05 De Gelukkig Prins
Lang geleden stond er midden op het plein van een stad een hoge stenen pilaar. Boven op de pilaar stond het standbeeld van de Gelukkige Prins. Hij was helemaal bedekt met bladgoud, zijn ogen waren twee glinsterende saffieren en boven op zijn zwaard zat een grote rode robijn.
“Wat ziet de Prins er gelukkig uit,” zeiden de mensen van de stad wanneer ze over het plein wandelden. “wat jammer dat we niet allemaal even gelukkig als hij kunnen zijn.”
Op een avond vloog er een zwaluw over de stad. Het werd winter en de vogel was op weg naar het warme zuiden, waar de zon zou schijnen.
De zwaluw zag de Prins. “Wat een prachtig standbeeld,” dacht hij. “en tussen zijn voeten is net een mooi plekje om uit te rusten.”
De zwaluw streek neer. Hij vouwde zijn vleugels in, toen er opeens een grote druppel water naast hem viel. Er viel een tweede druppel. En nog een druppel. De zwaluw schudde zijn veren. “Ik kan beter een ander plekje gaan zoeken om te schuilen voor de regen,” dacht hij.
Hij keek omhoog en toen zag hij dat het helemaal niet regende. De Prins huilde. Er gleden dikke tranen langs zijn gouden wangen naar beneden.
“Wie ben jij?” vroeg de zwaluw verbaasd.
“Ik ben de Gelukkige Prins,” zei het standbeeld.
“Waarom huil je dan?” vroeg de zwaluw.
“Om wat ik zie,” zei het standbeeld. “Toen ik nog leefde en nog een echt hart had, wist ik niet wat tranen waren. Ik was rijk en gelukkig. En de mensen hielden zoveel van me, dat ze toen ik dood ging een standbeeld van me hebben gemaakt. Maar nu kan ik alle lelijke dingen en de armoede in de stad zien. En ondanks dat ik nu een hart van lood heb, kan ik nu wel huilen.”
Er rolden weer een paar tranen langs de gouden wangen van de Prins. Hij vertelde verder: “In een klein straatje aan het andere eind van de stad woont een arme vrouw. Haar zoontje ligt in bed en hij heeft koorts. De dokter zegt dat hij sinaasappels moet eten, maar de vrouw heeft geen geld om ze te kopen. Je moet me helpen, lieve zwaluw. Neem de robijn van mijn zwaard en breng hem naar de arme vrouw.”
“Maar ik ben op weg naar het warme zuiden” zei de zwaluw.
“Alsjeblieft, zwaluw. Alleen voor deze ene keer. Het jongetje is zo ziek en zijn moeder is zo verdrietig.”
De zwaluw pakte met zijn snavel de robijn van het zwaard en vloog naar het huis van de arme vrouw.
De arme vrouw zat in een stoel naast het bed van haar zoontje. Ze was in slaap gevallen. Het jongetje had rode wangen van de koorts.
De zwaluw vloog door het raam naar binnen en legde de robijn in de naaimand van de vrouw. Daarna vloog hij terug naar de Prins. "Je hebt een goede daad verricht," zei de Prins. "Dank je wel, lieve zwaluw." De volgende morgen vloog de zwaluw weer naar het huis van de arme vrouw. Hij zag dat het jongetje beter was. Zijn moeder had een grote mand vol sinaasappels gekocht. "Kijk moeder," riep het jongetje. "Daar gaat een zwaluw. Wat vreemd dat hij nog niet naar het zuiden gevlogen is. Het is bijna winter. De zwaluw vloog terug naar de Prins om afscheid te nemen. " Kun je nog niet een nacht blijven?" vroeg de Prins. " Nee, Prins, het is bijna winter en mijn vrienden wachten op me," antwoordde de vogel. "Maar aan de andere kant van de stad woont een arme jonge man," zei de Prins. " Hij probeert een boek te schrijven. Maar hij is zo arm dat hij geen hout voor de haard kan kopen. En zijn vingers zijn zo stijf van de kou dat hij geen pen kan vasthouden. Neem een van mijn saffieren ogen en breng die naar hem toe." Goed dan," zei de vogel. "Maar dit is de laatste keer." Hij nam een van de saffieren in zijn snavel en vloog naar het huis van de arme jonge schrijver. De jonge man zat achter zijn schrijftafel. De zwaluw vloog door een gat in het dak naar binnen, legde de saffier op de tafel en vloog meteen weer naar buiten. De jonge man keek met verbaasde ogen naar de glinsterende edelsteen. " Nu kan ik hout kopen voor de haard en mijn boek schrijven," riep hij blij. De volgende dag zei de zwaluw tegen de Prins dat hij nu echt naar het zuiden moest vliegen.
