×

우리는 LingQ를 개선하기 위해서 쿠키를 사용합니다. 사이트를 방문함으로써 당신은 동의합니다 쿠키 정책.

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 8-3 Beschuldi... – Text to read

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 8-3 Beschuldigd van ketterij

중급 1 네덜란드어의 lesson to practice reading

지금 본 레슨 학습 시작

8-3 Beschuldigd van ketterij

Beschuldigd van ketterij deel 3

‘Een ketter ben je, een duivelse ketter. En zolang jij in ons midden vertoeft, zullen de rampen op ons blijven neerdalen,' besloot Anselmus de aanklacht. De kinderen gromden.

Nicolaas stond er zwijgend en bleek bij. Maar zijn ogen schitterden. Eindelijk werd de vreemdeling uit het Noorden, die zoveel van Nicolaas' prestige had gestolen, ontmaskerd. Ook Dolf zweeg. Nog wel. Ten eerste besefte hij dat hij het in een godsdienstig debat van de priester moest verliezen, want hij zon nauwelijks begrijpen waar de man het over had. Ten tweede wist hij nog iets: zolang hij zijn mond hield zou de monnik blijven praten - en hopelijk iets zeggen waarop Dolf hem kon aanvallen.

Opeens stegen uit de schare kinderen aarzelende stemmen op: ‘Rudolf van Amstelveen is geen ketter.' ‘Rudolf heeft mijn broertje gered.' ‘Rudolf draagt de Heilige Maagd op zijn borst en ik heb hem zien bidden.' Voorzichtige, verdedigende stemmen waren het, die algauw verloren gingen in het gemor en gefluister van de anderen. Maar Dolf had er iets van opgevangen en dat gaf hem moed. Niet alle kinderen vielen hem af - nog niet.

Anselmus had het ook gehoord en lachte schamper. Hij besloot de beschuldiging te verzwaren.

‘Je draagt kleren die niemand van ons ooit heeft zien dragen. Toen je bij ons kwam, Rudolf, sprak je een taal die niemand op aarde spreekt. Als iedereen ziek wordt, blijf jij gezond. Als iedereen moe is, heb jij nog kracht. Als iedereen slaapt, sluip jij het kamp uit en je begeeft je naar een afgelegen plaats, waar je demonen en duivels ontmoet, waar je offers brengt aan je meester: de Satan! Ik ben je gevolgd, Rudolf van Amstelveen, ik heb je bespied en ontzettende dingen gezien. Te afschuwelijk om hier te uiten voor de onschuldige oren van deze kinderen.' Dolf snoof. Nu begon de tegenstander met leugens en dat was een uiting van zwakte. Welnu, hij zou meneer even van antwoord dienen. ‘Dom Anselmus, ik herinner mij dat de machtige domheer van Rottweil u een bedrieger en valse priester noemde. Daarop had ge toen niets te zeggen. Waarom niet?' ‘Moet ik antwoorden op lasterlijke beschuldigingen?' snauwde Anselmus, toch zichtbaar geschrokken.

‘Nee, maar moet ik dat wel doen? Ik draag geen habijt en geen witte kleren. Ik heb ook geen tijd om voor elk wissewasje op de knieën te zinken, maar daarom ben ik nog geen ketter. En nog minder een Duivelsdienaar. Durft gij te ontkennen dat ik het was die de kinderen brood bracht toen de gierige Rottweilers hen lieten hongeren? Durft gij te ontkennen dat ik het was die hun stukgelopen voeten liet bekleden met zacht leer van konijnenhuid? Durft ge beweren dat van al deze kinderen, die door uw woorden zo diep geschokt zijn, er ook maar één is die mij van hardheid, wreedheid, zelfzucht kan beschuldigen? Kinderen, heb ik ooit een van jullie geslagen, geschopt, gevloekt?' ‘Dat is waar,' riepen enkele kinderen. ‘Rudolf van Amstelveen heeft als een goede heer voor ons gezorgd.' Een kleine jongen maakte zich uit de kring los, ging naast Dolf staan en greep zijn hand.

‘Rudolf is een held,' zei hij helder. Het was Thiess. Thiess, die zo bang was voor de beren van de Karwendel, maar het tegen een priester en een heilige herdersjongen durfde op te nemen.

