×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

Zielenschemering [part 1], Hoofdstuk 1 (3)

Hoofdstuk 1 (3)

alleen gingen vragend zijn treurige oogen van den een naar den ander, achterdochtig onderzoekend.

Plotseling, de beide broêrs wisten niet wat te zeggen. Gerrit vulde de kamer met drukke beweging, en hij wierp met den zoom van zijn natte manteljas bijna een paar Delftsche pullen om. Het was Paul, die het eerst sprak:

- Ben je niet wel, Ernst...?

- Jawel.

- Maar wat is er dan?

- Wat...

- Wat heb je dan van nacht gehad?

- Niets... Ik had het benauwd.

- Ben je nu beter?

- Ja...

Hij scheen te spreken in de suggestie van zijn allerlaatste verstandelijkheid, want zijn stem klonk onzeker, oneigenlijk, als was hij zich onbewust wat hij zeide.

- Kom, kerel... zeide Gerrit goed-ruw, en sloeg zijn hand vlak op Ernsts schouder.

Plotseling veranderde de diepe weemoed van Ernsts oogen en zijn blik werd hard, puilende hard en zwart als van twee zwarte knikkers. Hij had zijn hoofd met een stroeven kwartcirkel naar Gerrit gedraaid, en de harde blik van de zwarte knikkers boorde vol vreemden haat in Gerrits blauwe Germanen-oogen, zoodat Gerrit verschrikte. En onder de groote hand van Gerrit, die nog lag op zijn schouder, scheen het als been-gebroken lichaam van Ernst te verstijven, steenhard en stram te worden. Hij klemde de lippen, de armen, de handen en voeten samen en bleef zoo onbewegelijk, klaarblijkelijk lijdende een fyziek en een moreel leed, dicht ineen-gegroeid, onder den handdruk van zijn broêr Gerrit, zonder te weten hoe hij van dien druk zich bevrijden zoû. Hij bleef onbewegelijk, als verstrakt in zichzelven; iedere spier spande, iedere zenuw sidderde; onder Gerrits aanraking scheen Ernst straf in te krimpen, zooals een rups krimpt en zich straf hard maakt, zoodra hij zich voelt aangeraakt. Toen Gerrit zijn hand wegnam, ontspande die strakheid zich, viel het lichaam neêr los in een, als met een knak in het beenderenstel.

- Ernst, zeide Paul. Zoû je niet goed doen te gaan slapen...

- Neen, zeide hij nu. Ik ga niet weêr naar bed. Onder het bed liggen er drie.

- Drie wat?

- Drie. Vast aan kettings.

- Aan kettings? Wie liggen aan kettings? - Drie. Drie zielen.

- Drie zielen?

- Ja. De kamer is er vol van. Ze zijn allen aan mijn ziel vast. Aan mijn ziel zijn ze allen vastgeklonken. Met kettings. Soms haken ze los. Maar gisteren over straat heb ik er twee meê gesleept, een geheelen tijd, over de keien... Ze hadden pijn, ze schreeuwden... Ik hoor ze altijd in mijn ooren schreeuwen, schreeuwen... Onder mijn bed liggen er drie. Die slapen. Als ik naar bed ga, worden ze wakker, rammelen hun kettings. Laat ze slapen. Ze zijn moê, ze hebben verdriet. Nu ze slapen, weten ze het niet. Ik... ik kan niet meer slapen... Ik heb in weken niet meer geslapen... Als ik slaap, kunnen ze niet slapen... Ze slapen alleen als ik wakker blijf... Ze zijn vast aan mij... Hoor je ze niet? De kamer... de kamer is er vol van. Ze zijn gekomen uit alle eeuwen... Ik heb ze om mij heen verzameld, verzameld uit alle eeuwen. Ze scholen in de pullen, in de oude boeken, in de oude kaarten. Ik heb er uit de veertiende eeuw. Ze scholen in de familie-papieren... Van het eerste oogenblik, dat ik ze daar zag, zijn ze opgerezen, de arme zielen... Met al hun zonde, al hun verleden... Zij lijden... in een vagevuur... Ze hebben zich aan mij vastgeketend, omdat ze weten, dat ik ze goed zal doen... en nu willen ze me niet meer verlaten... Ik sleep ze overal meê, waar ik ga... waar ik sta... waar ik zit. Hun kettings trekken aan mijn lichaam... Ze doen me soms pijn, maar ze kunnen niet anders. Van nacht... van nacht was de kamer zoo vol zielen, dat ze als een wolk om me heen waren, en ik was benauwd... Ik woû op straat gaan, maar de juffrouw en haar broêr hebben me tegengehouden... Het zijn ellendige menschen... ze zouden me laten stikken. Het zijn ruwe menschen... ze trappen op de arme zielen... Hoor je... op de trap? Hoor je hun voeten? Ze trappen op de arme zielen...

- Ernst, zeide Paul, bleek en ongedurig. Heb je Dorine van morgen gezien...

Hij zag zijn broêr achterdochtig aan.

- Neen, zeide hij. Ik heb haar niet gezien.

- Ze is hier toch geweest, niet waar?

- Neen, ik heb haar niet gezien... zeide hij, achterdochtig, en zijn oogen dwarrelden rond, als zocht hij door zijn vertrek heen. Werktuigelijk volgden de beide broêrs zijne blikken. De groote zitkamer scheen die van een man van ontwikkeling en van smaak, stil en een- zelvig, maar hoogst gevoelig voor lijn en vorm. Tegen de somberheden van plafond, behang, tapijt, stak donkerder nog af de somberheid van oud eikenhout, de somberheid van oude boeken, en heel vreemd blauwde en bontte er tegen het aardewerk, en dit niet alleen antiek, maar ook al wat nieuwere kunst had uitgevonden. De moderne lijnharmonieën en allernieuwste faïences kronkelden plotseling verrassend vreemd in vazen, pullen, potten, als geëmailleerde bloemen, uit moderne oranjerieën, die opgebloeid zouden zijn in de schaduwen van een oud en donker bosch. In de open boekenkasten ook troffen vlak onder de bruine leêren banden van antieke folianten, de gele omslagjes van Fransche nieuwste litteratuur, de nieuwe kunstbanden der modernste Hollandsche romans. Deze eenzame, stille man, die schuchter liep over straat, glijdende langs de kanten van de huizen - die geen vrienden, geen kennissen had, die alleen 's Zondags-avonds zich - omdat hij niet weg dorst blijven uit een overgebleven respect voor moederlijk gezag - afmartelde tusschen zijn verzamelde familie-leden, en dan zelfs aan een whisttafel wist te blijven zitten - deze man scheen, verborgen voor iedereen, te leven een rijk leven, diep in zich, een leven door eeuwen heen. Omdat hij nooit sprak, zag men hem alleen als een zonderling, maar zijne jaren had hij rijk geleefd. Had hij te vol gevuld zijn menschlooze, woordlooze eenzaamheid met de schimmen van litteratuur, kunst, historie... Waren de schimmen opgespookt en levend geworden rondom hem heen, in die sombere kamer, waar vreemd de antieke en moderne porceleinen en aardewerken glansden en grilden rondom hem heen, met een obsessie van kleurgloeiïngen en glazuren, van opbloei- en van kronkellijnen...?

