×

Utilizziamo i cookies per contribuire a migliorare LingQ. Visitando il sito, acconsenti alla nostra politica dei cookie.

image

Ivanhoe - van Walter Scott, NEGENDE HOOFDSTUK

NEGENDE HOOFDSTUK

--In 't midden stond een vrouw. Men kon aan 't schoon gelaat en d' eedler wezenstrekken Weldra in haar de koningin ontdekken.

Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft,

Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen;

Haar sierde een diadeem van goud het hoofd,

Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen;

Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij,

En hield omhoog het beeld der heerschappij.

De bloem en het blad.

William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het

eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens

zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen,

voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den

prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen.

De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl

hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het

oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de

herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De

maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de

grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren

zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend

te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een

of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het

geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van

den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten

zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de

belooning zijner dapperheid te ontvangen.

De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van

den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het

toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens

door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op

trotschen toon: "Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen,

daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te

ontblooten.--Weet gij misschien ook, mijne heeren," zeide hij, zich naar zijn gevolg keerende, "wie die jongeling is, die zich zoo trotsch gedraagt?" "Ik kan het niet gissen;" antwoordde De Bracy, "en ik had ook niet gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen,

één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één

dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten,

waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel

geworpen, als een steen uit een slinger!" "Beroem u daar niet op," zeide een Johanniter, die tegenwoordig was; "uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal

over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen." De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar

Prins Jan belette hem door uit te roepen: "Stilte, heeren! waartoe

deze nuttelooze twist?" "De overwinnaar," zei de Wyvil, "wacht nog op de bevelen van uwe Hoogheid." "Wij veroorloven hem te wachten," hernam de Prins, "totdat wij vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan

gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet:

hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden." "Uw Hoogheid," zeide Waldemar Fitzurse, "doet den overwinnaar minder dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot

wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.--Ik ten minste kan het

niet raden,--of het moest een van de dappere strijders zijn, welke

koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige

Land terugkeeren." "Het kan de graaf van Salisbury zijn," zei De Bracy; "hij is omtrent van dezelfde grootte." "'t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland," hervatte Fitzurse, "Salisbury is een veel zwaarder man." --Er ontstond een

gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien

het begon: "Het kon de Koning,--het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!" "God beware!" riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek

wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd;

"Waldemar! De Bracy!--dappere ridders en heeren, herinnert u uwe

beloften, en staat mij getrouw bij!" "Er is nog geen gevaar!" zei Waldemar Fitzurse. "Kent gij zoo weinig de reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in

gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?--De Wyvil en Martival,

gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar

bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al

het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.--Beschouw hem oplettender," ging hij voort, "uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is, dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard,

dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben

kunnen dragen." Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder

naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den

troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn

broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar

beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd,

verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse

aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij,

met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval,

hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven,

sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier

een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard

Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment

van den Prins alleen met eene diepe buiging.

Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk

geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat

echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén

hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard,

zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed

hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van

een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn

van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven,

werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning,

waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het

volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen

van alle aanschouwers.

Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd,

dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid

moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden,

eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid

en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het

toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl

de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij

kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken

tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het

bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid,

met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren

bewegingloos als een standbeeld had doen staan.

"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar dit de eenige naam is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw

voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der

Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap

bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp

van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen,

dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse,

sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden

wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken,

aan wie gij wilt,--door welke overhandiging de verkiezing der Koningin

voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!" De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan

een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen

en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en

kogels op een hertogs-kroon.

Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar

Fitzurse's dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van

zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij

wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn

eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka

te verbannen; hij wilde zich Alicia's vader, Waldemar Fitzurse, dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het

gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd

getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want

Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in

zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor

wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand

opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht,

de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen,

in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere

keuze deed.

En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de

galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw

Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en

zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had,

scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone

gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden.

Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade

te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen

namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich

heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen

poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er

waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken:

maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren,

die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat,

daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden,

zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de

opkomende schoonen te laten.

Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw

Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top.

Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag

van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat

gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had,

zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag

van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde

naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over

het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet

alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van

den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even

groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane

scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten

beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder.

Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet

minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken.

"Vader Abraham!" zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen

den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, "hoe stout rijdt de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren

weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild

ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele _zechinen_

gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens

zeventig ten honderd winst,--hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij

ze op den straatweg gevonden had!" "Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader," zei Rebekka, "in een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten,

dat hij paard en wapenrusting zou sparen." "Kind!" hernam Izaäk, eenigszins driftig, "gij weet niet wat gij zegt--zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard

en zijn wapenrusting behooren aan--vader Jacob! wat had ik haast

gezegd!--En toch, het is een brave jongeling.--Zie Rebekka! zie,

hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!--Bid kind--bid

voor het behoud van den goeden jongeling,--en van het vlugge paard

en de rijke wapenrusting.--God mijner vaderen!" riep hij weder,

"hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn lans bezweken,--even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning

der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!--Zeker krijgt

hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van

erts en staal, tot buit en roof!" Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd,

terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening

te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij

iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus,

die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde

Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn

welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere

reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan,

terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht

waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam

latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten

van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk,

terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde

voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet

mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden

hierop hun geschreeuw van "_Largesse!_" waarop de gelukkige Cedric door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder

vlug, een gave van even groote waarde voegde.

Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die

even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien,

als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die

zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt

bij de kreten van: "Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin der Liefde en Schoonheid!" waarbij velen voegden: "Leve de Saksische Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!" Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen,

die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van

den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn

paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg

vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil

onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij

tot zijn gevolg zeide: "Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten

van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht

heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de

heldersten zijn!" Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan

het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst

hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan

gevleid, dat de Prins in 't openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter niet naar verdienste was behandeld.

"Ik ken," zeide hij, "geen dierbaarder en onschendbaarder recht der ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner

liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene

onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken

aan alle verschuldigde eerbewijzen." Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij

aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij,

waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten.

"Ontvang, schoone Jonkvrouw," zeide hij, "het teeken uwer heerschappij, waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van

Anjou,--en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt,

ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te

vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen

onze hulde zullen bewijzen." Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische

moedertaal: "Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,--of om deel aan uw

feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken

slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij

danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging

voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen,

waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden

ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk." Dit zeggende,

nam hij de kroon op, en zette die op Rowena's hoofd, als een teeken, dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde.

"Wat zegt hij?" zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te

verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van

Cedric's gezegde werd hem in het Fransch herhaald. "Het is wel," zeide hij; "morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den troon geleiden.--Gij ten minste, heer Ridder," voegde hij er bij, zich tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan,

"zult heden mijn gast zijn?" De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op

zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid,

om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden.

"Het is wel," zei weer Prins Jan, op trotschen toon; "ofschoon ik niet gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd

zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door

den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid." Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg,

en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers.

Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen,

voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid

gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich

omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem

's morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden, die in de nabijheid stonden.--"Gij staat mij er met uw leven borg voor, dat die boer niet ontsnapt!" De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde

onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af

gekenmerkt had, en zei glimlachend: "Ik ben niet van plan, Ashby vóór overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire

en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood

en Charnwood moeten goede schutters leveren." "Ik zal zien," zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks te antwoorden, "hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem, zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!" "Het is hoog tijd," zei de Bracy, "dat de _outrecuidance_ [14] dezer boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!" Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet

den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen,

haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het

strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen.

Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de

verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder

talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad

Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel

gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen

waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren,

of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze

langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende,

met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan,

ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet

en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter.

Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde

den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de

aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf,

welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier

gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra

hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke

in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen,

en gissingen omtrent zijn persoon te maken.

Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats

vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door

de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle

richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde.

Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden,

die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende

den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de

half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen,

welke de toeschouwers hadden achtergelaten.

Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en

deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der

wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet

worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag

weder in orde te brengen, of te veranderen.

Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde

het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE