Zitten
In deze les geef ik voorbeelden van het gebruik van het woord zitten, in twee vormen, het zitten op de billen, en in de betekenis van ergens naar toe gaan of behoren.
Ik zit op een stoel, en mijn broer zit op de grond.
Mijn ouders zitten op de bank. Gisteren zat ik op de grond en mijn broer op de stoel.
Mijn ouders zaten toen ook op de bank. Ik zit op school.
Elke ochtend ga ik er naar toe, en kom pas 's middags weer thuis. Mijn broer zat ook op school, maar hij werkt nu.
Vroeger zaten mijn oma en opa natuurlijk ook op school, maar dat is al heel lang geleden.
Ik zit op gymnastiek, en mijn broer zit op voetbal.
Vroeger zat hij ook op gymnastiek, maar dat vond hij niet meer leuk. Mijn zussen zitten op dansen.