De beide broêrs, die gekomen waren, omdat zij hun broêr gek dachten, zagen om in de kamer en voor beiden was de kamer ook gek. Voor den ritmeester, wien zijne ochtendstemming was opgeklaard, - die zich normaal stevig gezond plotseling voelde worden onder de woorden van zinsbegoocheling, welke hem zeide zijn zonderling van een broêr, werd de kamer een krankzinnige kamer, omdat hij er wapens in miste, karwatsen, platen van paarden en honden, en de chromolitografie van een naakte vrouw, lachend achterover gebogen... Voor den anderen broêr ook was krankzinnig de kamer, omdat de vaas er niet meer een ornament was, omdat de vaas er een ziekelijkheid was geworden, als een bont onkruid, dat woekerde tusschen de sombere schaduwen der gordijnen en eiken kasten. Voor Paul was de kamer krankzinnig, omdat er stof lag op de boeken, en omdat de prullemand, vol verscheurde papieren, niet was geleêgd. Maar krankzinniger dan de kamer leek hun beiden de man Ernst zelve toe: hun broêr, een zonderling, dien zij al jaren lang ‘vreemd' hadden moeten vinden, omdat hij anders was dan wie ook van hen allen. Toen hij hen bekende, dat zijn kamer vol zielen was, zielen, die om hem wolkten, tot hij er benauwd van was - zielen, die aan hem ketenden met het gerammel van hunne kettingen - toen hadden zij gedacht, dat hij ijlde, dat hij stamelde krankzinnige woorden... Het was hun beider opvatting, opvatting van normaal gezonde menschen, uiterlijk gezond van zinnen, in hunne gebaren, blikken en woorden - omdat hunne gebaren, blikken en woorden niet vloekten tegen die van wie hen in hun leven omringden - wat zij ook, soms, diep in zich voelen mochten. Maar voor dien man zelven, Ernst, was zijn eigen opvatting de normale, de heel gewone, en vond hij vreemd en zonderling zijn beide broêrs, Gerrit en Paul, omdat hij wel, slim, bespeurde, dat zij geen van beiden iets van de tallooze zielen merkte, die toch zoo dicht en klagend krioelden rondom hem heen, als was hij in een vagevuur. Voor hemzelven was er niets gek of krankzinnig, noch in zijne kamer, noch in zijne woorden, noch in geheel hemzelven. Hij vond hèn gek, hij vond zich verstandig. Toen hij dien nacht in zijn hemd op straat had willen gaan, omdat de zielen hem zoo benauwden, als zoû hij stikken tusschen hare dringingen, had hij eenvoudig lucht willen hebben, niets anders dan lucht, willen ademen zonder druk van kleêren, vest of jas op zijn borst, en hij had het toch heel gewoon gevonden, dat hij met een kaars was de trap afgegaan, en met zijn sleutel de deur had openen willen... Toen hadden die dikke juffrouw en haar ruwe broêr hem gehoord, en zij waren gekomen om hem heen met groote verschrikking van dwaze gebaren en hardklinkende woorden, en zij hadden, de dikke juffrouw, de ruwe broêr, voor hem staan betuigen als twee gekke menschen, terwijl hij de ketting al had van de voordeur gelicht en de tocht hem al zoo heerlijk was weldadig geweest, omdat die wapperde over zijn naaktheid, onder zijn enkel los waaiend hemd... Toen was hij boos geworden, Ernst, omdat de dikke juffrouw, de ruwe broêr niet hoorden naar wat hij zeide - een zachte stem had hij, die niet òp kon schreeuwen tegen zulke ruwe, burgerlijke, luide stemmen van menschen zonder gevoel, van menschen zonder ziel, zonder weten, zonder begrijpen - toen was hij boos geworden, omdat de broêr, ruw, had de deur weêr gesloten, hem had meêgetrokken, gesleurd de trappen op, en hij had den broêr geslagen, maar de broêr, sterker dan hij, had hem gestompt, gestompt voor zijn borst, die al zoo benauwd was, nog benauwder werd, omdat nu àl de zielen, beängst, drongen tegen hem aan, bescherming aan hem vragende... En ruw, plomp, als gevoellooze menschen, hadden de dikke juffrouw en de ruwe broêr hem met henbeiden gesleept naar boven, en terwijl zij hem hadden gesleept, hadden zij hem niet alleen op zijn bloote voeten getrapt, maar zij hadden de arme zielen vertrapt! Vertrappeld hadden hun gemeene pantoffels, hun breede ploerten van burgervoeten de arme, de arme, teêre zielen, vertrappeld in de gang, op de trap, en hij had ze hooren hikken en snikken, zoo luide, zoo luide van stervensangst, dat hij niet begreep, waarom niet heel de stad was komen aanloopen van louter verschrikking, om de arme zielen te zien en te helpen... O, wat hadden zij geklaagd, getandeknarst, o wat hadden zij gesnikt, geweeklaagd ontzettend en niemand was aangekomen... Niemand had willen hooren... Zij hadden niet WILLEN hooren, de menschen van de stad; geen redding was gedaagd, en die twee ploerten: die dikke juffrouw, die ellendige ploert van een kerel, haar broêr, ze hadden hem gesleurd, de trap op, zijn kamer in, hem er in gegooid, en zij hadden de deur achter hem toegesloten, zij hadden buiten de deur gebarrikadeerd... En in de gang, tusschen de voordeur geklemd, op de treden der trap, geklemd tusschen zijn kamerdeur, lagen de arme hikkende, snikkende zielen; ze lagen vertrapd en vertrappeld, als of een ruwe menigte gedanst had op hun teêre vlinderlijven, op hun broze lichamelijkheden en den geheelen nacht had hij in den hoek van zijn kamer, waar hij stil was gaan zitten, huiverend in zijn nachthemd, in den donker, het geweeklaag der zielen gehoord, hun handen hooren wringen, hen gooren smeeken om zijn genade, om zijn ontferming, want zij wisten, dat hij hen lief had, dat hij hun goed wilde doen, de arme zielen... Hij begreep wel, hij begreep wel, - hij begreep wel, dat die twee ruwe ploerten, die vrouw en die broêr, gedacht hadden, dat hij GEK was... Maar hij had alleen willen ademen koele lucht van den nacht, willen voelen koele lucht van den nacht huiveren over zijn heete leden, die zoo warm aangloeiden, omdat in bed de zielen zoo drongen tegen hem aan, ook al poogde hij ze zacht af te weren... Dat was toch niet GEK koele lucht te willen ademen... koele lucht over zich heen te willen voelen huiveren... Wat had hij anders willen doen... En 's morgens... Ja, hij had haar wel gezien aan de heel voorzichtig opengesloten deur... 's Morgens had hij in eens het gezicht van zijn zuster, Dorine, zien grijnzen en lachen en schateren, met een duivelsch gegrinnik... ook al blij, dat er van de arme zielen op de trap, in de gang daar lagen de vertrappelde broze lichamelijkheden - maar hij was slim geweest: terwijl hij was blijven zitten in zijn hemd, in den hoek van zijn kamer, had hij gedaan of hij haar niet zag, en niet oplette haar duivelschen grijns, om haar boos pleizier geen voldoening te geven... Toen waren eindelijk de arme zielen, die leefden nog, tot rust gekomen: hij had ze gestild met zachte woorden van troost... Toen waren ze om hem heen ingesluimerd, en hij had zacht kunnen opstaan, zonder hun kettings te rammelen, en had zijn hoofd gewasschen, een broek aangedaan, kousen, een chambercloack... Wat deden nu om hem zijn broêrs? Hij wist wel, hij wist wel: zeker dachten ze ook, als de juffrouw en haar ploert van een broêr, dat hij GEK was, gek en krankzinnig... Maar zij, ze waren van zinnen krank; ze hadden geen oogen, dat ze niet zagen de sluimerende zielen, waar vol het huis van was - zij hadden geen ooren, dat zij niet hadden gehoord de het heelal doorklinkende klacht van de zielen dien nacht... Zij, zij waren gek, zij waren krankzinnig: ze wisten niet en ze voelden niet: ze leefden als domme bruten en hij haatte hen beiden: die groote zware officier, en de andere, die mooie meneer, met zijn gladde gezicht, en zijn kattesnorren, die hij niet uit kon staan, niet kon úitstaan... Sterker dan hem was het geweest, dat hij hun gesproken had van de arme zielen, maar nu hij zag, dat ze GEK waren, nu zoû hij ze er nooit over spreken meer - want anders zouden ze hem zeker ook ranselen willen en slieren, en trappelen op de arme zielen, als die twee ellendige ploerten hadden gedaan.

Hij bleef dus maar kalm zitten, wachtend tot zij weg zouden gaan en hem alleen zouden laten , in de stille eenzaamheid, waar hij naar smachtte... Want nu was hij moê, en recht in zijn stoel, sloot hij de oogen, ook om de gezichten van zijn broêrs niet te zien. Om hem heen lagen de zielen, tallooze, maar zij waren stil, sluimerden als kinderen rondom hem heen, hoewel pijnlijk hun gezichten vertrokken waren, van al het leed, al de pijn, die zij dien nacht hadden moeten lijden...

Gerrit en Paul waren opgestaan, deden of zij naar de vazen keken, praatten zacht...

- Hij is nog al kalm, zei Gerrit.

- Ja, maar wat hij zei, was totaal in de war.

- We moeten naar een dokter gaan.

- Ja, we moeten eerst naar dokter Van der Ouwe... Later misschien naar dokter Reeuws, of wien hij ons aanraadt, een zenuwspecialiteit.

- Hoe vindt je hem? Bepaald GEK ?

- Ja, gek... Wat hij zei, was zoo in de war, als hij nog nooit heeft gesproken. Tot nog toe was hij maar vreemd, eenzelvig, zonderling... Nu is hij bepaald...

- Gek... voltooide zacht Gerrit.

- Kijk... hij heeft zijn oogen dicht...

- Hij is kalm.

- Ja, hij is kalm...

- Willen we gaan? - Ja, laten we gaan...

Zij naderden Ernst.

- Ernst...

- Ernst!

Hij sloeg langzaam zijn zware oogleden op.

- Nu, Ernst, kerel, zei Gerrit. Wij gaan.

Ernst knikte met het hoofd.

- We komen wel gauw terug.

Maar Ernst sloot weêr de oogen, smachtend, dat zij zouden vertrekken, ze met zijn verlangen de kamer uitdrijvend...

Zij gingen. Hij hoorde hen de deur zacht toedoen, voorzichtig... Daarna knikte hij waardeerend het hoofd: ze waren niet kwaad, ze maakten de zielen niet wakker... In de gang hoorde hij nu hen fluisteren... met die twee ploerten!... de juffrouw... haar broêr! Hij stond op, sloop naar de dichte deur, wilde luisteren... Maar hij verstond niet...

Toen lachte hij minachtend, omdat hij ze dom vond, zonder oogen, zonder ooren en zonder hart, zonder gevoel...

- Ellendige bruten, ellendige bruten! vloekte hij nu, en balde de vuisten...

Een doodmoêheid sloop over hem heen. Hij ging in zijne slaapkamer, donkerde ze met de blinden en legde zich te bed, voelende, dat hij zoû slapen. Rondom hem heen lagen de zielen: de geheele kamer was er vol van.

Hoofdstuk 1 (3) Kapitel 1 (3) Chapter 1 (3)

alleen gingen vragend zijn treurige oogen van den een naar den ander, achterdochtig onderzoekend. alone his sad eyes went questioningly from one to the other, inquiring suspiciously.

Plotseling, de beide broêrs wisten niet wat te zeggen. Suddenly, both brothers did not know what to say. Gerrit vulde de kamer met drukke beweging, en hij wierp met den zoom van zijn natte manteljas bijna een paar Delftsche pullen om. Gerrit filled the room with bustling movement, and he nearly knocked over a couple of Delft poults with the hem of his wet coat. Het was Paul, die het eerst sprak: It was Paul, who spoke first:

- Ben je niet wel, Ernst...? - Aren't you well, Ernst...?

- Jawel. - Yep.

- Maar wat is er dan? - But what is there?

- Wat... - What...

- Wat heb je dan van nacht gehad? - So what did you have of night?

- Niets... Ik had het benauwd. - Nothing... I felt cramped.

- Ben je nu beter? - Are you better now?

- Ja... - Yes...

Hij scheen te spreken in de suggestie van zijn allerlaatste verstandelijkheid, want zijn stem klonk onzeker, oneigenlijk, als was hij zich onbewust wat hij zeide. He seemed to speak in the suggestion of his very last sanity, for his voice sounded uncertain, improper, as if unaware of what he was saying.

- Kom, kerel... zeide Gerrit goed-ruw, en sloeg zijn hand vlak op Ernsts schouder. - Come, fellow... said Gerrit good-naturedly, slapping his hand flat on Ernst's shoulder.

Plotseling veranderde de diepe weemoed van Ernsts oogen en zijn blik werd hard, puilende hard en zwart als van twee zwarte knikkers. Suddenly the deep wistfulness of Ernst's eyes changed and his gaze became hard, bulging hard and black as of two black marbles. Hij had zijn hoofd met een stroeven kwartcirkel naar Gerrit gedraaid, en de harde blik       van de zwarte knikkers boorde vol vreemden haat in Gerrits blauwe Germanen-oogen, zoodat Gerrit verschrikte. He had turned his head to Gerrit with a stiff quarter-circle, and the black marbles' hard gaze drilled full of strange hatred into Gerrit's blue Germanic eyes, so that Gerrit was startled. En onder de groote hand van Gerrit, die nog lag op zijn schouder, scheen het als been-gebroken lichaam van Ernst te verstijven, steenhard en stram te worden. And under Gerrit's big hand, which still lay on his shoulder, Ernst's like leg-broken body seemed to stiffen, become rock hard and stiff. Hij klemde de lippen, de armen, de handen en voeten samen en bleef zoo onbewegelijk, klaarblijkelijk lijdende een fyziek en een moreel leed, dicht ineen-gegroeid, onder den handdruk van zijn broêr Gerrit, zonder te weten hoe hij van dien druk zich bevrijden zoû. He clamped his lips, arms, hands and feet together and remained so motionless, obviously suffering a physical and a moral distress, grown close together, under the handshake of his brother Gerrit, not knowing how to free himself from this pressure. Hij bleef onbewegelijk, als verstrakt in zichzelven; iedere spier spande, iedere zenuw sidderde; onder Gerrits aanraking scheen Ernst straf in te krimpen, zooals een rups krimpt en zich straf hard maakt, zoodra hij zich voelt aangeraakt. He remained motionless, as if tightening within himself; every muscle tensed, every nerve shuddered; under Gerrit's touch Ernst seemed to shrink in punishment, just as a caterpillar shrinks and hardens in punishment as soon as it feels touched. Toen Gerrit zijn hand wegnam, ontspande die strakheid zich, viel het lichaam neêr los in een, als met een knak in het beenderenstel. When Gerrit took his hand away, that tightness relaxed, the body fell down loose in one, as if with a snap in the bones.

- Ernst, zeide Paul. - Ernst, Paul said. Zoû je niet goed doen te gaan slapen... Wouldn't you do well to go to sleep...

- Neen, zeide hij nu. - Nay, he now said. Ik ga niet weêr naar bed. I'm not going to bed again. Onder het bed liggen er drie. Under the bed there are three of them.

- Drie wat? - Three what?

- Drie. - Three. Vast aan kettings. Fixed to chains.

- Aan kettings? - To chains? Wie liggen aan kettings? Who lie to chains? - Drie. - Three. Drie zielen. Three souls.

- Drie zielen? - Three souls?

