×

LingQをより快適にするためCookieを使用しています。サイトの訪問により同意したと見なされます クッキーポリシー.


image

Zielenschemering [part 2], Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 16

Gerrit herstelde, iederen dag. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij zat in een ruimen stoel, en te soezen zat, tot hij wegzonk in de donzen diepte, en sluimerde in, in zijn stoel. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij sprak enkele woorden met de twee vrouwen, den dokter en den verpleger, en dat hij gevraagd had:

- De kinderen...

Hij had begrepen, dat zij er niet waren, en dat hij ze niet zoû zien. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij zich herinnerde het leven van vroeger, en dat hij vroeg:

- Pauline...

En hij begreep, dat zij hem niet begrepen. Waarom zij hem niet begrepen, begreep hij niet, want als hij vroeg:

- De kinderen... mama... begrepen zij hem toch en antwoordden zij hem vriendelijkjes, dat het goed ging met de kinderen en mama.

Dan vroeg hij:

- Je man, Constance... Je jongen...

En Constance antwoordde hem, dat het hun goed ging.

Dan vroeg hij haar:

- Pauline...

En zij knikte zacht, en zij glimlachte zacht.

Ja, zeker, nu begreep zij hem, en zeide hem, dat het goed met Pauline ging...

Ja, ja hij herinnerde zich wel: mama, de kinderen, Pauline... Zij waren in zijn leêge herinnering als schimmen, die opspookten en hem vragen deden aan de vrouwen om zich heen. Maar in zijn herinnering was verder éen groote leêgte, als een leêg heelal, nu het Beest was verdwenen in het ruime Niets... In het Niets... In het Niets.

Merg had hij niet meer: het beest zoû hem niet meer vreten. Er wroette geen duizendpoot meer in zijn body... God, God wat voelde hij zich op, op... Nu herkende hij zijn geneesheer...

- Zoo ben je daar, Alsma.

- Zoo Van Lowe; herken je me weêr...

- Ja... ja... Heb ik je niet herkend...

- Neen... nu en dan wist je niet wie ik was... Nu wordt je weêr gauw beter, hoor. Iederen dag wordt je beter...

- Ja...ja... Maar...

- Maar wat...

- Ik voel me erg... raar. Bedonderd... raar...

- Ja, je bent nog wat zwakjes.

- Zwakjes...

Hij grinnikte. Hij voelde aan zijn armen, en hij vond het vreemd, dat hij zijn biceps niet vinden kon.

- Waar is het ding? vroeg hij. Is het weg...

- Neen, je zal wel weêr aansterken... Dat gaat zoo gauw, als je eenmaal weêr beter bent. - O, gaat dat gauw.

- Ja, dat gaat heel gauw...

- Zeg, Alsma... kan ik mijn kinderen niet eens zien...

- Neen, het zoû je nog al vermoeien... Later, later...

- Zeg, weet je wat bedonderd is. Ik weet niet meer... dingen. Of ik gedroomd heb... of niet...

- Niet over tobben. Dat werk je allemaal bij... langzamerhand, langzamerhand...

- Een meer met allerlei witte waterwijven... Dat is onzin, hè... Een sneltrein... Was ik op reis geweest, kort voor mijn ziekte... Neen, hè? Het lijk... van een meid? Heb ik dat gezien? Een beest, een groot beest... Ja, waàr was het groote beest... Heb ik gevochten met het groote beest... Ik geloof, dat het allemaal onzin was... behalve het beest... dat me op heeft gelikt... met zijn tong...

- Je moet niet zooveel praten.

- ...Omdat ik het beest... àltijd... àltijd... in me heb gevoeld...

- Kom Van Lowe... Hoû je maar heel kalm nu... en rust wat... rust wat uit.

De zieke man zonk weg, zonk weg in de donzen diepte... Gerrit herstelde, iederen dag. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij geloopen had door de kamer, aan den arm van Constance, en dat hij even gezien had zijn drie jongens, een enkel oogenblik - omdat hij zoo naar ze verlangde.

- Ook naar de anderen... zeide hij.