De stemming sloeg meteen weer om ten gunste van Dolf. Maar Anselmus had, heel sluw, nog een argument achter de hand gehouden.

‘Ja, je hebt hun brood gebracht, Rudolf van Amstelveen. En verklaar mij eens: hoe kon jij in één nacht achthonderd broden bakken zonder de hulp van je meester: de Satan? Dat kan geen mens...' ‘Vijf mensen. Dom Anselmus, kunnen dat. Bakker Gardulf, zijn twee knechten, Frank en ik zijn de hele nacht in touw geweest. De Satan hadden we daarvoor niet nodig, we hadden zelf kracht genoeg.' ‘Bakker Gardulf! Heel Rottweil weet dat Gardulf zelf een heiden is, zijn naam zegt het al. En juist uit zijn bakkerij kwamen de broden. Dat geef je toe, Rudolf van Amstelveen.' Verrek, wat een taaie is die vent, dacht Dolf.

‘Dat zijn beschuldigingen die nergens op slaan, Dom Anselmus. De Rottweilers zouden Gardulf allang uit hun stad gejaagd hebben als hij werkelijk een heiden was. De Rottweilers zijn niet gek!' De kinderen vonden dat logisch klinken. Ze knikten en drongen weer op. Het woordgevecht begon op een toernooi te lijken en ze kregen er plezier in. Vol spanning wachtten ze op de volgende aanval van Anselmus, maar die kwam niet. In zijn plaats zei Nicolaas schel: ‘Nooit zullen wij de zee bereiken, zolang Rudolf van Amstelveen in ons midden is.' Dat ging er bedenkelijk uitzien, want uit de kinderschare steeg een woest gegrom op.

‘God zal ons verlaten wanneer wij dulden dat dit duivelskind met ons meetrekt,' vervolgde Nicolaas met grote nadruk. ‘God heeft ons al een waarschuwing gezonden. Hij zond de Scharlaken Dood. Hij zond ons slecht weer en honderden moeilijkheden. En de rampen zullen over ons blijven neerdalen, zolang hij, Rudolf Wega van Amstelveen, bij ons is en ons ervan tracht te weerhouden dat we het Heilige Land bereiken.' Dreigend stuwden de kinderen om Dolf heen. Kleine Thiess riep angstig: ‘Niet doen!' Ik moet tijd winnen, dacht Dolf wanhopig. Als het zo doorgaat, zal Nicolaas die kinderen tot een lynchpartij verleiden...

‘Halt!' Gebiedend hief hij de armen boven het hoofd. Streng en bevelend richtte hij zijn ogen op de woedende kinderen. ‘Halt! Ik bevind mij in staat van beschuldiging. Ik ontken niet het recht van Nicolaas of van Dom Anselmus om mij te beschuldigen van ketterij en duivelspraktijken - maar ik ontken hun recht om mij zonder vorm van proces te veroordelen. Een beschuldiging uitspreken is niet voldoende. Er moeten ook bewijzen zijn. Daarom eis ik een eerlijk proces, waaraan het hele kinderleger moet deelnemen. Ik beloof dat ik mij aan het eindoordeel zal onderwerpen, hoe dat ook zal luiden. Ik zal ook geen poging doen om te vluchten. Maar ik eis dat ik deze avond volgens de regels berecht zal worden. Bang ben ik daar niet voor, want een onschuldige heeft niets te vrezen, een onschuldige kan op God vertrouwen - en ik ben onschuldig. Dat is alles wat ik te zeggen heb.' Na die woorden draaide hij Nicolaas de rug toe en stapte recht op de kinderen af, die onmiddellijk opzij gingen en hem doorlieten. Zonder op of om te kijken begaf Dolf zich naar zijn eigen hoekje, ging bij de as van het vuur zitten.

‘Bewaak hem,' hoorde hij Nicolaas' schelle stem roepen. ‘Hij zal zijn proces krijgen vanavond.' Mooi, dacht Dolf opgelucht. Dan heb ik uren de tijd om me erop voor te bereiden.

De kinderen verspreidden zich. Een twintigtal, met knuppels gewapend, trok een kordon om Dolf en zijn vuurtje. Hij deed of hij hen niet opmerkte.

Hij liet ook niets blijken van zijn groeiende angst voor de avond. Hoe zwaar telde hier een beschuldiging van ketterij? In hoeverre kon hij rekenen op zijn vrienden, op de dankbaarheid van de kinderen? De kans dat ze hem zouden afvallen, voor hem zouden terugdeinzen en hem zonder meer tot de brandstapel zouden laten veroordelen, leek hem niet gering!

Arme Dolf. Als hij meer had kunnen begrijpen van de middeleeuwse mentaliteit, zou hij geweten hebben waarop hij wél kon rekenen. Op de onverbrekelijke trouw van zijn vrienden, een trouw die niet zou wijken voor doodsgevaar, voor bijgeloof of bangmakerij. Want Dolf kwam uit de twintigste eeuw, uit de hoogtijdagen van het opportunisme en het verraad, uit de eeuw waarin een gegeven woord niets betekende, waarin plechtig gezworen eden met het grootste gemak werden gebroken, waarin vriendschap en solidariteit nog slechts bij weinigen te vinden waren.

Achter hem verhieven, donker en dreigend, de Alpen hun onbeklimbare muren en ruige toppen. Daar waren de nauwe doorgangen, donderde een waterval naar beneden. Morgenochtend zou het kinderleger dat gebergte binnentrekken - maar nog deze avond zou worden beslist of dat zou gebeuren onder leiding van Rudolf van Amstelveen - of niet. Dolf zat doodstil, het hoofd gebogen, en in zijn binnenste ontstond iets dat hij geen naam durfde te geven, maar dat onhoudbaar de woorden naar zijn lippen drong: ‘Help mij... Beschermer van armen en verdrukten, help mij...' Dom Thaddeus stond bij het meertje naar de vissende kinderen te kijken. Dat deed hij graag. Hij vond het fijn om te zien met hoeveel geestdrift en jeugdige kracht ze de netten door het water trokken. Hij luisterde glimlachend naar hun gejuich als de netten loodzwaar omhoogkwamen. Hij lachte zelfs om hun teleurgestelde gejammer wanneer een net scheurde en de zilveren vangst ontsnapte. Met welgevallen keek hij naar hun natte, bruingebrande lichamen, naar de glinsteringen van het opspattende water, de witgekuifde bergen op de achtergrond, het glooiende groene land rondom, de julizon boven hun hoofden - al die schoonheid ondervond Dom Thaddeus als een bewijs van Gods goedheid en oneindige liefde.

Hij hield van kinderen. Daarom trok hij met hen mee, vastbesloten hen te helpen waar hij maar kon. Nauwelijks had hij zich in het Zwarte Woud bij de kleine pelgrims aangesloten, of hij had een grote jongen opgemerkt, wiens lange gestalte en bevelende stem een kind van edel bloed verrieden. Een geboren leider. Eerst dacht Thaddeus dat dit niemand anders kon zijn dan Nicolaas, de uitverkoren herdersknaap. En hij voelde hoe heel zijn hart naar die jongen uitging. Pas uren later ontdekte hij zijn vergissing. Nicolaas was een ander. Weliswaar ook een flink uit de kluiten geschoten knaap, maar toch iemand wiens overwicht op de kinderen niet uit een geboren leiderschap voortkwam. Nicolaas was van verre te herkennen aan zijn sneeuwwitte overkleed, aan zijn dwepende oogopslag, aan een zekere waardigheid die aangemeten was - en niet helemaal bij hem paste. Groot was de teleurstelling van Thaddeus. Wie was die vreemde, grote jongen dán? In de drie dagen die daarna waren verstreken voordat zij de stad Rottweil bereikten, had de monnik vele tegenstrijdigheden opgemerkt. De jonge Rudolf, die toch niet anders kon zijn dan de zoon van een groot heer, sliep niet in de tent bij de andere adellijke kinderen. Zelden sprak hij met Nicolaas of de twee priesters, en áls hij met hen sprak hadden ze een verschil van mening. Thaddeus vernam dat de merkwaardige jongen uit het Noorden kwam, zich onderweg bij het kinderkruisleger had aangesloten - en zich toen onmiddellijk had laten gelden.

