken het, en dat geen handwerk is, maar eene kunst.' Men ziet, dat Fix niet zonder een weinig eigenwaan was. Ondertusschen kwamen er hoe langer hoe meer wandelaars op de kade. Het wemelde er van zeelieden van verschillenden landaard, kooplieden, makelaars, kruiers en fellahs. De mailboot kon blijkbaar ieder oogenblik aankomen. Het weer was dien dag vrij mooi, doch nog al koud door den oostenwind. Eenige minaretten staken boven de stad uit en werden verlicht door de bleeke zonnestralen. Een havenhoofd van twee mijlen strekte zich ten zuiden als een arm van de reede van Suez uit. Vele visschersbooten en kustvaarders zwierven op de golven der Roode zee rond; in eenige van hen herkende men door hun sierlijken bouw nog het model der oude galei. Onder deze menigte rondwandelende, nam Fix, krachtens de gewoonte aan zijne betrekking eigen, iedereen in het voorbijgaan op. Het was juist half elf. ‘Maar zij komt niet!' riep hij wanhopend uit, toen hij de klok hoorde slaan. ‘Zij kan niet ver meer af zijn,' antwoordde de consul. ‘Hoe lang zou zij te Suez toeven?' vroeg Fix. ‘Vier uren. Juist den tijd om kolen in te nemen. Van Suez naar Aden, aan het uiteinde van de Roode Zee, is de afstand dertien honderd en tien mijlen en moet men een voorraad van brandstoffen innemen.' ‘En van Suez gaat deze boot rechtstreeks naar Bombay?' ‘Rechtstreeks zonder ergens aan te leggen.' ‘Welnu,' zeide Fix, ‘zoo de dief dezen weg en die boot heeft gekozen, dan moet het zijn plan zijn om te Suez aan wal te gaan, ten einde langs een anderen weg in een der Hollandsche of Fransche bezittingen in Azië te komen. Hij zou in Indië niet veilig zijn, want dat is Engelsch grondgebied.' ‘Als het ten minste geen schrander man is,' antwoordde de consul. ‘Een Engelsch misdadiger is altijd beter te Londen verborgen dan in den vreemde.' Na dit gezegde, dat stof tot veel nadenken gaf aan den inspecteur, ging de consul naar zijn bureau niet ver van daar. Fix bleef alleen achter, in een zeer zenuwachtigen toestand, en met het bepaald voorgevoel, dat de dief zich aan boord der Mongolia moest bevinden. En waarlijk, zoo deze schurk Engeland verlaten had met het plan om naar de Nieuwe Wereld te gaan, moest de weg over Indië wel de voorkeur hebben boven den Atlantische Oceaan, daar deze minder bewaakt werd of moeielijker te bewaken was dan laatstgenoemde. Fix bleef niet lang aan zijne overpeinzingen overgelaten. Een schel gefluit kondigde de nadering der mailboot aan Alle kruiers en fellahs haastten zich naar de aanlegplaats, en er ontstond een gedrang, dat de ledematen en kleederen der reizigers niet weinig in gevaar bracht. Een tiental bootjes verlieten den oever om naar boord van het stoomschip te roeien. Weldra zag men de reusachtige Mongolia tusschen de oevers van het kanaal doorstoomen, en toen het elf uur sloeg, liet de stoomboot het anker vallen, terwijl haar stoom met een groot gedruisch uit de pijpen omhoog steeg. Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten zich met de bootjes naar wal roeien. Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade. Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den Engelschen consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa zou stellen. Fix nam werktuiglijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur van politie uit de hoofdstad ontvangen had. ‘Dit paspoort is niet van u?' zeide hij tot den reiziger. ‘Neen,' antwoordde deze, ‘het is dat van mijn meester.' ‘En uw meester?' ‘Hij is aan boord gebleven.' ‘Maar,' hernam de agent, ‘men moet zich altijd in persoon bij den agent aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen.' ‘Hoe zoo? is dat noodig?' ‘Dat is noodzakelijk.' ‘Waar is het bureau? ' ‘Daar op den hoek van het plein,' antwoordde de inspecteur, naar een huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem verwijderd was. ‘Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden.' Toen groette de reiziger Fix en keerde weer naar de stoomboot terug.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE