8-2 Beschuldigd van ketterij deel 2
En dan was er het geval van de kleine Thiess.
Dolf trof het kind wanhopig snikkend aan, te midden van een kring meisjes, die tevergeefs trachtten hem te troosten.
Hoe oud was Thiess? Misschien zeven, want hij miste een paar voortanden. In Dolfs eeuw zou hij een kleine, gelukkige jongen zijn, in de derde klas van de basisschool. Hier was hij een kruisvaarder, prijsgegeven aan alle wisselvalligheden van het klimaat, op weg naar Genua. Thiess jammerde of zijn hartje zou breken. Vragend keken de meisjes naar Rudolf van Amstelveen. Kon hij Thiess niet helpen?
‘Wat scheelt eraan?' vroeg Dolf, neerknielend bij het wanhopige kereltje. Het was moeilijk om uit het verhaal wijs te worden. Thiess snikte maar. Eindelijk begon Dolf te begrijpen wat er aan de hand was. Een paar grotere jongens hadden in een aanval van plaagzucht tegen het kereltje gezegd: ‘Pas maar op, zie je die bergen? Daar gaan we straks doorheen en daar lopen zulke beren rond en die gaan jou opvreten!' ‘Welke jongens?' vroeg Dolf woedend. ‘Ik zal ze streng straffen.' Het kind bedaarde enigszins en keek Dolf aan. Met zijn besmeurde wangen, natte ogen en piekhaar zag hij er aandoenlijk uit.
‘En de beren dan?' riep hij, blijk gevend van meedogenloze kinderlogica. De stoute jongens straffen vond hij prachtig, maar daarmee verhinderde je de beren niet om hem, kleine Thiess, op te vreten. Dolf, uit het veld geslagen, zuchtte. Het bestaan van wilde dieren ontkennen zou niets uitrichten. Het kind veiligheid en bescherming beloven was ook te vaag. En hij voelde hoe de angst van Thiess door de meisjes werd gedeeld.
Hij wist niet goed raad met het geval. Hulpzoekend keek hij rond en toen zag hij Leonardo.
‘Kom eens hier.' ‘Wat is er?' Leonardo leunde op zijn knots en keek verbaasd op de kinderen neer. ‘Narigheid?' ‘Leonardo, herhaal eens voor al deze kinderen wat je in de tent van Nicolaas hebt gezegd, je weet wel, op de avond dat we besloten over de Brenner te gaan.' ‘Wat heb ik toen gezegd?' ‘Over de beren, je weet wel.' ‘O dát.' Leonardo lachte. Hij streelde even over zijn formidabele knots, dempte zijn stem en fluisterde, lichtjes met de knots op de grond tikkend: ‘Met deze stevige vriend kan ik elke wilde beer de baas.' Het maakte op de kinderen een geweldige indruk. Ze keken naar de knots, toen naar Leonardo die in hun ogen groot, sterk en machtig was, ze zagen zijn kalme gezicht en rustige ogen - en slaakten een zucht van verlichting.
‘... en als er toch een beer komt,' vervolgde Leonardo, zacht en dreigend, ‘dan geef ik hem met deze knuppel zo'n geweldige dreun op zijn kop dat hij meteen omvalt - boem! Morsdood is hij dan. En ik trek hem zijn mooie vacht uit, met kop en al, en maak er een mantel van. Die mantel krijg jij, Thiess, en je zult als een koning in een berenpels de Witte Stad binnentrekken.' Kleine Thiess lachte door zijn tranen heen. Hij maakte met zijn korte armpjes maaiende bewegingen.
‘Hu, hu, hu, daar komt de beer. We slaan je dood, lelijke beer, we slaan je dood.' ‘Juist,' zei Leonardo, ‘dat doen we.' Thiess huppelde weg, nog altijd roepend: ‘Hu, hu, ik ben de beer, de grote bruine beer. Ik ga jullie opvreten.' In zijn kinderfantasie zag hij zich al, gehuld in berenhuid, de Saracenen uit Jeruzalem jagen.