- Ja. - Yes. De kamer is er vol van. The room is full of them. Ze zijn allen aan mijn ziel vast. They are all attached to my soul. Aan mijn ziel zijn ze allen vastgeklonken. To my soul they are all riveted. Met kettings. With chain. Soms haken ze los. Sometimes they unhook. Maar gisteren over straat heb ik er twee meê gesleept, een geheelen tijd, over de keien... Ze hadden pijn, ze schreeuwden... Ik hoor ze altijd in mijn ooren schreeuwen, schreeuwen... Onder mijn bed liggen er drie. But yesterday on the street I dragged two of them with me, a whole time, over the cobbles.... They were in pain, they were screaming.... I always hear them screaming in my ears, screaming.... Under my bed there are three of them. Die slapen. Those sleeping. Als ik naar bed ga, worden ze wakker, rammelen hun kettings. When I go to bed, they wake up, their chains rattling. Laat ze slapen. Let them sleep. Ze zijn moê, ze hebben verdriet. They are tired, they are sad. Nu ze slapen, weten ze het niet. Now that they're asleep, they don't know. Ik... ik kan niet meer slapen... Ik heb in weken niet meer geslapen... Als ik slaap, kunnen ze niet slapen... Ze slapen alleen als ik wakker blijf... Ze zijn vast aan mij... Hoor je ze niet? I... I can't sleep anymore... I haven't slept in weeks.... If I sleep, they can't sleep.... They only sleep if I stay awake.... They're attached to me... Can't you hear them? De kamer... de kamer is er vol van. The room ... the room is full of it. Ze zijn gekomen uit alle eeuwen... Ik heb ze om mij heen verzameld, verzameld uit alle eeuwen. They have come from all centuries... I have gathered them around me, gathered from all ages. Ze scholen in de pullen, in de oude boeken, in de oude kaarten. They school in the pods, in the old books, in the old maps. Ik heb er uit de veertiende eeuw. I have one from the fourteenth century. Ze scholen in de familie-papieren... Van het eerste oogenblik, dat ik ze daar zag, zijn ze opgerezen, de arme zielen... Met al hun zonde, al hun verleden... Zij lijden... in een vagevuur... Ze hebben       zich aan mij vastgeketend, omdat ze weten, dat ik ze goed zal doen... en nu willen ze me niet meer verlaten... Ik sleep ze overal meê, waar ik ga... waar ik sta... waar ik zit. They school in the family papers.... From the first moment, that I saw them there, they rose up, the poor souls.... With all their sin, all their past.... They suffer... In a purgatory... They have chained themselves to me, because they know, that I will do them good And now they won't leave me.... I drag them with me wherever I go where I stand... where I sit. Hun kettings trekken aan mijn lichaam... Ze doen me soms pijn, maar ze kunnen niet anders. Their chains pull at my body.... They hurt me sometimes, but they can't do otherwise. Van nacht... van nacht was de kamer zoo vol zielen, dat ze als een wolk om me heen waren, en ik was benauwd... Ik woû op straat gaan, maar de juffrouw en haar broêr hebben me tegengehouden... Het zijn ellendige menschen... ze zouden me laten stikken. Of night... of night the room was so full of souls that they were like a cloud around me, and I was distressed.... I wanted to go out into the street, but the lady and her brother stopped me.... They are miserable people.... They would let me choke. Het zijn ruwe menschen... ze trappen op de arme zielen... Hoor je... op de trap? They are rough people... they step on the poor souls.... Do you hear... on the stairs? Hoor je hun voeten? Do you hear their feet? Ze trappen op de arme zielen... They step on the poor souls....

- Ernst, zeide Paul, bleek en ongedurig. - Ernst, Paul said, pale and restless. Heb je Dorine van morgen gezien... Did you see Dorine from tomorrow....

Hij zag zijn broêr achterdochtig aan. He looked at his brother suspiciously.

- Neen, zeide hij. - Nay, he said. Ik heb haar niet gezien. I didn't see her.

- Ze is hier toch geweest, niet waar? - She has been here, hasn't she?

- Neen, ik heb haar niet gezien... zeide hij, achterdochtig, en zijn oogen dwarrelden rond, als zocht hij door zijn vertrek heen. - Nay, I have not seen her... he said, suspiciously, and his eyes swirled around, as if searching through his room. Werktuigelijk volgden de beide broêrs zijne blikken. Mechanically, both brothers followed his gaze. De groote zitkamer scheen die van een man van ontwikkeling en van smaak, stil en een-       zelvig, maar hoogst gevoelig voor lijn en vorm. The large sitting room seemed that of a man of development and of taste, quiet and single-minded, but highly sensitive to line and form. Tegen de somberheden van plafond, behang, tapijt, stak donkerder nog af de somberheid van oud eikenhout, de somberheid van oude boeken, en heel vreemd blauwde en bontte er tegen het aardewerk, en dit niet alleen antiek, maar ook al wat nieuwere kunst had uitgevonden. Against the gloom of ceiling, wallpaper, carpet, darker still stood out the gloom of old oak, the gloom of old books, and very strangely blue and furred there against the pottery, and this not only antiques, but also all that newer art had invented. De moderne lijnharmonieën en allernieuwste faïences kronkelden plotseling verrassend vreemd in vazen, pullen, potten, als geëmailleerde bloemen, uit moderne oranjerieën, die opgebloeid zouden zijn in de schaduwen van een oud en donker bosch. Modern line harmonies and state-of-the-art faïences suddenly twisted surprisingly strangely in vases, pouches, pots, like enameled flowers, from modern orangeries, which would have blossomed in the shadows of an old and dark forest. In de open boekenkasten ook troffen vlak onder de bruine leêren banden van antieke folianten, de gele omslagjes van Fransche nieuwste litteratuur, de nieuwe kunstbanden der modernste Hollandsche romans. In the open bookcases, too, just below the brown leather bindings of antique folios, the yellow covers of French newest literature, the new art bindings of the most modern Dutch novels. Deze eenzame, stille man, die schuchter liep over straat, glijdende langs de kanten van de huizen - die geen vrienden, geen kennissen had, die alleen 's Zondags-avonds zich - omdat hij niet weg dorst blijven uit een overgebleven respect voor moederlijk gezag - afmartelde tusschen zijn verzamelde familie-leden, en dan zelfs aan een whisttafel wist te blijven zitten - deze man scheen, verborgen voor iedereen, te leven een rijk leven, diep in       zich, een leven door eeuwen heen. This lonely, silent man, who timidly walked the streets, gliding along the sides of the houses - who had no friends, no acquaintances, who only on Sunday evenings - because he did not want to stay away out of a residual respect for maternal authority - tortured himself among his gathered family members, and then even managed to stay seated at a whistling table - this man seemed, hidden from everyone, to live a rich life, deep within himself, a life through centuries. Omdat hij nooit sprak, zag men hem alleen als een zonderling, maar zijne jaren had hij rijk geleefd. Because he never spoke, people saw him only as an eccentric, but his years he had lived richly. Had hij te vol gevuld zijn menschlooze, woordlooze eenzaamheid met de schimmen van litteratuur, kunst, historie... Waren de schimmen opgespookt en levend geworden rondom hem heen, in die sombere kamer, waar vreemd de antieke en moderne porceleinen en aardewerken glansden en grilden rondom hem heen, met een obsessie van kleurgloeiïngen en glazuren, van opbloei- en van kronkellijnen...? Had he filled too full his menschless, wordless solitude with the shadows of literature, art, history.... Had the specters sped up and become alive all around him, in that gloomy room, where strangely the antique and modern porcelains and earthenware gleamed and whirled all around him, with an obsession of color glows and glazes, of flourishes and of squiggles...?

