A) Karel is op zoek naar een nieuwe baan.
Hij heeft morgen een sollicitatiegesprek.
Hij moet er professioneel uitzien tijdens het sollicitatiegesprek.
Maar Karels kleren zijn erg oud.
Hij overweegt een nieuw pak te kopen.
Karel gaat naar de kledingwinkel.
Hij past een aantal nieuwe pakken.
Uiteindelijk koopt hij een grijs pak.
Karel vindt dat hij er goed uitziet in zijn nieuwe pak.
Hij is klaar voor zijn sollicitatiegesprek morgen.
B) Ik was op zoek naar een nieuwe baan.
Ik had gisteren een sollicitatiegesprek.
Ik moest er professioneel uitzien tijdens mijn sollicitatiegesprek.
Maar mijn kleren waren erg oud.
Ik besloot om een nieuw pak te kopen.
Ik ging naar de kledingwinkel.
Ik paste een aantal nieuwe pakken.
Uiteindelijk kocht ik een grijs pak.
Ik vond dat ik er goed uitzag in mijn nieuwe pak.
Ik was gisteren klaar voor mijn sollicitatiegesprek.
Vragen:
Een : Karel is op zoek naar een nieuwe baan.
Waar is Karel naar op zoek?
Hij is op zoek naar een nieuwe baan.
Twee : Karel heeft morgen een sollicitatiegesprek.
Wat heeft Karel morgen?
Hij heeft morgen een sollicitatiegesprek.
Drie : Karels kleren zijn erg oud.
Zijn Karels kleren nieuw?
Nee, Karels kleren zijn niet nieuw.
Ze zijn erg oud.
Vier : Karel overweegt een nieuw pak te kopen.
Wat wil Karel graag kopen?
Karel overweegt een nieuw pak te kopen.
Vijf : Karel heeft een aantal pakken gepast.
Wat heeft Karel gedaan?
Karel heeft een aantal pakken gepast.
Zes : Karel heeft uiteindelijk een grijs pak gekocht.
Welke kleur had het pak dat hij uiteindelijk heeft gekocht?
Karel heeft uiteindelijk een grijs pak gekocht.
Zeven : Karel vond dat hij er goed uitzag in zijn nieuwe pak.
Hoe voelde Karel zich in zijn nieuwe pak?
Karel vond dat hij er goed uitzag in zijn nieuwe pak.
Acht : Karel was gisteren klaar voor zijn sollicitatiegesprek.
Was Karel gisteren klaar voor zijn sollicitatiegesprek?
Ja, Karel was gisteren klaar voor zijn sollicitatiegesprek.