×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

Zielenschemering [part 1], Hoofdstuk 9 (1)

Hoofdstuk 9 (1)

De oude mevrouw Van Lowe had te Nunspeet voor enkele weken een kleine villa gemeubeleerd gehuurd en er zich geïnstalleerd met Adeline en haar blonde troepje. Zij had dicht bij Ernst willen zijn, en de doktoren hadden er niet op tegen gehad, dat zij te Nunspeet kwam, en zelfs, dat zij hem een enkelen keer zag: er was van een izolatie-kuur geen sprake; integendeel was de zieke altijd te eenzaam steeds geweest en een sympathiesch werken, tegen zijn menschenschuwte in, zoû zelfs weldadig kunnen zijn.

Gerrit, een enkelen keer, uit Den Haag, kwam over. Maar er was nauwlijks plaats voor hem in het kleine villa-tje, dat de kinderen al heelemaal met hunne bedjes vulden, en ook deed het hem stil verdriet, dat Ernst van hem een afkeer had. En als hij terug was in Den Haag, alleen in zijn huis, peinsde hij er over, over hun verschil, en over hun overeenkomst: Ernst, behoorende tot de donkere Van Lowe's - het bloed van papa; hij, als Constance, Paul, tot de blonde, het bloed van mama - hun oogen allen heel zwart of minstens donkerbruin, met dien een beetje harden kralenblik. Maar wat hem heel zonderling werd, was, dat hij wel iets begreep, waarom Ernst zoo was geworden - een beetje vreemd noemde hij het: niets meer - terwijl Ernst klaarduidelijk niets van hemzelven zag, hem niet anders zag dan een natuur, geheel antipathiek aan de zijne: zeker zijn blonde spier- en schijnkracht, die antipathiek was aan Ernsts uitgezenuwde ziekelijkheid van schuwen man van eenzaam leven en eenzaam lezen... Maar zag wel iemand hem, Gerrit, werkelijk zoo als hij was? En was het zoo niet altijd geweest van kind, van jongen, van jongen man af... Het gaf hem een weemoedige veiligheid, dezer dagen, die hij eenzaam leefde; leven, alleen gevuld door zijn dienst, nu hij was ritmeester van de week, nu hij al heel vroeg, van zes tot zeven, gedurende den staltijd toezag op het poetsen der paarden, het schoonmaken van de stallen, de paarden meer tellende nog dan de manschappen, en meer gevende, hij de huzaar, om een zuivere, frissche stal, met de zuivere, frissche paljas van strooi voor de beesten, dan of de chambrée wel in orde was... Waren de beesten dan gedrenkt en gevoerd, het uitrukken met zijn escadron - exercities, schijfschieten, of velddienst - na terugkomst, het rapport gehouden en de zaken afgedaan op het escadronsbureau... Zoo was zijn morgen geheel gevuld, en hij dacht nauwlijks na, in de oefening van die plichtjes, die dierbaar hem waren, en de officieren van de week zagen hem als zij hem altijd zagen: de groote, blonde, sterke kerel, de Germaan, de beweging brusk, met de karwats tikkende tegen de rijlaar- zen, de borst breed in de uniform, door de tressen rood gestriemd, zijn woord luid en brutaal, met een klank van goedigheid onder blague, zijn stap flink haastig als van handelende kracht... Anders van hem zagen officieren nog manschappen, en hijzelve, gedurende dien tijd, was die hij scheen, voor zichzelven ook... Maar dan at hij thuis, alleen nu, vlug zijn boterham, en bereed hij zijn tweede paard, voor hij 's avonds op nieuw naar de kazerne ging, om weêr bij het voeren der paarden aanwezig te zijn. En het was gedurende die middagrust, dat hij meestal eenzame wegen zocht, waar hij geen kameraden ontmoette; het was gedurende die middagrust, dat de eenzaamheid geheel om hem heen was, en dat hij zichzelven anders zag en voelde, dan hij scheen voor wie ook die hem kende, - voor zichzelven zelfs ook anders... Hij zag zich terug, kleine jongen in Indië, spelen met zijn zuster, Constance in witte baadje, roode bloemen aan de slapen, op de groote steenen in de rivier achter het paleis te Buitenzorg... Er waren in die herinnering voor hem teederheden gebleven, die hem weemoedig maakten, waarom wist hij niet... Dan zag hij zich ouder, een paar jaren, en verliefd, altijd verliefd, met de ernstige verliefdheden van Indische schooljongens voor meisjes van hun leeftijd, vroegrijpe nonna-nufjes, die al zoo heel gauw weten, dat zij vrouw en bekoorlijk zijn voor de, onder de brandende zon, al zoo heel gauw tot man rijpende jongens. Hij, hij was altijd verliefd geweest, soms verliefd met de poëzie van het sprookje, dat hem verhaalde zijn zusje Constance, maar meer nog verliefd met zijn gretigen mond en zijn gretige handen: verliefd met de gulzige zinnen van zijn groeiend en bloeiend lichaam, lichaam van schooljongen en jongen man tegelijk... O, hij lachte nu nog om de souvenirs: hij zag nu nog de school voor zich en, in het speeluur, het listige spieden tusschen het riet aan den sloot naar de karretjes van de schoolmeisjes; de jonge nonna-vrouwtjes, die, in haar witte baadjes, uitgluurden tusschen de zeildoeken van het wagentje; de jongens den zoen gegooid naar haar toe met trillende vingers, de meisjes terug den zoen gegooid naar de jongensminnaars in het riet... En de afspraakjes, in de groote, donkere tuinen; het branden en gloeien op de kinderborst, o hij herinnerde het zich alles... en hij zag, als hij eenzaam reed, hoewel hij nu lachte met den lach van zijn leeftijd - alle de meisjes voor zich, op wie hij verliefd was geweest, hij schooljongen, te Buitenzorg...

Een mooi fijn bleek blond meisje, maar daarna al heel gauw de purperen lachlippen van een kind, dat - dertien jaren - al vrouw was, met haar rijpe buste en haar dolle zwarte kroeshaar - en daarna verliefdheid op verliefdheid... Ook herinnerde hij zich in de bergen, op een koffieland, de jonge vrouw van maar even twintig, die hem, jongen van vijftien, in haar armen had genomen, en haar omhelzing niet had geslaakt voor hij man was... Zij had het hem geleerd, het geheim, dat broeide in zijn bloed, dat klopte in zijn aderen, dat bloosde naar zijn wangen, en dat hem den adem benam, zoodra hij naderde wat vrouw was: het geheim, dat de jongen wel wist van weten, maar niet van ondervinding. En sedert zij het hem geleerd had, was in hem geweest als een gezonde hysterie, als een groote zinnelijkheid, een groote lijfslust van zijn opkrachtende lichaam; een overmate van krachtigheid, die zich verspillen moest; hij naderde geen vrouw meer, of het was vlug de snelle opname, van haar armen, haar wieggang, haar buste, haar blikken en lachen; als hij haar op straat voorbij ging, even het vlugge omkijken en de geheele silhouet als lichtbeeld gedrukt in zijn zinnelijk verbeelden, tot de volgende vrouw, ontmoet, het vervaagde met haàr laatsten afdruk. En, jonge man in Holland, kadet te Breda, had de lustbehoefte zich zoo ontwikkeld, dat zij geweest was als eén groote obsessie, of het een dorst was onleschbaar, voor zijn jonge broeiende mannezinnen; jong officier, was het daarna geweest de eene vlugge lustliefde na de andere, het lachende genot genomen met al de zorgeloosheid van een jongen overwinnaar. Zijn sterk gestel, een plegen van hygiene, had hem straffeloos zoo kunnen doen overwinnen, jaren lang, maar toch, toen was het al dikwijls bij hem geweest een zoo plotse neêrslag in stil geheime moedeloosheid, als werd het alles zwart voor hem, noodeloos, nutteloos en dreigend somber. Niemand van zijn kameraden, die het zag; niemand van broêrs of zusters. Vertoonde hij zich den zelfden dag, hij was de brusk joviale officier, groot, blond, breed, luidruchtig, de blague in de stem, de vrouwewaardeering in zijn bruine, zoekende oogen op en neêrgaande, en doende de opname in een moment. Maar, geheim, was er in hem een zoo groote ontevredenheid om zichzelven, dat hij dacht, zoodra hij alleen was: - O God, wat een beroerd, misselijk leven...

Dan gooide hij zich neêr op een divan onder de panoplie van zijn wapens, en bedacht of het nu was omdat hij gisteren had champagne gedronken, of dat het was om iets anders... iets anders... vreemde ontevredenheid. Hij wist het niet, maar hij besloot, praktiesch, dat hij niet tegen champagne kon en dat verdomde schuim niet meer zoû drinken. En ook heelemaal niet veel zoû drinken, geen bier, geen borrel, want het steeg hem, dadelijk, als met een golf van bloed naar zijn slapen en klopte daar, dol. En zoo was het een geheime matigheid, waarover hij nooit sprak, en die hij zoo listig berekende, dat zijn vrienden wel wisten, dat hij geen groot drinker was, maar niet wisten, dat hij in het geheel niet kon een borrel verdragen. Soms, ging het woest toe, liet hij zich inschenken, gooide het glas uit onder tafel, of brak het opzettelijk, gooide het om. Dat smerige drinken maakte hem dol; dat andere, integendeel, maakte hem kalm, koel, helder in zijn bloed en in zijn hersenen. Na het drinken vooral voelde hij zich moedeloos, na dat andere voelde hij zich, of hij weêr een nieuw leven begon. Zoo was hij als jong officier, zoo was hij jaren lang in Deventer, Venlo, Den Haag, en zijn plotse ruwe opwellingen - meer van drieste vroolijkheid dan van drift - hadden hem dien naam van bruut gegeven: een ruit, ingestompt zonder de minste aanleiding; een twist met een vriend, zonder aanleiding; een duel geprovoceerd, om niets, en dan bijgelegd met heel veel moeite, door de kameraden: een behoefte om soms als een dolle te gaan door huizen en menschen, en er te vernielen en stuk te slaan, meer uit brute opwelling van zich-laten-gaan en vroolijkheid, dan van drift. Was hij driftig, dan zag hij zichzelven in zijn drift; iets van goedigheid weêrhield hem werkelijk driftig te worden: alleen zijne dolheid kon hem ver doen gaan, zich laten meêsleepen door een vreemde dronkenschap; die zelfde dronkenschap, die hij voelde te paard, als hij meêdeed in een gentlemen-race... Iets om maar te razen, te razen, en ver te gaan, en wat onder hem was te vertrappen, niet uit kwaadheid, maar uit dolheid. Ook dat koelde hem, maakte hem kalm en helder: het was alleen dat beroerde drinken: dàt, dat maakte hem dol.

Maar wat ouder, werd hij wat kalmer, stilde zijn lijfslust zich zoo, dat hem voldeed een kalme betrekking, met een vrouwtje, dat hij geregeld opzocht; en plotseling, in zijn geheime buien van somberheid en zwart, was het tot hem gekomen, dat hij trouwen moest, dat het dat beroerde alleen-op-kamers-wonen was, dat hem zoo ontevreden deed zijn met zijn leven, stil voor zichzelven om de kameraden niet te laten merken vreemde dingen, die zij gek zouden vinden, en waarover ook hij, eigenlijk, zich schaamde. En als hij dan stil lag, onder de panoplie, dacht hij: ja, trouwen, een lief vrouwtje, en dan kinderen, veel kinderen... je niet zoo verspillen voor niets, maar kinderen... God, God, wat was dat lief... een troep kinderen zoo om je heen... Wat goedig in hem was, en vriendelijk, en zelfs heel diep poëtisch, zelfs heèl diep sentimenteel, deed hem dan dwepen, onder de panoplie, de groote sterke kerel, onder wien kraakte de divan; ja, een lief vrouwtje... en kindertjes, veel kindertjes... God God, wat is dat lief! Een heele troep: niet twee of drie, maar een troep, een troèp... hij glimlachte er om: het was na zijn woelige jonge jaren een prettig perspectief: een aardig huisje, een interieur, een lief vrouwtje, kinderen... Hij had er met zijn moeder over gesproken, en zij, ze was verrukt, omdat zij al lang had gevonden, dat hij had moeten trouwen... Hij was nu al midden dertig; ja, heusch, trouwen was goed... En zij had met hem gezocht, en zij had Adeline voor hem gevonden: een goede familie van Fransche origine - relaties in Indië, wat altijd sympatiek was - geen geld, maar de Van Lowe's zagen nooit op geld, ook al hadden zij het zelve niet zoo heel veel, betrekkelijk, in een lachende minachting voor het slijk der aarde, dat zij toch maar heel goed gebruiken konden; een lief meisje, Adeline, jong - zij scheelde met haar man dertien jaren - blond en placide, een moedertje al als meisje... En Gerrit, hoewel vlug voor hem andere vrouwen, andere meisjes waren voor zijn oog gegaan, had gevonden: nu ja, wel wat een doezeltje, maar voor je vrouw wil je een ander type dan voor je maîtresse, en ze was toch molligjes en rondjes, zoo een rond balletje al als meisje, gezellig om te knuffelen, al was ze wat klein en al miste haar figuur sterk de lijnen, die hem troebleerden in zijn bloed. Verliefd was hij geen oogenblik op Adeline geworden, maar hij had in haar juist gezien: zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen; het troepje, waarnaar hij verlangde, omdat het zoo jammer was, gemeen bijna, je zoo te verspillen voor niets, vooral als je wat ouder en kalmer werd... Hij zoû een gezond vrouwtje hebben in Adeline; hij zoû van haar een gezond troepje hebben... Zij, placide, ze had hem lief gekregen, eenvoudig-weg, omdat hij groot en mooi was, en omdat hij haar - een meisje zonder geld - een eenvoudige pozitie bood. En zij waren getrouwd en zij woonden nog altijd in het zelfde huisje, niet groot, maar toch ruim genoeg, om, wat Gerrit dadelijk voorzien had, den eenen wereldburger na de andere te bergen.

Nu vond hij het beroerd alleen te zijn, en toen mama Adeline en de kinderen had geïnviteerd in de kleine villa te Nunspeet, had hij gebromd, dat ze hem alleen lieten, maar hij had toegegeven: een paar weken buitenleven zoû gezond voor de vrouw en de kinderen zijn, en een enkelen Zondag wipte hij over naar Nunspeet. Maar de eenzaamheid deed hem niet goed en zijn plotseling uitgestorven huis deed een stille somberheid op hem drukken, zoo zwaar, dat hij ze maar niet van zich af kon gooien: een beroerd zwaar gewicht, dat drukte op zijn keel... Daarbij kwam, dat, om niet 's avonds alleen te zijn, hij zich door de kameraden, aan wier tafel hij dezer dagen meêdineerde, verleiden liet meê te gaan... een borrel met hen te drinken in de Witte... en het waren die verdomde borrels, die hem knakten, hem eenvoudig knakten... Niet later dan eén uur kwam hij thuis, maar hij voelde zich na den borrel, alsof hij een orgie had meê gevierd, - hij kon niet slapen - sliep hij eindelijk in, dan werd hij telkens wakker, zijn hart klopte als dol op naar zijn slapen, hij draaide zich om en draaide zich om, hij waschte zijn gezicht en zijn polsen, hij legde zich neêr, nam eindelijk heelemaal een douche, maakte zich dan klein in zijn bed, de knieën als een kind opgetrokken; hij stopte de dekens in zijn ooren, hij verstopte zijn horloge, dat tikte, om het niet op zijn gehoorvlies al luider en luider hameren te hooren, en sliep hij eindelijk in, dat ontwaakte hij in den vroegen morgen; en geheele landschappen van nevelige bergen drukten op zijne hersenen, als was zijn arme kop, de kop van een Atlas, die hield den aardbol op zijn nek: het waren tergend langzaam rollende rotslawine's, die brokkelden langs zijn ruggegraat, en, de beenen wijd-uit in zijn bed, voelde hij zich zoo door die wakende nachtmerrie neêrgedrukt, als zoû hij tot opstaan geen beweging doen kunnen, als zoû hij zijn pink niet verroeren kunnen. Dan, eindelijk, kreunende, stond hij op en al vloe- kende: verdomde borrel, verdomde borrel, nam hij zijn bad, werkte met zijn halters, vol bewondering en verwondering om zijn machtige armen en denkende naïf: als hij zoo sterk was van spieren, waarom kòn hij dan niet tegen een borrel... Hij zag naar zijn armen dan met de glimlachende ijdelheid van een vrouw op haar mooie vormen, en hoewel zijn oogleden nog zwaar rond hingen, te moê om op te plooien, week onder het water en de beweging de wakende nachtmerrie weg, en stegen de nevelige bergen al hooger en hooger op in verdwijnende ver-ijling en de rotslawine prikkelde nog maar heel even met een laatsten gruizelregen zijn rug. Dan was hij wel weêr de oude; zijn ordonnans wachtte hem vóor de deur met zijn paard; in de kazerne was hij de vlijtige ritmeester, die zorgvuldig zijn dienst verrichtte: niemand van de officieren, die iets aan hem zag...