Zij brachten hem den volgenden dag Gerdy en Constant; den daarop volgenden de anderen, vier... Hij had ze nu allen gezien.

- Maar zoo kort, zeide hij.

Hij herstelde langzaam aan. Hij had Van der Welcke en Addy gezien en op een bleeken winterzonnedag was hij even op straat geweest, maar de buitenwereld duizelde hem. Toch kon hij het zich niet ontkennen; toch herstelde hij... Hij zag zijn moeder en toen zij hem zag, was zij vergeten, dat hij ziek was geweest.

- Waar ben je zoo lang geweest, Gerrit...

- In de lappenmand, mama.

- In de lappenmand...

De oude vrouw knikte welwetend.

- Je bent toch niet ziek geweest?

- Nu, een klein beetje, mama. Het was niet heel erg, hoor...

En hij werd beter, hij herstelde. Hij wandelde uit, met zijn vrouw, met Constance, met Van der Welcke. Hij wandelde met zijn neef Addy: de buitenwereld duizelde hem niet meer. Terwijl hij wandelde, herkende hij kameraden; eens kwam hij de huzaren tegen...

- Godverdomme, vloekte hij, zonderdat hij wist waarom.

Hij was, of hij plotseling zag, dat hij nooit meer rijden zoû, recht zijn rug, helder zijn oog, vóor zijn escadron. Maar het was onzin, dat hij het zoo zag...

Toch kon hij nog niet hervatten zijn dienst. Hij lummelde en hij luierde, als hij zeide. Des avonds, altijd heel vroeg, zonk hij weg in een donzen diepte, sluimerde hij in, zwaar...

En hij herinnerde zich niet meer...

- Zeg, Constance.

- Wat is er, Gerrit.

- Toen ik die meid heb gezien... op het kerkhof... Was jij er toen ook en heb je toen me geroepen...

- Neen, Gerrit... Je hebt gedroomd.

- O, heb ik dat gedroomd.

- Ja...

- Neen, neen.

- Ja, Gerrit, je hebt gedroomd...

Een anderen keer vroeg hij aan Van der Welcke: - Zeg, Van der Welcke.

- Wat is er, Gerrit?

- Je weet niet... Maar ik heb een meid gehad... teruggezien van vroeger... Een lieve meid... Onderzoek eens, wat er van is, wil je...

- Hoe heet zij en waar woont ze...

Hij bedacht zich.

- Ze heet... ze heet Pauline.

- En waar woont ze?

- In... in de Frederikstraat.

Van der Welcke onderzocht, maar den volgenden keer wilde hij niets zeggen. De zieke man echter herinnerde zich.

- Zeg, Van der Welcke.

- Wat Gerrit.

- Heb je dat onderzocht voor me.

- Ja... aarzelde Van der Welcke.

- En?

- De meid is dood, kerel.

- Ze heeft zich verdronken?

- Ja...

- Ze hebben haar lijk op het kerkhof gebracht?

- Ja...

- O, dan heb ik niet gedroomd. Dat zie je... En je vrouw is me daar komen halen. - Neen, neen.

- Jawel...

- Neen, neen, kerel...

De zieke man bedacht zich.

- Ik weet niet meer, zeide hij; wat ik geleefd... en wat ik gedroomd heb. Het lamme beest... dat... dat was waarheid. Het heeft me opgevreten... opgevreten... van mijn jongensjaren...

Hij werd heel somber en uren, lange uren zat hij stil, in zijn stoel... tot hij zonk in de donzen diepte.

Hoofdstuk 16 Κεφάλαιο 16 Chapter 16

Gerrit herstelde, iederen dag. Gerrit recovered, every day. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij zat in een ruimen stoel, en te soezen zat, tot hij wegzonk in de donzen diepte, en sluimerde in, in zijn stoel. Now he was so far acclimated that he sat in a spacious chair, and dozed, until he sank into the downy depths, and slumbered in, in his chair. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij sprak       enkele woorden met de twee vrouwen, den dokter en den verpleger, en dat hij gevraagd had: Now he was so far acclimated that he spoke some words with the two women, the doctor and the nurse, and that he had asked:

- De kinderen... - The children...

Hij had begrepen, dat zij er niet waren, en dat hij ze niet zoû zien. He had understood that they were not there, and that he would not see them. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij zich herinnerde het leven van vroeger, en dat hij vroeg: Now he was so far turned on that he remembered the life of the past, and he asked:

- Pauline... - Pauline...

En hij begreep, dat zij hem niet begrepen. And he understood, they did not understand him. Waarom zij hem niet begrepen, begreep hij niet, want als hij vroeg: Why they did not understand him, he did not understand, because when he asked:

- De kinderen... mama... begrepen zij hem toch en antwoordden zij hem vriendelijkjes, dat het goed ging met de kinderen en mama. - The children ... mama... they understood him anyway and answered him kindly, that the children and mom were doing well.

Dan vroeg hij: Then he asked:

- Je man, Constance... Je jongen... - Your husband, Constance... Your boy...

En Constance antwoordde hem, dat het hun goed ging. And Constance answered him, saying they were doing well.

Dan vroeg hij haar: Then he asked her:

- Pauline... - Pauline...

En zij knikte zacht, en zij glimlachte zacht. And she nodded softly, and she smiled softly.

Ja, zeker, nu begreep zij hem, en zeide hem, dat het goed met Pauline ging... Yes, certainly, now she understood him, and told him, that Pauline was doing well....

Ja, ja hij herinnerde zich wel: mama, de kinderen, Pauline... Zij waren in zijn leêge herinnering als schimmen, die opspookten en hem vragen deden aan de vrouwen om zich       heen. Yes, yes he did remember: mama, the children, Pauline.... They were in his empty memory like phantoms, stirring up and making him question the women around him. Maar in zijn herinnering was verder éen groote leêgte, als een leêg heelal, nu het Beest was verdwenen in het ruime Niets... In het Niets... In het Niets. But in his memory was further one great void, like an empty universe, now that the Beast had disappeared into the spacious Nothingness.... Into nothingness... Into Nothingness.

Merg had hij niet meer: het beest zoû hem niet meer vreten. Marrow he no longer had: the beast zoû no longer eat him. Er wroette geen duizendpoot meer in zijn body... God, God wat voelde hij zich op, op... Nu herkende hij zijn geneesheer... No more centipede was rooting around in his body.... God, God how he felt up, up.... Now he recognized his physician....

- Zoo ben je daar, Alsma. - So there you are, Alsma.

- Zoo Van Lowe; herken je me weêr... - So Van Lowe; do you recognize me again....

- Ja... ja... Heb ik je niet herkend... - Yes... yes... Didn't I recognize you...

- Neen... nu en dan wist je niet wie ik was... Nu wordt je weêr gauw beter, hoor. - Nay... Now and then you didn't know who I was... Now you'll get better soon. Iederen dag wordt je beter... Every day you get better....

- Ja...ja... Maar... - Yes...yes... But...

- Maar wat... - But what...

- Ik voel me erg... raar. - I feel very ... weird. Bedonderd... raar... Beguiled... strange...

- Ja, je bent nog wat zwakjes. - Yes, you are still a little weak.

- Zwakjes... - Weakly...

Hij grinnikte. He chuckled. Hij voelde aan zijn armen, en hij vond het vreemd, dat hij zijn biceps niet vinden kon. He felt at his arms, and he found it strange that he couldn't find his biceps.

- Waar is het ding? - Where is the thing? vroeg hij. he asked. Is het weg... Is it gone...

- Neen, je zal wel weêr aansterken... Dat gaat zoo gauw, als je eenmaal weêr beter bent. - No, you'll recover... You will, once you get better. - O, gaat dat gauw. - Oh, is that going to be soon.

- Ja, dat gaat heel gauw... - Yes, that goes very quickly....

- Zeg, Alsma... kan ik mijn kinderen niet eens zien... - Say, Alsma... I can't even see my kids...

