Jan gaat naar de supermarkt
Jan heeft honger.
Hij loopt naar de koelkast.
De koelkast is leeg.
Hij moet naar de supermarkt gaan om eten te kopen.
Jan kijkt op de klok, het is zeven uur.
De supermarkt gaat open om half acht.
Jan maakt snel een boodschappenlijstje, voordat hij boodschappen gaat doen.
Jan denkt na. Wat heb ik nodig?
Jan schrijft een paar dingen op: Brood, appels, ham, kaas, koekjes en koffie.
Jan kijkt weer op de klok, het is nu half acht.
Dat betekent dat de supermarkt nu open is.
Jan pakt zijn fiets.
De banden van zijn fiets zijn slap.
Hij pompt zijn fietsbanden op en rijdt naar de supermarkt.
(Geschreven en ingesproken door niek1337)