"Alsjeblieft, lieve zwaluw. Blijf nog één avond bij me. Beneden op het plein staat een klein meisje. Ze moet lucifers verkopen, maar ze heeft de hele dag nog niet één doosje verkocht. En als ze zonder geld thuiskomt, krijgt ze straf van haar vader. En ze heeft ook geen kousen of schoenen aan. Neem de saffier uit mijn andere oog en breng die naar haar toe."
"Maar ik kan uw andere oog niet wegnemen," zei de zwaluw. " Want dan wordt u blind." "Alsjeblieft, lieve zwaluw. Doe wat ik je vraag," smeekte de Prins. De vogel nam de andere saffier en vloog naar beneden, naar het meisje met de lucifers. Hij liet de glinsterende edelsteen in haar bak met lucifers vallen. Wat een mooie steen," riep het meisje blij en ze rende naar huis. De zwaluw vloog terug naar de Prins en zei: "U bent nu blind. Ik heb besloten voor altijd bij u te blijven. Nee, kleine zwaluw," zei de Prins. "Je moet naar het zuiden vliegen. Nee, ik blijf bij u," zei de zwaluw en hij viel tussen de voeten van de Prins in slaap. De volgende dag zat de zwaluw van vroeg tot laat op de schouder van de Prins. Hij vertelde hem verhalen over de vreemde landen die hij had gezien. De Prins luisterde en zei: "Vlieg over de stad, kleine zwaluw. En vertel me wat je ziet. De zwaluw vloog over de stad en zag de rijke mensen in hun prachtige huizen. Ze hadden genoeg te eten en ze dansten en lachten. Maar de vogel vloog ook over de straten waar de arme mensen woonden. Hij zag kinderen die kou leden en honger hadden. Toen de zwaluw aan de Prins vertelde wat hij had gezien, zei de Prins: "Ik ben helemaal bedekt met bladgoud. Haal het eraf en breng het naar de arme mensen. De zwaluw deed wat de Prins gezegd had en bracht het goud naar de arme mensen. Hij vertelde de Prins hoe blij de arme mensen met het goud waren. Het werd winter. Het werd kouder en er viel sneeuw. De zwaluw klapperde met zijn vleugels om warm te blijven. Hij wilde de Prins niet alleen laten, want hij was veel van hem gaan houden. Maar de zwaluw wist dat hij binnenkort zou sterven van de kou. Hij was maar net sterk genoeg om nog één keer naar de schouder van de Prins te vliegen. Ga je me eindelijk verlaten, lieve zwaluw?" vroeg de Prins.
“Ik kan niet meer naar het zuiden vliegen, Prins” zei de vogel. “Ik ga sterven.” Hij kuste de Prins en stierf. De dode zwaluw viel naar beneden en op hetzelfde ogenblik klonk er een krak. Het loden hart van de Prins was gescheurd.
De volgende morgen liep de burgemeester van de stad met twee van zijn wethouders over het plein. “Kijk eens naar Gelukkige Prins,” zei de burgemeester tegen de wethouders.
“Al het bladgoud en zijn saffieren ogen zijn verdwenen en ook de robijn zit niet meer op zijn zwaard. Wat zou er gebeurd zijn? En wat doet die dode vogel op het plein? Gooi hem in een vuilnisbak,” zei de burgemeester.
De volgende dag werd het standbeeld van de Prins van de pilaar gehaald. Ze deden het standbeeld in een oven om het te smelten. Daarna maakten ze een nieuw standbeeld van de burgemeester en plaatsen dat op de pilaar.
Maar het loden hart van de Prins was niet gesmolten. "Dat is vreemd," zei de man die de oven schoonmaakte. Hij gooide het hart in de vuilnisbak, bij de dode zwaluw. Even later kwam er een engel aangevlogen. Die haalde de dode zwaluw en het loden hart uit de vuilnisbak. Daarna vloog de engel terug naar de hemel. Daar mocht de zwaluw voor altijd zingen in de schitterende tuin van de gouden stad, waar de Gelukkige Prins mocht wonen.