Maar niettegenstaande zijn kameraden, was een eenzaamheid om hem en in hem; iets, dat hem drukte; iets, dat hem ontzette... Wat was het nu: was hij ziek of had hij het land? vroeg hij zich af. Bedonderd waren die stemmingen, die jezelf maar niet begreep. Was hij ziek, of had hij het land? Was het de worm, die wroette met pooten in zijn body en opat zijn merg, of vond hij het heel beroerd, dat zijn vrouw en zijn kinderen weg waren... Het woelde bij hem dooreen: de beroerdheid en de worm... Soms werd het hem zoo een obsessie, dat, op zijn middagrit, hij zijn paard liet hollen in den wilde, en dat hij voor zijn oogen het wemelen zag in den blinde... Dan dacht hij aan Ernst, en hij had medelijden met den armen jongen! Wat was dat toch gek, ziekte van ziel, en zoû hij... zoû hij zelf niet ziek zijn... in zijn ziel... of minstens in zijn lichaam... Tegen wie hij dien twijfel ook geopperd had, niemand, die hem zoû hebben geloofd... Hij was uiterlijk zoo een stevige kerel, zoo een bruut... Als ze maar eens van binnen kijken konden... De ellendige worm wroette de laatste dagen met pooten, met duizende pooten rond in zijn body, liet hem maar niet met rust... Was het nu een raar gevoel... was het een zinsbegoocheling als de hallucinatie van Ernst... of zoû het waarachtig een dier zijn... Neen, dat was te gek: een dier was het niet... Toch herinnerde hij zich verhalen van menschen, die altijd hoofdpijn hadden, hoofdpijn, die niets kon genezen, en na hun dood had men in hunne hersenen een nest gevonden van oorwurmen, wrieme- lend... Verbeeld je, dat het een dier was! Maar het was geen dier, het was geen dier: hij noemde het alleen een worm, een duizendpoot, omdat dat teekende het beroerde gevoel... Zoû hij eens gaan naar een dokter, een knappen professor in Amsterdam... Maar wat zoû hij zeggen... Dokter, ik heb in mijn body een gevoel als een wriemelende duizendpoot... En de dokter zoû hem zich uitkleeden laten en zijn body zien, nog jong, frisch, niettegenstaande zijn vroegere zware leven, onderhouden de spieren, de gewrichten buigzaam, de borst breed, en de longen ruim, en hij zoû hem aanzien en denken... hij zoû denken... de professor... dat hij... dat hij gek was...! Hij zoû informeeren naar broêrs en zusters... en hij zoû willen gaan naar Ernst... en allerlei geleerde gevolgtrekkingen zoû hij maken, de knappe professor... Neen, hij vertikte het: hij ging niet naar een dokter: hij zoû zich schamen te zeggen: professor, ik heb in mijn body een gevoel als een wriemelende duizendpoot... Hij zoû zich schamen, hij zoû zich schamen... Of zeggen: dokter, ik kan niet tegen een borrel... Nu, ritmeester, zoû de dokter zeggen: dan moet je maar geen borrel drinken... Neen, wat zoû het geven, een dok- ter, of zelfs een professor... Hij deed het niet, hij deed het niet... Het beste was maar matig te zijn; zeker, geen borrel te drinken... en dan flink te zijn tegen het verdomde gevoel in; kom, hij was toch geen meid! en er maar niet aan te denken, er maar niet aan te denken... Wat verstrooiïng moest hij hebben: hij leefde dezer dagen zoo eenzaam... En in die eenzaamheid - zonder zijn vrouw en zonder zijn kinderen - dacht hij in het diep sentimenteele, dat zich verborg in zijn geheimste, aan het vriendelijk troostende, dat in familie zoû zijn... De familie... Maar wat verspreidde ze zich! Het troepje van Bertha, geheel gespat uit elkaâr... De anderen hield mama toch nog altijd te samen en de Zondag-avond, dat was maar een goede instelling... van mama... Hij liep dus eens aan bij Karel en Cateau, tegen etenstijd, hopende, dat zij hem vragen zouden, en dat hij nu eens niet altijd met de kameraden aan de officierstafel zoû behoeven te eten... maar zij vroegen hem niet, en bij zessen, bijna verlegen, hief Gerrit zijn groote lichaam zwaar op uit zijn stoel en hij ging naar de tafel, en de kameraden, en hij dacht, dat Karel en Cateau langzamerhand geheel en al vreemden waren geworden... En hoewel hij niet dweepte met Adolfine, deed hij laagheden, inviteerde zich er zelven en bleef er den avond hangen en hij moest zich bekennen, dat Adolfine, in haar eigen huis, waarachtig nog het beste was, en dat de avond nog zoo heel ongezellig niet was voorbijgegaan. Constance was nu eens te Baarn, dan eens te Nunspeet; Van der Welcke was op reis - maar tante Ruyvenaer was in Den Haag - oom was naar Indië, - en tante Lot was toch maar altijd leuk:

- Ja... Herrit... Ghoede neus heb jij gehad om te komen, ja... Wij hebben nassi... Jij blijft eten, eenvoudigh maar, ja... Herrit.

Hij nam met dankbaarheid aan, voelde zich in eens warm gestreeld van binnen, waar eenzaamheid iets kouds in hem toe-vroor... Ja, hij bleef eten; hij hield van de Indiesche rijsttafel, zooals tante en Toetie die klaar maakten, en in stilte was hij blij, dat oom er van door was, want hij hield niet van oom. In het ruime huis van tante was een zekere leukheid, die hem heerlijk streelde en hem bijna week maakte, als dreef er een aroom van Java rond, dat hem herinnerde zijn kinderjaren... Het huis was vol Japansch porcelein, er stonden opgezette paradijsvogels, er was onder een groote vierkante stolp een geheele passer - poppetjes als speelgoed: kleine warongs, kleine veestapels - er hingen Indische wapens; in tante's serre lagen matten op den grond, als in Indië - en Alima, al was ze Europeesch gekleed, vond Gerrit prettig te plagen, en hij betreurde het alleen, dat zij niet latta was, omdat hem dat herinnerde de latta meiden, die hij, kind, in Indië plaagde:

- Boeang, baboe; baboe, boeang!

En uit het Japansch porcelein, de paradijsvogels en de passer steeg altijd die zelfde aroom, door het heele huis dreef de aroom: iets van akar-wangi en sandelhout, en als tante rijsttafel maakte en Alima liep van de provizie-kamer naar de keuken met een mand vol flesschen met Indiesche kruiden, voelde Gerrit het water op zijn lippen komen:

- Tante, gaan we weêr smullen!

- Allah dan toch, die Herrit! juichte tante Lot, ontzettend zwaar, met haar cascadeerenden boezem zonder corset, thuis; in de ooren brillanten als kanjers; allah dan tòch, die Herrit, hij vermoordt zijn vader voor nassi!

En tante verheerlijkte: tante, bewegelijk geworden Hindoeidool, liep van keuken naar kelder en provizie-kamer... Toetie liep ook...


Hoofdstuk 9 (1)

De oude mevrouw Van Lowe had te Nunspeet voor enkele weken een kleine villa gemeubeleerd gehuurd en er zich geïnstalleerd met Adeline en haar blonde troepje. Zij had dicht bij Ernst willen zijn, en de doktoren hadden er niet op tegen gehad, dat zij te Nunspeet   kwam, en zelfs, dat zij hem een enkelen keer zag: er was van een izolatie-kuur geen sprake; integendeel was de zieke altijd te eenzaam steeds geweest en een sympathiesch werken, tegen zijn menschenschuwte in, zoû zelfs weldadig kunnen zijn.

Gerrit, een enkelen keer, uit Den Haag, kwam over. Maar er was nauwlijks plaats voor hem in het kleine villa-tje, dat de kinderen al heelemaal met hunne bedjes vulden, en ook deed het hem stil verdriet, dat Ernst van hem een afkeer had. En als hij terug was in Den Haag, alleen in zijn huis, peinsde hij er over, over hun verschil, en over hun overeenkomst: Ernst, behoorende tot de donkere Van Lowe's - het bloed van papa; hij, als Constance, Paul, tot de blonde, het bloed van mama - hun oogen allen heel zwart of minstens donkerbruin, met dien een beetje harden kralenblik. Maar wat hem heel zonderling werd, was, dat hij wel iets begreep, waarom Ernst zoo was geworden - een beetje vreemd noemde hij het: niets meer - terwijl Ernst klaarduidelijk niets van hemzelven zag, hem niet anders zag dan een natuur, geheel antipathiek aan de zijne: zeker zijn blonde spier- en schijnkracht, die antipathiek was aan Ernsts   uitgezenuwde ziekelijkheid van schuwen man van eenzaam leven en eenzaam lezen... Maar zag wel iemand hem, Gerrit, werkelijk zoo als hij was? En was het zoo niet altijd geweest van kind, van jongen, van jongen man af... Het gaf hem een weemoedige veiligheid, dezer dagen, die hij eenzaam leefde; leven, alleen gevuld door zijn dienst, nu hij was ritmeester van de week, nu hij al heel vroeg, van zes tot zeven, gedurende den staltijd toezag op het poetsen der paarden, het schoonmaken van de stallen, de paarden meer tellende nog dan de manschappen, en meer gevende, hij de huzaar, om een zuivere, frissche stal, met de zuivere, frissche paljas van strooi voor de beesten, dan of de chambrée wel in orde was... Waren de beesten dan gedrenkt en gevoerd, het uitrukken met zijn escadron - exercities, schijfschieten, of velddienst - na terugkomst, het rapport gehouden en de zaken afgedaan op het escadronsbureau... Zoo was zijn morgen geheel gevuld, en hij dacht nauwlijks na, in de oefening van die plichtjes, die dierbaar hem waren, en de officieren van de week zagen hem als zij hem altijd zagen: de groote, blonde, sterke kerel, de Germaan, de beweging brusk, met de karwats tikkende tegen de rijlaar-   zen, de borst breed in de uniform, door de tressen rood gestriemd, zijn woord luid en brutaal, met een klank van goedigheid onder blague, zijn stap flink haastig als van handelende kracht... Anders van hem zagen officieren nog manschappen, en hijzelve, gedurende dien tijd, was die hij scheen, voor zichzelven ook... Maar dan at hij thuis, alleen nu, vlug zijn boterham, en bereed hij zijn tweede paard, voor hij 's avonds op nieuw naar de kazerne ging, om weêr bij het voeren der paarden aanwezig te zijn. En het was gedurende die middagrust, dat hij meestal eenzame wegen zocht, waar hij geen kameraden ontmoette; het was gedurende die middagrust, dat de eenzaamheid geheel om hem heen was, en dat hij zichzelven anders zag en voelde, dan hij scheen voor wie ook die hem kende, - voor zichzelven zelfs ook anders... Hij zag zich terug, kleine jongen in Indië, spelen met zijn zuster, Constance in witte baadje, roode bloemen aan de slapen, op de groote steenen in de rivier achter het paleis te Buitenzorg... Er waren in die herinnering voor hem teederheden gebleven, die hem weemoedig maakten, waarom wist hij niet... Dan zag hij zich ouder, een paar jaren, en verliefd, altijd verliefd, met de   ernstige verliefdheden van Indische schooljongens voor meisjes van hun leeftijd, vroegrijpe nonna-nufjes, die al zoo heel gauw weten, dat zij vrouw en bekoorlijk zijn voor de, onder de brandende zon, al zoo heel gauw tot man rijpende jongens. Hij, hij was altijd verliefd geweest, soms verliefd met de poëzie van het sprookje, dat hem verhaalde zijn zusje Constance, maar meer nog verliefd met zijn gretigen mond en zijn gretige handen: verliefd met de gulzige zinnen van zijn groeiend en bloeiend lichaam, lichaam van schooljongen en jongen man tegelijk... O, hij lachte nu nog om de souvenirs: hij zag nu nog de school voor zich en, in het speeluur, het listige spieden tusschen het riet aan den sloot naar de karretjes van de schoolmeisjes; de jonge nonna-vrouwtjes, die, in haar witte baadjes, uitgluurden tusschen de zeildoeken van het wagentje; de jongens den zoen gegooid naar haar toe met trillende vingers, de meisjes terug den zoen gegooid naar de jongensminnaars in het riet... En de afspraakjes, in de groote, donkere tuinen; het branden en gloeien op de kinderborst, o hij herinnerde het zich alles... en hij zag, als hij eenzaam reed, hoewel hij nu lachte met den lach van zijn leeftijd - alle de meisjes voor   zich, op wie hij verliefd was geweest, hij schooljongen, te Buitenzorg...

Een mooi fijn bleek blond meisje, maar daarna al heel gauw de purperen lachlippen van een kind, dat - dertien jaren - al vrouw was, met haar rijpe buste en haar dolle zwarte kroeshaar - en daarna verliefdheid op verliefdheid... Ook herinnerde hij zich in de bergen, op een koffieland, de jonge vrouw van maar even twintig, die hem, jongen van vijftien, in haar armen had genomen, en haar omhelzing niet had geslaakt voor hij man was... Zij had het hem geleerd, het geheim, dat broeide in zijn bloed, dat klopte in zijn aderen, dat bloosde naar zijn wangen, en dat hem den adem benam, zoodra hij naderde wat vrouw was: het geheim, dat de jongen wel wist van weten, maar niet van ondervinding. En sedert zij het hem geleerd had, was in hem geweest als een gezonde hysterie, als een groote zinnelijkheid, een groote lijfslust van zijn opkrachtende lichaam; een overmate van krachtigheid, die zich verspillen moest; hij naderde geen vrouw meer, of het was vlug de snelle opname, van haar armen, haar wieggang, haar buste, haar blikken en lachen; als hij haar op straat voorbij ging, even het vlugge omkijken en de   geheele silhouet als lichtbeeld gedrukt in zijn zinnelijk verbeelden, tot de volgende vrouw, ontmoet, het vervaagde met haàr laatsten afdruk. En, jonge man in Holland, kadet te Breda, had de lustbehoefte zich zoo ontwikkeld, dat zij geweest was als eén groote obsessie, of het een dorst was onleschbaar, voor zijn jonge broeiende mannezinnen; jong officier, was het daarna geweest de eene vlugge lustliefde na de andere, het lachende genot genomen met al de zorgeloosheid van een jongen overwinnaar. Zijn sterk gestel, een plegen van hygiene, had hem straffeloos zoo kunnen doen overwinnen, jaren lang, maar toch, toen was het al dikwijls bij hem geweest een zoo plotse neêrslag in stil geheime moedeloosheid, als werd het alles zwart voor hem, noodeloos, nutteloos en dreigend somber. Niemand van zijn kameraden, die het zag; niemand van broêrs of zusters. Vertoonde hij zich den zelfden dag, hij was de brusk joviale officier, groot, blond, breed, luidruchtig, de blague in de stem, de vrouwewaardeering in zijn bruine, zoekende oogen op en neêrgaande, en doende de opname in een moment. Maar, geheim, was er in hem een zoo groote ontevredenheid om zichzelven, dat hij dacht, zoodra hij alleen was:   - O God, wat een beroerd, misselijk leven...

Dan gooide hij zich neêr op een divan onder de panoplie van zijn wapens, en bedacht of het nu was omdat hij gisteren had champagne gedronken, of dat het was om iets anders... iets anders... vreemde ontevredenheid. Hij wist het niet, maar hij besloot, praktiesch, dat hij niet tegen champagne kon en dat verdomde schuim niet meer zoû drinken. En ook heelemaal niet veel zoû drinken, geen bier, geen borrel, want het steeg hem, dadelijk, als met een golf van bloed naar zijn slapen en klopte daar, dol. En zoo was het een geheime matigheid, waarover hij nooit sprak, en die hij zoo listig berekende, dat zijn vrienden wel wisten, dat hij geen groot drinker was, maar niet wisten, dat hij in het geheel niet kon een borrel verdragen. Soms, ging het woest toe, liet hij zich inschenken, gooide het glas uit onder tafel, of brak het opzettelijk, gooide het om. Dat smerige drinken maakte hem dol; dat andere, integendeel, maakte hem kalm, koel, helder in zijn bloed en in zijn hersenen. Na het drinken vooral voelde hij zich moedeloos, na dat andere voelde hij zich, of hij weêr een nieuw leven begon. Zoo was hij als jong officier, zoo was hij jaren lang in Deventer,   Venlo, Den Haag, en zijn plotse ruwe opwellingen - meer van drieste vroolijkheid dan van drift - hadden hem dien naam van bruut gegeven: een ruit, ingestompt zonder de minste aanleiding; een twist met een vriend, zonder aanleiding; een duel geprovoceerd, om niets, en dan bijgelegd met heel veel moeite, door de kameraden: een behoefte om soms als een dolle te gaan door huizen en menschen, en er te vernielen en stuk te slaan, meer uit brute opwelling van zich-laten-gaan en vroolijkheid, dan van drift. Was hij driftig, dan zag hij zichzelven in zijn drift; iets van goedigheid weêrhield hem werkelijk driftig te worden: alleen zijne dolheid kon hem ver doen gaan, zich laten meêsleepen door een vreemde dronkenschap; die zelfde dronkenschap, die hij voelde te paard, als hij meêdeed in een gentlemen-race... Iets om maar te razen, te razen, en ver te gaan, en wat onder hem was te vertrappen, niet uit kwaadheid, maar uit dolheid. Ook dat koelde hem, maakte hem kalm en helder: het was alleen dat beroerde drinken: dàt, dat maakte hem dol.

Maar wat ouder, werd hij wat kalmer, stilde zijn lijfslust zich zoo, dat hem voldeed een kalme betrekking, met een vrouwtje, dat hij   geregeld opzocht; en plotseling, in zijn geheime buien van somberheid en zwart, was het tot hem gekomen, dat hij trouwen moest, dat het dat beroerde alleen-op-kamers-wonen was, dat hem zoo ontevreden deed zijn met zijn leven, stil voor zichzelven om de kameraden niet te laten merken vreemde dingen, die zij gek zouden vinden, en waarover ook hij, eigenlijk, zich schaamde. En als hij dan stil lag, onder de panoplie, dacht hij: ja, trouwen, een lief vrouwtje, en dan kinderen, veel kinderen... je niet zoo verspillen voor niets, maar kinderen... God, God, wat was dat lief... een troep kinderen zoo om je heen... Wat goedig in hem was, en vriendelijk, en zelfs heel diep poëtisch, zelfs heèl diep sentimenteel, deed hem dan dwepen, onder de panoplie, de groote sterke kerel, onder wien kraakte de divan; ja, een lief vrouwtje... en kindertjes, veel kindertjes... God God, wat is dat lief! Een heele troep: niet twee of drie, maar een troep, een troèp... hij glimlachte er om: het was na zijn woelige jonge jaren een prettig perspectief: een aardig huisje, een interieur, een lief vrouwtje, kinderen... Hij had er met zijn moeder over gesproken, en zij, ze was verrukt, omdat zij al lang had gevonden, dat hij had moeten trouwen... Hij   was nu al midden dertig; ja, heusch, trouwen was goed... En zij had met hem gezocht, en zij had Adeline voor hem gevonden: een goede familie van Fransche origine - relaties in Indië, wat altijd sympatiek was - geen geld, maar de Van Lowe's zagen nooit op geld, ook al hadden zij het zelve niet zoo heel veel, betrekkelijk, in een lachende minachting voor het slijk der aarde, dat zij toch maar heel goed gebruiken konden; een lief meisje, Adeline, jong - zij scheelde met haar man dertien jaren - blond en placide, een moedertje al als meisje... En Gerrit, hoewel vlug voor hem andere vrouwen, andere meisjes waren voor zijn oog gegaan, had gevonden: nu ja, wel wat een doezeltje, maar voor je vrouw wil je een ander type dan voor je maîtresse, en ze was toch molligjes en rondjes, zoo een rond balletje al als meisje, gezellig om te knuffelen, al was ze wat klein en al miste haar figuur sterk de lijnen, die hem troebleerden in zijn bloed. Verliefd was hij geen oogenblik op Adeline geworden, maar hij had in haar juist gezien: zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen; het troepje, waarnaar hij verlangde, omdat het zoo jammer was, gemeen bijna, je zoo te verspillen voor niets, vooral als je wat ouder en kalmer   werd... Hij zoû een gezond vrouwtje hebben in Adeline; hij zoû van haar een gezond troepje hebben... Zij, placide, ze had hem lief gekregen, eenvoudig-weg, omdat hij groot en mooi was, en omdat hij haar - een meisje zonder geld - een eenvoudige pozitie bood. En zij waren getrouwd en zij woonden nog altijd in het zelfde huisje, niet groot, maar toch ruim genoeg, om, wat Gerrit dadelijk voorzien had, den eenen wereldburger na de andere te bergen.

Nu vond hij het beroerd alleen te zijn, en toen mama Adeline en de kinderen had geïnviteerd in de kleine villa te Nunspeet, had hij gebromd, dat ze hem alleen lieten, maar hij had toegegeven: een paar weken buitenleven zoû gezond voor de vrouw en de kinderen zijn, en een enkelen Zondag wipte hij over naar Nunspeet. Maar de eenzaamheid deed hem niet goed en zijn plotseling uitgestorven huis deed een stille somberheid op hem drukken, zoo zwaar, dat hij ze maar niet van zich af kon gooien: een beroerd zwaar gewicht, dat drukte op zijn keel... Daarbij kwam, dat, om niet 's avonds alleen te zijn, hij zich door de kameraden, aan wier tafel hij dezer dagen meêdineerde, verleiden liet meê te gaan... een borrel met hen te drinken in de Witte...   en het waren die verdomde borrels, die hem knakten, hem eenvoudig knakten... Niet later dan eén uur kwam hij thuis, maar hij voelde zich na den borrel, alsof hij een orgie had meê gevierd, - hij kon niet slapen - sliep hij eindelijk in, dan werd hij telkens wakker, zijn hart klopte als dol op naar zijn slapen, hij draaide zich om en draaide zich om, hij waschte zijn gezicht en zijn polsen, hij legde zich neêr, nam eindelijk heelemaal een douche, maakte zich dan klein in zijn bed, de knieën als een kind opgetrokken; hij stopte de dekens in zijn ooren, hij verstopte zijn horloge, dat tikte, om het niet op zijn gehoorvlies al luider en luider hameren te hooren, en sliep hij eindelijk in, dat ontwaakte hij in den vroegen morgen; en geheele landschappen van nevelige bergen drukten op zijne hersenen, als was zijn arme kop, de kop van een Atlas, die hield den aardbol op zijn nek: het waren tergend langzaam rollende rotslawine's, die brokkelden langs zijn ruggegraat, en, de beenen wijd-uit in zijn bed, voelde hij zich zoo door die wakende nachtmerrie neêrgedrukt, als zoû hij tot opstaan geen beweging doen kunnen, als zoû hij zijn pink niet verroeren kunnen. Dan, eindelijk, kreunende, stond hij op en al vloe-   kende: verdomde borrel, verdomde borrel, nam hij zijn bad, werkte met zijn halters, vol bewondering en verwondering om zijn machtige armen en denkende naïf: als hij zoo sterk was van spieren, waarom kòn hij dan niet tegen een borrel... Hij zag naar zijn armen dan met de glimlachende ijdelheid van een vrouw op haar mooie vormen, en hoewel zijn oogleden nog zwaar rond hingen, te moê om op te plooien, week onder het water en de beweging de wakende nachtmerrie weg, en stegen de nevelige bergen al hooger en hooger op in verdwijnende ver-ijling en de rotslawine prikkelde nog maar heel even met een laatsten gruizelregen zijn rug. Dan was hij wel weêr de oude; zijn ordonnans wachtte hem vóor de deur met zijn paard; in de kazerne was hij de vlijtige ritmeester, die zorgvuldig zijn dienst verrichtte: niemand van de officieren, die iets aan hem zag...

Maar niettegenstaande zijn kameraden, was een eenzaamheid om hem en in hem; iets, dat hem drukte; iets, dat hem ontzette... Wat was het nu: was hij ziek of had hij het land? vroeg hij zich af. Bedonderd waren die stemmingen, die jezelf maar niet begreep. Was hij ziek, of had hij het land? Was het de worm, die wroette met pooten in zijn body en   opat zijn merg, of vond hij het heel beroerd, dat zijn vrouw en zijn kinderen weg waren... Het woelde bij hem dooreen: de beroerdheid en de worm... Soms werd het hem zoo een obsessie, dat, op zijn middagrit, hij zijn paard liet hollen in den wilde, en dat hij voor zijn oogen het wemelen zag in den blinde... Dan dacht hij aan Ernst, en hij had medelijden met den armen jongen! Wat was dat toch gek, ziekte van ziel, en zoû hij... zoû hij zelf niet ziek zijn... in zijn ziel... of minstens in zijn lichaam... Tegen wie hij dien twijfel ook geopperd had, niemand, die hem zoû hebben geloofd... Hij was uiterlijk zoo een stevige kerel, zoo een bruut... Als ze maar eens van binnen kijken konden... De ellendige worm wroette de laatste dagen met pooten, met duizende pooten rond in zijn body, liet hem maar niet met rust... Was het nu een raar gevoel... was het een zinsbegoocheling als de hallucinatie van Ernst... of zoû het waarachtig een dier zijn... Neen, dat was te gek: een dier was het niet... Toch herinnerde hij zich verhalen van menschen, die altijd hoofdpijn hadden, hoofdpijn, die niets kon genezen, en na hun dood had men in hunne hersenen een nest gevonden van oorwurmen, wrieme-   lend... Verbeeld je, dat het een dier was! Maar het was geen dier, het was geen dier: hij noemde het alleen een worm, een duizendpoot, omdat dat teekende het beroerde gevoel... Zoû hij eens gaan naar een dokter, een knappen professor in Amsterdam... Maar wat zoû hij zeggen... Dokter, ik heb in mijn body een gevoel als een wriemelende duizendpoot... En de dokter zoû hem zich uitkleeden laten en zijn body zien, nog jong, frisch, niettegenstaande zijn vroegere zware leven, onderhouden de spieren, de gewrichten buigzaam, de borst breed, en de longen ruim, en hij zoû hem aanzien en denken... hij zoû denken... de professor... dat hij... dat hij gek was...! Hij zoû informeeren naar broêrs en zusters... en hij zoû willen gaan naar Ernst... en allerlei geleerde gevolgtrekkingen zoû hij maken, de knappe professor... Neen, hij vertikte het: hij ging niet naar een dokter: hij zoû zich schamen te zeggen: professor, ik heb in mijn body een gevoel als een wriemelende duizendpoot... Hij zoû zich schamen, hij zoû zich schamen... Of zeggen: dokter, ik kan niet tegen een borrel... Nu, ritmeester, zoû de dokter zeggen: dan moet je maar geen borrel drinken... Neen, wat zoû het geven, een dok-   ter, of zelfs een professor... Hij deed het niet, hij deed het niet... Het beste was maar matig te zijn; zeker, geen borrel te drinken... en dan flink te zijn tegen het verdomde gevoel in; kom, hij was toch geen meid! en er maar niet aan te denken, er maar niet aan te denken... Wat verstrooiïng moest hij hebben: hij leefde dezer dagen zoo eenzaam... En in die eenzaamheid - zonder zijn vrouw en zonder zijn kinderen - dacht hij in het diep sentimenteele, dat zich verborg in zijn geheimste, aan het vriendelijk troostende, dat in familie zoû zijn... De familie... Maar wat verspreidde ze zich! Het troepje van Bertha, geheel gespat uit elkaâr... De anderen hield mama toch nog altijd te samen en de Zondag-avond, dat was maar een goede instelling... van mama... Hij liep dus eens aan bij Karel en Cateau, tegen etenstijd, hopende, dat zij hem vragen zouden, en dat hij nu eens niet altijd met de kameraden aan de officierstafel zoû behoeven te eten... maar zij vroegen hem niet, en bij zessen, bijna verlegen, hief Gerrit zijn groote lichaam zwaar op uit zijn stoel en hij ging naar de tafel, en de kameraden, en hij dacht, dat Karel en Cateau langzamerhand geheel en al vreemden waren geworden... En hoewel hij niet   dweepte met Adolfine, deed hij laagheden, inviteerde zich er zelven en bleef er den avond hangen en hij moest zich bekennen, dat Adolfine, in haar eigen huis, waarachtig nog het beste was, en dat de avond nog zoo heel ongezellig niet was voorbijgegaan. Constance was nu eens te Baarn, dan eens te Nunspeet; Van der Welcke was op reis - maar tante Ruyvenaer was in Den Haag - oom was naar Indië, - en tante Lot was toch maar altijd leuk:

- Ja... Herrit... Ghoede neus heb jij gehad om te komen, ja... Wij hebben nassi... Jij blijft eten, eenvoudigh maar, ja... Herrit.

Hij nam met dankbaarheid aan, voelde zich in eens warm gestreeld van binnen, waar eenzaamheid iets kouds in hem toe-vroor... Ja, hij bleef eten; hij hield van de Indiesche rijsttafel, zooals tante en Toetie die klaar maakten, en in stilte was hij blij, dat oom er van door was, want hij hield niet van oom. In het ruime huis van tante was een zekere leukheid, die hem heerlijk streelde en hem bijna week maakte, als dreef er een aroom van Java rond, dat hem herinnerde zijn kinderjaren... Het huis was vol Japansch porcelein, er stonden opgezette paradijsvogels, er was onder een   groote vierkante stolp een geheele passer - poppetjes als speelgoed: kleine warongs, kleine veestapels - er hingen Indische wapens; in tante's serre lagen matten op den grond, als in Indië - en Alima, al was ze Europeesch gekleed, vond Gerrit prettig te plagen, en hij betreurde het alleen, dat zij niet latta was, omdat hem dat herinnerde de latta meiden, die hij, kind, in Indië plaagde:

- Boeang, baboe; baboe, boeang!

En uit het Japansch porcelein, de paradijsvogels en de passer steeg altijd die zelfde aroom, door het heele huis dreef de aroom: iets van akar-wangi en sandelhout, en als tante rijsttafel maakte en Alima liep van de provizie-kamer naar de keuken met een mand vol flesschen met Indiesche kruiden, voelde Gerrit het water op zijn lippen komen:

- Tante, gaan we weêr smullen!

- Allah dan toch, die Herrit! juichte tante Lot, ontzettend zwaar, met haar cascadeerenden boezem zonder corset, thuis; in de ooren brillanten als kanjers; allah dan tòch, die Herrit, hij vermoordt zijn vader voor nassi!

En tante verheerlijkte: tante, bewegelijk geworden Hindoeidool, liep van keuken naar kelder en provizie-kamer... Toetie liep ook...