A) Jonas gaat naar een verjaardagsfeestje.
Hij moet een cadeau kopen voor Marie.
Maar Jonas gaat niet vaak naar feestjes.
Hij is zenuwachtig en vraagt zich af wat hij moet kopen.
Marie houdt van juwelen, dieren en de kleur blauw.
Jonas gaat naar een juwelenwinkel.
Hij ziet een mooie zilveren halsketting.
Aan de halsketting hangt een blauwe kat.
Jonas is blij en koopt de halsketting.
Hij hoopt dat Marie de halsketting mooi zal vinden.
B) Ik ga naar een verjaardagsfeestje.
Ik moet een cadeau kopen voor Marie.
Maar ik ga niet vaak naar feestjes.
Ik ben zenuwachtig en vraag me af wat ik moet kopen.
Marie houdt van juwelen, dieren en de kleur blauw.
Ik ga naar een juwelenwinkel.
Ik zie een mooie zilveren halsketting.
Aan de halsketting hangt een blauwe kat.
Ik ben blij en koop de halsketting.
Ik hoop dat Marie de halsketting mooi zal vinden.
Vragen:
Een : Jonas gaat naar het verjaardagsfeestje van Marie.
Gaat Jonas naar een verjaardagsfeestje?
Ja, Jonas gaat naar het verjaardagsfeestje van Marie.
Twee : Jonas gaat niet vaak naar feestjes, dus hij is zenuwachtig.
Gaat Jonas vaak naar feestjes?
Nee, Jonas gaat niet vaak naar feestjes, dus hij is zenuwachtig.
Drie : Marie houdt van dieren en de kleur blauw.
Houdt Marie van dieren?
Ja, Marie houdt van dieren en ze houdt ook van de kleur blauw.
Vier : Jonas gaat naar een juwelenwinkel.
Gaat Marie naar een juwelwinkel?
Nee, Marie gaat niet naar een juwelenwinkel, maar Jonas wel.
Vijf : Jonas ziet een zilveren halsketting.
Ziet Jonas een zilveren ring?
Nee, hij ziet een zilveren halsketting, geen ring.
Zes : De halsketting is van zilver.
Is de halsketting van zilver of van goud?
De halsketting is van zilver, niet van goud.
Zeven : Aan de halsketting hangt een blauwe kat.
Hangt er een paarse kat aan de halsketting?
Nee, er hangt geen paarse kat aan.
Er hangt een blauwe kat aan de halsketting.
Acht : Jonas koopt de halsketting omdat hij hoopt dat Marie haar mooi zal vinden.
Koopt Jonas de halsketting?
Ja, hij koopt de halsketting omdat hij hoopt dat Marie haar mooi zal vinden.