De beide broêrs, die gekomen waren, omdat zij hun broêr gek dachten, zagen om in de kamer en voor beiden was de kamer ook gek. Both brothers, who had come because they thought their brother was crazy, looked around the room, and for both of them the room was crazy too. Voor den ritmeester, wien zijne ochtendstemming was opgeklaard, - die zich normaal stevig gezond plotseling voelde worden onder de woorden van zinsbegoocheling, welke hem zeide zijn zonderling van een broêr, werd de kamer een krankzinnige kamer, omdat hij er wapens in miste, karwatsen, platen van paarden en honden, en de chromolitografie van een naakte vrouw, lachend achterover gebogen... Voor den anderen broêr ook was krankzinnig de kamer, omdat de vaas er niet meer een ornament was, omdat de vaas er een ziekelijkheid       was geworden, als een bont onkruid, dat woekerde tusschen de sombere schaduwen der gordijnen en eiken kasten. For the riding master, whose morning mood had brightened, - who felt himself suddenly becoming normally solidly sane under the words of illusion, which told him his eccentricity of a brother, the room became an insane room, because in it he missed weapons, churns, plates of horses and dogs, and the chromolithography of a naked woman, bent backwards laughing.... For the other brother, the room was also insane because the vase was no longer an ornament in it, because the vase had become a sickness, like a motley weed, rampant among the gloomy shadows of curtains and oak cabinets. Voor Paul was de kamer krankzinnig, omdat er stof lag op de boeken, en omdat de prullemand, vol verscheurde papieren, niet was geleêgd. To Paul, the room was insane, because there was dust on the books, and because the trash basket, full of torn papers, had not been emptied. Maar krankzinniger dan de kamer leek hun beiden de man Ernst zelve toe: hun broêr, een zonderling, dien zij al jaren lang ‘vreemd' hadden moeten vinden, omdat hij anders was dan wie ook van hen allen. But more insane than the room seemed to them both the man Ernst himself: their brother, an eccentric, whom they had had to consider "strange" for years, because he was different from any of them. Toen hij hen bekende, dat zijn kamer vol zielen was, zielen, die om hem wolkten, tot hij er benauwd van was - zielen, die aan hem ketenden met het gerammel van hunne kettingen - toen hadden zij gedacht, dat hij ijlde, dat hij stamelde krankzinnige woorden... Het was hun beider opvatting, opvatting van normaal gezonde menschen, uiterlijk gezond van zinnen, in hunne gebaren, blikken en woorden - omdat hunne gebaren, blikken en woorden niet vloekten tegen die van wie hen in hun leven omringden - wat zij ook, soms, diep in zich voelen mochten. When he confessed to them that his room was full of souls, souls that clouded around him until he was oppressed - souls that shackled to him with the rattling of their chains - then they had thought that he was delirious, that he stammered insane words.... It was both their conception, conception of normally sane men, outwardly sane in their senses, in their gestures, looks and words - because their gestures, looks and words did not curse those of those who surrounded them in their lives - whatever they might, at times, feel deep within them. Maar voor dien man zelven, Ernst, was zijn eigen opvatting de normale, de heel gewone, en vond hij vreemd en zonderling zijn beide broêrs, Gerrit en Paul, omdat hij wel, slim, bespeurde, dat       zij geen van beiden iets van de tallooze zielen merkte, die toch zoo dicht en klagend krioelden rondom hem heen, als was hij in een vagevuur. But to the man himself, Ernst, his own conception was the normal one, the very normal one, and he found strange and eccentric his two brothers, Gerrit and Paul, because he did, cleverly, sense that neither of them noticed anything of the countless souls, which yet swarmed so densely and plaintively around him, as if he were in a purgatory. Voor hemzelven was er niets gek of krankzinnig, noch in zijne kamer, noch in zijne woorden, noch in geheel hemzelven. To himself there was nothing crazy or insane, neither in his room, nor in his words, nor in all of him. Hij vond hèn gek, hij vond zich verstandig. He thought hir crazy, he thought himself wise. Toen hij dien nacht in zijn hemd op straat had willen gaan, omdat de zielen hem zoo benauwden, als zoû hij stikken tusschen hare dringingen, had hij eenvoudig lucht willen hebben, niets anders dan lucht, willen ademen zonder druk van kleêren, vest of jas op zijn borst, en hij had het toch heel gewoon gevonden, dat hij met een kaars was de trap afgegaan, en met zijn sleutel de deur had openen willen... Toen hadden die dikke juffrouw en haar ruwe broêr hem gehoord, en zij waren gekomen om hem heen met groote verschrikking van dwaze gebaren en hardklinkende woorden, en zij hadden, de dikke juffrouw, de ruwe broêr, voor hem staan betuigen als twee gekke menschen, terwijl hij de ketting al had van de voordeur gelicht en de tocht hem al zoo heerlijk was weldadig geweest, omdat die wapperde over zijn naaktheid, onder zijn enkel los waaiend hemd... Toen was hij boos geworden, Ernst, omdat de       dikke juffrouw, de ruwe broêr niet hoorden naar wat hij zeide - een zachte stem had hij, die niet òp kon schreeuwen tegen zulke ruwe, burgerlijke, luide stemmen van menschen zonder gevoel, van menschen zonder ziel, zonder weten, zonder begrijpen - toen was hij boos geworden, omdat de broêr, ruw, had de deur weêr gesloten, hem had meêgetrokken, gesleurd de trappen op, en hij had den broêr geslagen, maar de broêr, sterker dan hij, had hem gestompt, gestompt voor zijn borst, die al zoo benauwd was, nog benauwder werd, omdat nu àl de zielen, beängst, drongen tegen hem aan, bescherming aan hem vragende... En ruw, plomp, als gevoellooze menschen, hadden de dikke juffrouw en de ruwe broêr hem met henbeiden gesleept naar boven, en terwijl zij hem hadden gesleept, hadden zij hem niet alleen op zijn bloote voeten getrapt, maar zij hadden de arme zielen vertrapt! When he had wanted to go out in the street that night in his shirt, because the souls oppressed him so much, as if he were suffocating among their urges, he had simply wanted to have air, nothing but air, to breathe without the pressure of clothes, vest or coat on his chest, and he had thought it quite normal that he had gone down the stairs with a candle, and had wanted to open the door with his key... Then that fat lady and her rough brother had heard him, and they had come around him with great terror of foolish gestures and harsh-sounding words, and they had, the fat lady, the rough brother, stood before him bewailing him like two mad men, while he had already lifted the chain from the front door and the draught had already been so deliciously salutary to him, as it wafted over his nakedness, under his ankle loose-fitting shirt... Then he had become angry, Ernst, because the fat lady, the rough brother did not hear what he said - he had a soft voice, which could not cry out against such rough, civil, loud voices of people without feeling, of people without soul, without knowing, without understanding - then he had become angry, because the brother, roughly, had closed the door