01 Willem Tell
Meer dan vierhonderd jaar geleden werd een deel van Zwitserland geregeerd door de Oostenrijkse graaf Gessler. De graaf was een wrede man, die zijn soldaten dorpen en steden liet plunderen. Vooral de inwoners van de stad Altdorf aan het Vierwoudstrekenmeer waren heel bevreesd voor de graaf, omdat hij met zijn hofhouding in hun stad woonde. Er was één man die helemaal niet bang was voor de graaf of zijn soldaten. Zijn naam was Willem Tell. Hij was de beste schipper van het meer en hij kon als geen ander pijl en boog schieten.
Willem Tell woonde met zijn zoontje in een jagershut in de bergen. Maar af en toe moesten ze naar de stad om inkopen te doen. Op een dag zag Willem Tell dat iedereen die het stadsplein overstak een diepe buiging maakte voor... een hoed die bovenin een paal hing.
"Wat is hier aan de hand?" vroeg hij aan een vrouw. "De graaf heeft bevolen dat we voor zijn hoed moeten buigen als we langs deze paal komen," zei ze.
"Wat een onzin, " zei Willem Tell. “Ik buig niet voor een hoed. En zeker niet voor die van de graaf." En hij stak het plein over. Maar even voorbij de paal werden hij en zijn zoontje door de soldaten van de graaf tegengehouden.
De soldaten namen Willem Tell en zijn zoontje mee naar het hof van de graaf. Deze wreef zich in de handen van plezier. Eindelijk had hij die trotse Zwitser dan toch te pakken.
"Omdat je weigert voor mijn hoed te buigen, zou ik je voor de rest van je leven in de kerkers van kasteel Küssnacht kunnen opsluiten," zei de graaf.
Willem Tell stond met opgeheven hoofd en keek de graaf met een koele maar rustige blik aan.
Graaf Gessler was woedend. "Tell, ik heb horen zeggen dat je de beste boogschutter van het land zou zijn."
"Dat is hij ook!" riep het zoontje van Willem Tell trots.
"Dan zou het wel jammer zijn als je de rest van je leven in de gevangenis moest doorbrengen, " zei de graaf. "Ik zal je een voorstel doen. Als je van een afstand van honderd passen een appel in tweeën kunt schieten, zal ik je vrijlaten."
Willem Tell kon niet bedenken waarom de graaf hem deze kans bood. Het zou niet gemakkelijk zijn, maar hij was er zeker van dat hij raak zou schieten. Dus hij stemde toe. Het gezelschap liep naar een veld. In het midden van het veld stond een boom. De graaf grinnikte boosaardig.
"Bind de jongen aan de boom vast en leg een appel op zijn hoofd," beval de graaf. "Straks zullen we weten of onze vriend werkelijk zo goed kan schieten."
Willem Tell werd bleek. Moest hij het leven van zijn zoontje op het spel zetten?
"Doe het vader!" riep zijn zoontje. "Ik weet zeker dat u het kunt. Ik ben niet bang."
De soldaten bonden de jongen aan de boom. Ze legden een kleine rode appel op zijn hoofd. Willem Tell legde een pijl op zijn boog. De jongen stond doodstil.
Hij zag de metalen punt van de pijl in het zonlicht glinsteren. Willem Tell spande de boog. De jongen hield zijn adem in. De pijl suisde door de lucht en... de appel viel in twee helften op de grond. Zijn vader was vrij!
Graaf Gessler probeerde zijn teleurstelling te verbergen. Toen viel er een pijl uit de voering van de jas van Willem Tell. "Waarom had je nog een pijl bij je, Tell?" vroeg de graaf. "Als ik mijn zoon met de eerste pijl had gedood," antwoordde Willem Tell kalm, "had ik de tweede pijl in jouw hart geschoten, Gessler!"
"Hoogverraad!" schreeuwde de graaf.
"Dat zul je met de dood bekopen, Tell. Soldaten, breng hem naar het kasteel en smijt hem levend voor de wilde dieren."
"Ga naar huis jongen," zei Willem Tell tegen zijn zoontje, "en wacht daar op mij."
Kasteel Küssnacht lag aan de overkant van het Vierwoudstrekenmeer. De soldaten brachten Willem Tell naar een boot en bonden hem vast aan de mast. De boot voer het meer op. Maar nog voordat ze het midden van het meer hadden bereikt, stak er een storm op.
Huizenhoge golven zwiepten de boot heen en weer. De soldaten waren doodsbang.
"Alleen' Willem Tell kan in zulk weer een boot varen," riep de schipper. Een soldaat kroop over het dek naar de mast en maakte Willem Tell los. "Red ons, alsjeblieft," smeekte hij.
Willem Tell nam het roer over. Hij had gezien dat ze recht afgingen op de rotsen aan de overkant van het meer. Snel gooide hij het roer om. Maar het was al te laat. De boot werd door een hoge golf opgetild en op de rotsen geworpen.
Op datzelfde ogenblik had Willem Tell zijn pijl en boog al te pakken en hing hij aan de tak van een boom. Met een enorme zwaai sprong hij op de rotsen.
Graaf Gessler stond aan de andere kant van het meer handenwringend toe te kijken. Willem Tell legde een pijl op zijn boog en richtte. De pijl suisde over het meer, precies in het hart van de graaf. Het Zwitserse volk was van de wrede heerser verlost.