Hij sprak heel weinig Latijn, scheen toch een soort geleerde te zijn, een wonderdokter, bereisd en moedig, maar hij nam nooit deel aan de gevaarlijke jachtpartijen of visvangsten. Hij bakte geen koeken, looide geen leer, vlocht geen dekens, en was toch altijd in de weer. Overal waar de kinderen raad en beslissingen nodig hadden, kon je hem vinden; hij regelde en organiseerde, en de kinderen gehoorzaamden hem zonder dwang. Zoiets had Dom Thaddeus nooit eerder bij een kind gezien. Was Rudolf wel een kind? Hij had het gezicht van een jongen, de lengte van een volwassene, de wijsheid van een oude kluizenaar...

Dat Rudolf toch een kind was, bleek toen Thaddeus hem bij Rottweil huilend voor de huifkar aantrof. Huilde de jongen om zichzelf? Nee, hij huilde omdat de Scharlaken Dood het kinderleger bedreigde en om het vele leed dat hij voorzag. Toen kon Thaddeus niet anders doen dan uit de anonimiteit treden, hem toespreken en zijn hulp aanbieden. Rudolfs verbeten gevecht tegen de Scharlaken Dood had de monnik verbijsterd. Toen de jongen de strijd tegen de duivelse horden van vieze beestjes had gewonnen en hen had weten terug te drijven tot hun laatste bolwerk, de ossenwagen, terwijl de beide andere monniken in hun onverstand hadden geweigerd de huifkar te laten vernietigen, had Dom Thaddeus maar één ding kunnen doen: ervoor zorgen dat de wagen in vlammen opging. Gezond en vrolijk vervolgden de kinderen toen hun weg. Maar hoe kwam Rudolf van Amstelveen aan zijn medische kennis? Hoe kon de jongen weten wat niemand wist: wie de veroorzakers waren van de Scharlaken Dood?

Diep in gedachten staarde Dom Thaddeus naar de vissende kinderen. Hoe lief had hij hen! En al die andere kinderen met hun onschuldige gezichtjes, lichte stemmen, rappe voetjes - hoeveel hield hij van hen! Maar dat alles was niets vergeleken bij de overheersende genegenheid die hij koesterde voor dat ene, vreemde kind: Rudolf van Amstelveen. Dat verontrustte de priester. Hij vreesde dat zijn stille verrukking een grote zonde was. Zijn plicht was om deze kinderen allen lief te hebben en niet de één meer dan de ander. Thaddeus, een intelligent maar nederig mens, vroeg God om vergeving voor die grote voorliefde.

En er klopte iets niet met Rudolf. In geloofszaken was de jongen ongelofelijk onnozel. Met een onschuldig gezicht kon hij dingen zeggen die Thaddeus koude rillingen over de rug deden lopen. Was de jongen een ketter?

Diep in zijn hart had Dom Thaddeus weinig respect voor Nicolaas en voor de twee monniken die met het kinderleger uit Keulen waren vertrokken. Maar hij waagde het niet te twijfelen aan hun heilige opdracht. Rudolf deed dat wel, openlijk zelfs. Thaddeus besefte dat hij zowel Anselmus als Johannis zou moeten liefhebben als broeders. Dat hij dit niet kón, was de schuld van Rudolf en diens verdachtmakingen. Allemaal heel griezelig... Bovendien begreep Dom Thaddeus dat het conflict tussen Rudolf en Anselmus op een dag een hoogtepunt zou naderen, en hij wist niet aan wiens kant hij dan zou moeten staan. Zijn plicht gebood hem om de zijde van de Kerk, dus van Anselmus, te kiezen. Maar aan de andere kant zou dan die jongen staan, van wie hij zo wanhopig veel hield...

De kinderen laadden de vangst voor die dag op de ezel en trokken zingend in de richting van het kampement. Leonardo zwaaide opgewekt naar Dom Thaddeus. Maar die zag het niet. Met gebogen hoofd volgde hij de vissertjes: een eerlijk man, door twijfels verscheurd.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE