A) Anton heeft een nieuwe vriendin.
Zijn vriendin heet Sara.
Anton wil vanavond koken voor Sara.
Hij gaat naar de supermarkt.
Anton neemt een mandje en een winkelkar.
Hij wandelt voorbij de gang met groenten.
Hij kijkt naar de vis in de diepvriezer.
Hij staat bij het saladebuffet.
Uiteindelijk verlaat hij de winkel.
Anton gaat naar huis en bestelt pizza.
B) Ik heb een nieuwe vriendin.
Haar naam is Sara.
Ik wil vanavond koken voor Sara.
Ik ga naar de supermarkt.
Ik neem een mandje en een winkelkar.
Ik wandel voorbij de gang met groenten.
Ik kijk naar de vis in de diepvriezer.
Ik sta bij het saladebuffet.
Uiteindelijk verlaat ik de winkel.
Ik ga naar huis en bestel pizza.
Vragen:
Een : Anton heeft een nieuwe vriendin die Sara heet.
Heeft Anton een nieuwe vriendin?
Ja, Anton heeft een nieuwe vriendin.
Haar naam is Sara.
Twee : Anton wil vanavond koken voor Sara.
Wil Anton lunch maken voor Sara?
Nee, Anton wil geen lunch maken voor Sara.
Hij wil vanavond voor haar koken.
Drie : Anton gaat naar de supermarkt om eten te kopen.
Gaat Anton naar de supermarkt?
Ja, Anton gaat naar de supermarkt om eten te kopen.
Vier : Anton wandelt voorbij de gang met groenten.
Koopt Anton groenten?
Nee, Anton koopt geen groenten.
Hij gaat voorbij de gang met groenten.
Vijf : Anton kijkt naar de vis in de diepvriezer, maar koopt er geen.
Kijkt Anton naar de vis?
Ja, Anton kijkt naar de vis in de diepvriezer, maar hij koopt er geen.
Zes : Anton verlaat uiteindelijk de winkel en gaat naar huis.
Blijft Anton in de winkel?
Nee, Anton verlaat uiteindelijk de winkel en gaat naar huis.
Zeven : In plaats daarvan bestelt Anton pizza.
Maakt Anton eten klaar?
Nee, hij maakt geen eten klaar.
In plaats daarvan bestelt hij pizza.