- Neen, het zoû je nog al vermoeien... Later, later... - No, it would tire you out... Later, later...

- Zeg, weet je wat bedonderd is. - Say, you know what is conniving. Ik weet niet meer... dingen. I don't remember... things. Of ik gedroomd heb... of niet... Whether I dreamed ... or not...

- Niet over tobben. - Don't fret about it. Dat werk je allemaal bij... langzamerhand, langzamerhand... You update all that slowly, slowly...

- Een meer met allerlei witte waterwijven... Dat is onzin, hè... Een sneltrein... Was ik op reis geweest, kort voor mijn ziekte... Neen, hè? - A lake with all kinds of white water wives.... That's nonsense, isn't it... An express train... Had I been on a trip shortly before my illness... No, huh? Het lijk... van een meid? The corpse... Of a maid? Heb ik dat gezien? Did I see that? Een beest, een groot beest... Ja, waàr was het groote beest... Heb ik gevochten met het groote beest... Ik geloof, dat het allemaal onzin was... behalve het beest... dat me op heeft gelikt... met zijn tong... A beast, a great beast... Yes, whàr was the great beast.... Did I fight with the great beast... I believe it was all nonsense... except for the beast that licked me up... with its tongue...

- Je moet niet zooveel praten. - You shouldn't talk so much.

- ...Omdat ik het beest... àltijd... àltijd... in me heb gevoeld... - ...Because I am the beast... aalways... always... felt in me...

- Kom Van Lowe... Hoû je maar heel kalm nu... en rust wat... rust wat uit. - Come Van Lowe... Hoû you but very calm now.... and rest some... rest a little.

De zieke man zonk weg, zonk weg in de donzen diepte...       Gerrit herstelde, iederen dag. The sick man sank away, sank away into the downy depths.... Gerrit recovered, every day. Nu was hij zoo ver aangebeterd, dat hij geloopen had door de kamer, aan den arm van Constance, en dat hij even gezien had zijn drie jongens, een enkel oogenblik - omdat hij zoo naar ze verlangde. Now he had gotten so far that he had walked around the room on Constance's arm and had seen his three boys, just for a moment - because he longed for them.

- Ook naar de anderen... zeide hij. - Also to the others he said.

Zij brachten hem den volgenden dag Gerdy en Constant; den daarop volgenden de anderen, vier... Hij had ze nu allen gezien. They brought him Gerdy and Constant the next day; the next the others, four.... He had seen them all now.

- Maar zoo kort, zeide hij. - But so briefly, he said.

Hij herstelde langzaam aan. He slowly recovered. Hij had Van der Welcke en Addy gezien en op een bleeken winterzonnedag was hij even op straat geweest, maar de buitenwereld duizelde hem. He had seen Van der Welcke and Addy, and on a pale winter sunny day he had been out on the street for a while, but the outside world dizzied him. Toch kon hij het zich niet ontkennen; toch herstelde hij... Hij zag zijn moeder en toen zij hem zag, was zij vergeten, dat hij ziek was geweest. Still he could not deny himself; still he recovered.... He saw his mother, and when she saw him, she had forgotten that he had been ill.

- Waar ben je zoo lang geweest, Gerrit... - Where have you been for so long, Gerrit....

- In de lappenmand, mama. - In the rag basket, mom.

- In de lappenmand... - In the patchwork...

De oude vrouw knikte welwetend. The old woman nodded knowingly.

- Je bent toch niet ziek geweest? - You haven't been sick, have you?

- Nu, een klein beetje, mama. - Now, just a little bit, Mom. Het was niet heel erg, hoor... It wasn't very bad, mind you....

En hij werd beter, hij herstelde. And he got better, he recovered. Hij wandelde       uit, met zijn vrouw, met Constance, met Van der Welcke. He walked out, with his wife, with Constance, with Van der Welcke. Hij wandelde met zijn neef Addy: de buitenwereld duizelde hem niet meer. He walked with his cousin Addy: the outside world no longer dazzled him. Terwijl hij wandelde, herkende hij kameraden; eens kwam hij de huzaren tegen... As he walked, he recognized comrades; once he met the hussars

- Godverdomme, vloekte hij, zonderdat hij wist waarom. - Goddammit, he cursed, not knowing why.

