A) Jan werkt in een kantoor.
Hij heeft het elke dag zeer druk.
Hij heeft vele vergaderingen met zijn klanten.
Jan vindt deze vergaderingen niet leuk.
Hij vindt dat ze heel saai zijn.
Sommige klanten zijn vriendelijk tegen Jan.
Maar sommige klanten zijn niet vriendelijk.
Jan neemt lange lunchpauzes.
Om vijf uur kan hij naar huis gaan.
Hij wacht elke dag tot het vijf uur wordt.
B) Ik werk in een kantoor.
Ik heb het elke dag zeer druk.
Ik heb vele vergaderingen met mijn klanten.
Ik vind deze vergaderingen niet leuk.
Sommige klanten zijn vriendelijk tegen me.
Maar sommige klanten zijn niet vriendelijk.
Ik neem lange lunchpauzes.
Om vijf uur kan ik naar huis gaan.
Ik wacht elke dag tot het vijf uur wordt.
Vragen:
Een : Jan werkt in een kantoor.
Werkt Jan in een school?
Nee, Jan werkt in een kantoor.
Twee : Jan heeft het elke dag zeer druk.
Heeft Jan het zeer druk?
Ja, Jan heeft het elke dag zeer druk.
Drie : Jan heeft vele vergaderingen met zijn klanten.
Heeft Jan weinig vergaderingen?
Nee, Jan heeft vele vergaderingen met zijn klanten.
Vier : Jan vindt de vergaderingen saai.
Vindt Jan de vergaderingen saai?
Ja, hij vindt de vergaderingen saai.
Vijf : Sommige klanten zijn vriendelijk.
Zijn alle klanten vriendelijk?
Nee, sommige klanten zijn vriendelijk.
Zes : Jan neemt lange lunchpauzes.
Neemt Jan korte lunchpauzes?
Nee, hij neemt geen korte pauzes.
Hij neemt lange lunchpauzes.
Zeven : Om vijf uur kan Jan naar huis gaan.
Kan Jan om vier uur naar huis gaan?
Nee, hij kan om vijf uur naar huis gaan.