Les 14 De papieren
Ha Anita. We hebben je gisteren gemist. Waar was je? Ik moest naar de gemeente. M'n papieren in orde maken. Je paspoort bedoel je? Moest je je paspoort laten zien? Nee, dat was het probleem niet. Het ging om mijn verblijfsvergunning. Ik wil hier namelijk studeren. Daarvoor moet je een speciale vergunning aanvragen: een verblijfsvergunning. Dat heb ik gisteren gedaan. Heeft dat de hele dag geduurd? Kost dat zoveel tijd? Hoe kan dat? Het was druk. Toen ik klaar was, kon ik niet meer naar de les komen.
Hoe is het afgelopen? Is het gelukt? Heb je die vergunning gekregen? Nee, zo snel krijg ik die niet. Het kan wel even duren met de papieren! En intussen mag je hier blijven wonen? Ja natuurlijk. Ik heb toch een visum? Van de Nederlandse ambassade. Heeft iedereen eigenlijk zo'n vergunning nodig? Ik ken iemand uit Spanje die hier woont, maar volgens mij niet zo'n vergunning heeft. Dat klopt. Wie uit een EU-land komt, heeft geen vergunning nodig.
En iemand van buiten de EU die hier wil werken? Die heeft wel een vergunning nodig. Die krijg je bijvoorbeeld als je komt op uitnodiging van een bedrijf. Dat bedrijf maakt alles in orde. Ik heb iets raars gehoord over een toets. Een Nederlandse vriend van me had een meisje leren kennen in Turkije. Ze wilden trouwen. Maar dat meisje mocht 't land niet in. Ze moest eerst de inburgeringstoets doen. Wat? Stel dat ik verliefd word op een Nederlander. Dan wil ik hier natuurlijk blijven. Moet ik dan ook die toets doen, denk je? Volgens mij wel. Nieuwe burgers moeten enige kennis bezitten van het land. Voordat ze naar Nederland komen. Ook wie hier al woont, moet eerst terug. Om de toets te doen. Meen je dat? Wat raar! Ik weet toch genoeg over Nederland?