again, had pulled him along, dragged him up the stairs, and he had hit the brother, but the brother, stronger than him, had punched him, punched him in front of his chest, which was already so tight, became even tighter, because now all the souls, anxious, pressed against him, asking him for protection... And roughly, plumply, like unfeeling men, the fat lady and the rough brother had dragged him upstairs with them both, and while they had dragged him, they had not only kicked him on his bare feet, but they had trampled the poor souls! Vertrappeld hadden hun gemeene pantoffels, hun breede ploerten van burgervoeten de arme, de arme, teêre zielen, vertrappeld in de gang, op de trap, en hij had ze hooren hikken en snikken, zoo luide, zoo luide van stervensangst, dat hij niet begreep, waarom niet heel de stad was komen aanloopen van louter verschrikking, om       de arme zielen te zien en te helpen... O, wat hadden zij geklaagd, getandeknarst, o wat hadden zij gesnikt, geweeklaagd ontzettend en niemand was aangekomen... Niemand had willen hooren... Zij hadden niet WILLEN hooren, de menschen van de stad; geen redding was gedaagd, en die twee ploerten: die dikke juffrouw, die ellendige ploert van een kerel, haar broêr, ze hadden hem gesleurd, de trap op, zijn kamer in, hem er in gegooid, en zij hadden de deur achter hem toegesloten, zij hadden buiten de deur gebarrikadeerd... En in de gang, tusschen de voordeur geklemd, op de treden der trap, geklemd tusschen zijn kamerdeur, lagen de arme hikkende, snikkende zielen; ze lagen vertrapd en vertrappeld, als of een ruwe menigte gedanst had op hun teêre vlinderlijven, op hun broze lichamelijkheden en den geheelen nacht had hij in den hoek van zijn kamer, waar hij stil was gaan zitten, huiverend in zijn nachthemd, in den donker, het geweeklaag der zielen gehoord, hun handen hooren wringen, hen gooren smeeken om zijn genade, om zijn ontferming, want zij wisten, dat hij hen lief had, dat hij hun goed wilde doen, de arme zielen... Hij begreep wel, hij begreep wel, - hij begreep wel, dat die twee ruwe ploerten, die vrouw       en die broêr, gedacht hadden, dat hij GEK was... Maar hij had alleen willen ademen koele lucht van den nacht, willen voelen koele lucht van den nacht huiveren over zijn heete leden, die zoo warm aangloeiden, omdat in bed de zielen zoo drongen tegen hem aan, ook al poogde hij ze zacht af te weren... Dat was toch niet GEK koele lucht te willen ademen... koele lucht over zich heen te willen voelen huiveren... Wat had hij anders willen doen... En 's morgens... Ja, hij had haar wel gezien aan de heel voorzichtig opengesloten deur... 's Morgens had hij in eens het gezicht van zijn zuster, Dorine, zien grijnzen en lachen en schateren, met een duivelsch gegrinnik... ook al blij, dat er van de arme zielen op de trap, in de gang daar lagen de vertrappelde broze lichamelijkheden - maar hij was slim geweest: terwijl hij was blijven zitten in zijn hemd, in den hoek van zijn kamer, had hij gedaan of hij haar niet zag, en niet oplette haar duivelschen grijns, om haar boos pleizier geen voldoening te geven... Toen waren eindelijk de arme zielen, die leefden nog, tot rust gekomen: hij had ze gestild met zachte woorden van troost... Toen waren ze om hem heen ingesluimerd, en hij had zacht kunnen opstaan,       zonder hun kettings te rammelen, en had zijn hoofd gewasschen, een broek aangedaan, kousen, een chambercloack... Wat deden nu om hem zijn broêrs? Trampled had their mean slippers, their wide, plodding civilian feet trampled the poor, poor, frail souls in the corridor, on the stairs, and he had heard them hiccuping and sobbing, so loud, so loud with agony, that he did not understand why the whole city had not come running in sheer terror, to see and help the poor souls... Oh, how they had complained, toothed grunts, oh how they had sobbed, lamented appalledly, and no one had arrived.... No one had wanted to hear... They hadn't WANTED to hear, the people of the city; no rescue had been summoned, and those two cocksuckers: that fat lady, that miserable wretch of a fellow, her brother, they had dragged him, up the stairs, into his room, thrown him in, and they had shut the door behind him, they had barricaded outside the door... And in the hallway, wedged between the front door, on the steps of the stairs, wedged between his room door, the poor hiccuping, sobbing souls lay ; they lay trampled and trampled, as if a rough crowd had danced on their frail butterfly bodies, on their fragile corporealities, and all night long, in the corner of his room, where he had sat down quietly, shivering in his nightshirt, in the dark, he had heard the lamentations of the souls, heard them wring their hands, begging for his mercy, for his compassion, for they knew that he loved them, that he wanted to do them good, the poor souls... He did understand, he did understand, - he did understand, that those two rough thugs, that woman and that brother, had thought, that he was DARK.... But he had only wanted to breathe the cool air of the night, to feel the cool air of the night shudder over his hot members, which glowed so warmly, because in bed the souls pressed so strongly against him, even though he tried to fend them off gently... That wasn't ANYTHING to want to breathe cool air.... to feel cool air wafting over him.... What else had he wanted to do.... And in the morning... Yes, he did see her at the very carefully opened door.... In the morning he had seen at once the face of his sister, Dorine, grinning and laughing and hooting, with a devilish chuckle.... also delighted, that of the poor souls on the stairs, in the corridor there lay the trampled frail corporealities - but he had been clever: while he had remained seated in his shirt, in the corner of his room, he had pretended not to see her, and not to pay attention to her devilish grin, so as not to give her angry pleasure satisfaction.... Then at last the poor souls, still alive, had come to rest: he had appeased them with soft words of comfort.... Then they had slumbered around him, and he had been able to rise softly, without rattling their chains, and had washed his head, put on pants, stockings, a chambercloack.... Now what did around him his brothers do? Hij wist wel, hij wist wel: zeker dachten ze ook, als de juffrouw en haar ploert van een broêr, dat hij GEK was, gek en krankzinnig... Maar zij, ze waren van zinnen krank; ze hadden geen oogen, dat ze niet zagen de sluimerende zielen, waar vol het huis van was - zij hadden geen ooren, dat zij niet hadden gehoord de het heelal doorklinkende klacht van de zielen dien nacht... Zij, zij waren gek, zij waren krankzinnig: ze wisten niet en ze voelden niet: ze leefden als domme bruten en hij haatte hen beiden: die groote zware officier, en de andere, die mooie meneer, met zijn gladde gezicht, en zijn kattesnorren, die hij niet uit kon staan, niet kon úitstaan... Sterker dan hem was het geweest, dat hij hun gesproken had van de arme zielen, maar nu hij zag, dat ze GEK waren, nu zoû hij ze er nooit over spreken meer - want anders zouden ze hem zeker ook ranselen willen en slieren, en trappelen op de arme zielen, als die twee ellendige ploerten hadden gedaan.

Hij bleef dus maar kalm zitten, wachtend tot zij weg zouden gaan en hem alleen zouden laten       , in de stille eenzaamheid, waar hij naar smachtte... Want nu was hij moê, en recht in zijn stoel, sloot hij de oogen, ook om de gezichten van zijn broêrs niet te zien. So he remained calmly seated, waiting for them to go away and leave him alone , in the quiet solitude he yearned for.... For now he was tired, and straight in his chair, he closed his eyes, also not to see the faces of his brothers. Om hem heen lagen de zielen, tallooze, maar zij waren stil, sluimerden als kinderen rondom hem heen, hoewel pijnlijk hun gezichten vertrokken waren, van al het leed, al de pijn, die zij dien nacht hadden moeten lijden... Around him were the souls, countless, but they were silent, slumbering like children around him, though painfully their faces were set off, from all the suffering, all the pain, they had suffered that night....

Gerrit en Paul waren opgestaan, deden of zij naar de vazen keken, praatten zacht... Gerrit and Paul were up, pretending to look at the vases, talking softly

- Hij is nog al kalm, zei Gerrit. - He is quite calm, Gerrit said.

- Ja, maar wat hij zei, was totaal in de war. - Yes, but what he said was totally confused.

- We moeten naar een dokter gaan. - We need to see a doctor.

- Ja, we moeten eerst naar dokter Van der Ouwe... Later misschien naar dokter Reeuws, of wien hij ons aanraadt, een zenuwspecialiteit. - Yes, we need to see Dr. Van der Ouwe first.... Later maybe to doctor Reeuws, or whoever he recommends us, a nerve specialist.

- Hoe vindt je hem? - How do you find him? Bepaald GEK ? Determined GEK ?

- Ja, gek... Wat hij zei, was zoo in de war, als hij nog nooit heeft gesproken. - Yes, crazy... What he said was as confused as he has never spoken before. Tot nog toe was hij maar vreemd, eenzelvig, zonderling... Nu is hij bepaald... Until now he was just strange, solitary, eccentric.... Now he is definitely...

- Gek... voltooide zacht Gerrit. - Crazy... completed softly Gerrit.

- Kijk... hij heeft zijn oogen dicht... - Look... he has his eyes closed...

- Hij is kalm. - He is calm.

- Ja, hij is kalm... - Yes, he is calm...

- Willen we gaan? - Do we want to go? - Ja, laten we gaan... - Yes, let's go...

Zij naderden Ernst. They approached Ernst.

- Ernst... - Ernst...

- Ernst! - Ernst!

Hij sloeg langzaam zijn zware oogleden op. He slowly flicked his heavy eyelids.

- Nu, Ernst, kerel, zei Gerrit. - Now, Ernst, dude, Gerrit said. Wij gaan. We go.

Ernst knikte met het hoofd. Ernst nodded his head.

- We komen wel gauw terug. - We'll be back soon, though.

Maar Ernst sloot weêr de oogen, smachtend, dat zij zouden vertrekken, ze met zijn verlangen de kamer uitdrijvend... But Ernst closed his eyes again, yearning for them to leave, driving them out of the room with his desire....

Zij gingen. They went. Hij hoorde hen de deur zacht toedoen, voorzichtig... Daarna knikte hij waardeerend het hoofd: ze waren niet kwaad, ze maakten de zielen niet wakker... In de gang hoorde hij nu hen fluisteren... met die twee ploerten!... He heard them open the door softly, gently.... Then he nodded his head appreciatively: they were not angry, they did not awaken souls.... In the corridor now he heard them whispering With those two cocksuckers!.... de juffrouw... haar broêr! the miss... her broêr! Hij stond op, sloop naar de dichte deur, wilde luisteren... Maar hij verstond niet... He stood up, snuck up to the closed door, wanting to listen.... But he did not understand...

Toen lachte hij minachtend, omdat hij ze dom vond, zonder oogen, zonder ooren en zonder hart, zonder gevoel... Then he laughed scornfully, because he thought them stupid, without eyes, without ears and without heart, without feeling....

- Ellendige bruten, ellendige bruten! - Miserable brutes, miserable brutes! vloekte hij nu, en balde de vuisten... he cursed now, clenching fists....

Een doodmoêheid sloop over hem heen. A drowsiness crept over him. Hij ging in zijne slaapkamer, donkerde ze met de blinden en legde zich te bed, voelende, dat hij zoû slapen. He went into his bedroom, darkened it with the blinds and put himself to bed, feeling that he would sleep. Rondom hem heen lagen de zielen: de geheele kamer was er vol van. All around him were the souls: the whole room was full of them.