Frank, met zijn honderden kleine leerlooiers, werkte zoals hij zelfs in de werkplaats van zijn vader nooit had gewerkt. Dolfs roestvrij stalen broodmes bewees onschatbare diensten bij het snijden van het leer. De vissers, die door hun veelvuldig verblijf in het water weke voeten hadden gekregen, kregen korte laarzen van hertenleer. Een eer waarop zij trots waren, want aan zijn schoeisel kon je nu onmiddellijk een visser herkennen. Dolfs twintigste-eeuwse stappers met onverwoestbare plastic zolen begonnen het langzamerhand toch te begeven. Het zou niet lang duren of ook hij zou moeten wennen aan pantoffels van konijnenvel. De wol van de schapen was verwerkt tot dertig warme wollen capes. Mariecke kreeg er ook een van.
En toen, aan de vooravond van hun vertrek en de grote tocht over het gebergte, beging Dolf weer een fout waarmee hij zich de woede van Anselmus en Nicolaas op de hals haalde.
Hij stelde voor de beide ossen te slachten.
‘Het zijn prachtige dieren,' sprak hij tot Nicolaas, ‘maar de reis door de bergen kunnen ze niet maken. Hun vlees kan nog gerookt worden vannacht, we zullen het onderweg hard nodig hebben.' Hij had de herdersjongen en de monnik midden in het kamp ontmoet en dit was hem plotseling ingevallen. Het speet hem dat hij er niet eerder aan had gedacht.
‘De ossen?' gilde Nicolaas schel. ‘Wou jij je vergrijpen aan mijn ossen?' Anselmus zei woedend: ‘Jij hebt niet het recht om over een geschenk van de aartsbisschop van Keulen te beslissen, Rudolf.' ‘Nee,' zei Dolf kalm. ‘Ik stel het ook alleen maar voor. Ik weet dat ze van Nicolaas zijn. Maar zelfs Nicolaas zal inzien dat ossen geen berggeiten zijn en ongetwijfeld meer last dan gemak zullen veroorzaken.' Vele kinderen merkten dat er weer onenigheid was ontstaan tussen de leiders en Rudolf van Amstelveen. Ze lieten hun werk in de steek en kwamen er nieuwsgierig omheen staan.
Dolf wees naar de ingang van de kloof, een kilometer achter het kamp. En daarna op de bergketen, die hoog en dreigend de kinderen overschaduwde.
‘Hoe wil je met die runderen daardoorheen trekken, Nicolaas?' vroeg hij.
Nicolaas verloor zijn geduld. ‘Rudolf van Amstelveen, altijd val je me lastig, altijd daag je me uit. Waarom? Wie is hier de leider, jij of ik! Jij zegt dat je de kinderen wilt helpen zo snel mogelijk in Jeruzalem te komen. Maar het enige dat je in werkelijkheid doet, is ons voortdurend oponthoud bezorgen. En wantrouwen zaaien.' ‘Juist,' viel Anselmus in. ‘Op een dag kom jij, een vreemdeling, zomaar uit de lucht vallen en je begint ons te commanderen. Ga terug naar waar je vandaan komt; wij hebben je niet nodig.' Dolf keek om. Hij ontdekte dat er honderden kinderen om hen heen stonden. Ze zeiden niets. Wat dachten ze van de woordenstrijd? Aan wiens kant stonden ze?
Hij richtte zich wat hoger op, wetend dat zijn lengte indruk maakte. Hij droeg die middag niets dan zijn gerafelde spijkerbroek. De zon had zijn lichaam gebruind, het zware werk had zijn spieren gestaald. Zijn gladde jongensgezicht had verbeten trekken gekregen. Dolf wist niet van zichzelf hoe hij eruitzag (als een jonge atleet). Hij vreesde dat hij op een haveloze bedelaar leek en nadelig afstak tegen de mooie witte Nicolaas en de keurige habijt van Anselmus.
‘Jullie hebben mij niet nodig - nee, dat heb ik gemerkt,' zei hij trots. ‘Wat hebben jullie gedaan om ervoor te zorgen dat de kinderen morgen veilig het gebergte kunnen binnentrekken? Hebben jullie gezorgd voor voedselvoorraden, voor kleding en schoeisel, voor wapens tegen de wilde dieren? Hebben jullie de kinderen ooit aangespoord tot enige voorzorgsmaatregel? Niets van dit alles hebben jullie gedaan. Bidden ja, dat deden jullie. Maar één gedachte wijden aan wat er ging komen, één keer vooruit denken om tegen de moeilijkheden opgewassen te zijn, dat hebben jullie nooit gedaan. Dat heb ik gedaan.' Steeds meer kinderen omringden hen. Fluisterend werden de nieuw aangekomenen ingelicht over de ruzie. Enkelen liepen weer angstig weg, maar de meesten verdrongen zich om geen woord te hoeven missen. Het waren in hoofdzaak meisjes en kleintjes. De vissers waren aan het meer, de jagers waren op jacht, Frank was met zijn leerlooiers naar de beek getrokken om huiden te reinigen. Ieder had zijn werk en deed dat met geestdrift. De knokploegen waren een halve kilometer verder aan het sprokkelen. Slechts de kookploegen waren thuis, samen met de hummels. En die kwamen nu aanlopen.
‘De kinderen hebben jou nooit nodig gehad, Rudolf van Amstelveen,' zei Nicolaas fier. ‘God waakt over ons, Hij zal ons voeden en ons de kracht geven alle beproevingen te doorstaan.' De kinderen rondom knikten vroom. Dolf wierp het hoofd in de nek: ‘Daarbij verlangt God ook van ons enige inspanning - en veel overleg,' zei hij koel. ‘Je spreekt als een ketter,' snauwde Anselmus. Eindelijk was het woord dat velen wekenlang op de lippen had gebrand, gevallen. Dolf zei roekeloos: ‘Probeer mij maar geen angst aan te jagen, Dom Anselmus, want dat zal u niet lukken. Ik heb maar één taak: de fouten die u maakt en die dodelijk zijn voor deze kinderen, weer recht te zetten. God weet dat ik het daar druk genoeg mee heb.' Nicolaas uitte een gesmoorde kreet van protest. Hij vond Rudolfs optreden onverdraaglijk. Anselmus stak bezwerend de handen op. ‘Een afgezant uit de hel ben je, Rudolf van Amstelveen. Jouw werk is kennelijk om ons op dwaalwegen te leiden en ons te verhinderen een heilige missie te volbrengen.' Ontzet deinsden de kinderen terug. In hun ogen las Dolf de angstige vraag: Rudolf een afgezant van de duivel?
Opeens drong het tot de jongen door dat hij in gevaar verkeerde. Eén bevel van Anselmus of van Nicolaas, en honderden in paniek gebrachte kinderen zouden zich op hem storten, hem aan stukken scheuren, zo klein als ze waren! Waar was Leonardo nu met zijn knots? Waar was Carolus? Waar waren al zijn vrienden en trouwe medewerkers? Bijtijds herinnerde hij zich zijn talisman. Snel greep hij de hanger met de Heilige Maagd en kuste de primitieve voorstelling.
De Heilige Moeder Maria beschermt mij, Dom Anselmus,' zei hij dreigend. ‘Ge kunt mij niet ongestraft beledigen.' ‘Laster niet, Rudolf! Heb jij niet in Rottweil met een oude jood gesjacherd en hem munten aangeboden, door de Duivel zelf geslagen?' Verroest, hoe weet hij dat nou weer? dacht Dolf verbijsterd. Die Anselmus moet over een goede inlichtingendienst beschikken.
‘En heb jij niet, door middel van toverij, onze onmisbare huifkar in vlammen doen opgaan, midden in de nacht?' vervolgde de monnik met harde stem. ‘En bezit je niet een mes dat gesmeed werd in de gloeiende diepten van de hel, zodat het niet kan roesten en nooit bot wordt?' Welja, laten ze me een duivel noemen omdat ik toevallig een goed broodmes heb meegebracht, dacht Dolf. Nog meer?
Schijnbaar onbewogen liet hij de beschuldigingen over zich heen komen. Zijn blik liet Dom Anselmus niet meer los. Maar diep in zijn hart groeide de angst.