Hij was, of hij plotseling zag, dat hij nooit meer rijden zoû, recht zijn rug, helder zijn oog, vóor zijn escadron. He was, whether he suddenly saw that he would never ride again, straightening his back, brightening his eye, before his escadron. Maar het was onzin, dat hij het zoo zag... But it was nonsense, that he saw it that way....

Toch kon hij nog niet hervatten zijn dienst. Still, he could not yet resume his service. Hij lummelde en hij luierde, als hij zeide. He loafed and he lazed, as he said. Des avonds, altijd heel vroeg, zonk hij weg in een donzen diepte, sluimerde hij in, zwaar... At night, always very early, he sank into a downy depth, slumbered in, heavily

En hij herinnerde zich niet meer... And he didn't remember...

- Zeg, Constance. - Say, Constance.

- Wat is er, Gerrit. - What's up, Gerrit.

- Toen ik die meid heb gezien... op het kerkhof... Was jij er toen ook en heb je toen me geroepen... - When I saw that girl in the cemetery... were you there and did you call me...

- Neen, Gerrit... Je hebt gedroomd. - Nay, Gerrit... You've been dreaming.

- O, heb ik dat gedroomd. - Oh, did I dream that.

- Ja... - Yes...

- Neen, neen. - Nay, nay.

- Ja, Gerrit, je hebt gedroomd... - Yes, Gerrit, you dreamed....

Een anderen keer vroeg hij aan Van der Welcke:       - Zeg, Van der Welcke. Another time he asked Van der Welcke: - Say, Van der Welcke.

- Wat is er, Gerrit? - What is it, Gerrit?

- Je weet niet... Maar ik heb een meid gehad... teruggezien van vroeger... Een lieve meid... Onderzoek eens, wat er van is, wil je... - You don't know... But I've had a girl back in the old days... A sweet girl... Investigate, what of it, will you....

- Hoe heet zij en waar woont ze... - What is her name and where does she live?

Hij bedacht zich. He reflected.

- Ze heet... ze heet Pauline. - Her name is ... her name is Pauline.

- En waar woont ze? - And where does she live?

- In... in de Frederikstraat. - In ... Frederick Street.

Van der Welcke onderzocht, maar den volgenden keer wilde hij niets zeggen. Van der Welcke examined, but the next time he wouldn't say anything. De zieke man echter herinnerde zich. The sick man, however, remembered.

- Zeg, Van der Welcke. - Say, Van der Welcke.

- Wat Gerrit. - What Gerrit.

- Heb je dat onderzocht voor me. - Have you researched that for me.

- Ja... aarzelde Van der Welcke. - Yes... hesitated Van der Welcke.

- En? - And?

- De meid is dood, kerel. - The maid is dead, dude.

- Ze heeft zich verdronken? - She drowned herself?

- Ja... - Yes...

- Ze hebben haar lijk op het kerkhof gebracht? - They brought her corpse into the cemetery?

- Ja... - Yes...

- O, dan heb ik niet gedroomd. - Oh, then I didn't dream. Dat zie je... En je vrouw is me daar komen halen. You see that... And your wife came to get me there. - Neen, neen. - Nay, nay.

- Jawel... - Yep...

- Neen, neen, kerel... - No, no, dude ...

De zieke man bedacht zich. The sick man changed his mind.

- Ik weet niet meer, zeide hij; wat ik geleefd... en wat ik gedroomd heb. - I do not remember, he said; what I lived And what I dreamed. Het lamme beest... dat... dat was waarheid. The lame beast... that... that was truth. Het heeft me opgevreten... opgevreten... van mijn jongensjaren... It ate me up ... eaten up... of my boyhood...

Hij werd heel somber en uren, lange uren zat hij stil, in zijn stoel... tot hij zonk in de donzen diepte. He became very gloomy and for hours, long hours he sat still, in his chair until he sank into the downy depths.