×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

image

Kruistocht in Spijkerbroek by Beckman Thea, 2-1 Gestrand!

2-1 Gestrand!

Gestrand! deel een Dolf Wega stond aan de zijkant van een holle weg. Aan weerszijden zag hij hoge bermen, begroeid met bomen, struiken, gras en bloemen. Links van hem helde de weg naar een bocht. Rechts van hem steeg de weg, en daar was eveneens een bocht, zodat hij van zijn omgeving nog maar weinig kon zien. Hij keek naar zijn voeten en ontdekte dat hij op een platte steen stond. Dat kwam even mooi uit! Opeens durfde hij weer te denken, al waagde hij het nauwelijks zich te verroeren. Want hij kon bijna niet geloven dat het wáár was. Toch wel. Hij was in elk geval verplaatst. Of hij zich nu ook in een ander tijdperk bevond, moest hij nog gaan ontdekken. Even wierp hij een blik op zijn horloge. Dat wees twee minuten over één. Liep het goed? Ja... Hij keek weer naar zijn voeten, die naast elkaar op de steen stonden. Hoe hadden ze het zo prachtig kunnen uitmikken! Van alle mogelijkheden die er waren, was de beste eruit gekomen: een goed herkenningspunt, gemakkelijk te markeren. Hij herinnerde zich de vetkrijtjes, haalde ze uit zijn jaszak en bukte zich. Zorgvuldig trok hij eerst met het gele, daarna met het zwarte krijtje een nauwe kring om zijn voeten. Toen borg hij voldaan de krijtjes op en stapte van de steen. Nu goed opletten waar ik loop, dacht hij helder. Ik moet die steen op tijd kunnen terugvinden. Die grote berk daar tegenover mij is ook een mooi herkenningsteken. Het was erg warm en hij pufte in zijn gevoerde windjack. Toch waagde hij het niet de jas uit te trekken, hoewel hij er een dikke grijze trui onder droeg. Verder had hij een spijkerbroek aan, sokken en stevige winterschoenen. Te gek gewoon, want hier was het hoogzomer. De zon brandde op zijn hoofd. De ongeplaveide weg, vol stenen en stof, blakerde in het felle licht. Ik schijn in een soort heuvelland te zijn, dacht hij. Even kijken waarheen die weg voert. Hij liep een eindje de helling af, terwijl het stof onder zijn voeten opstoof. De bocht om, en opeens keek hij uit over een dal met in de verte een stad. ‘Dat moet Montgivray zijn,' juichte hij. ‘Het klopt! Het klopt helemaal!' Want al ging de stad bijna schuil in de hittenevels, hij kon zelfs op die afstand zien dat het geen moderne stad was. Vaag onderkende hij torens en wallen. Diep beneden hem reed over de weg een soort huifkar in de richting van de poort. Op de akkers in het dal zag hij mensen bezig. ‘Ik ben in de Middeleeuwen, ik sta midden in het Frankrijk van de dertiende eeuw,' vertelde hij zichzelf, maar het was bijna niet te geloven. Juist wilde hij aan de verdere afdaling beginnen toen hij iets hoorde. Achter hem, ver weg. Hoefgetrappel, geschreeuw, lawaai. Angstig keek hij om, maar hij zag niets. De bocht onttrok het hoger gelegen stuk weg aan zijn gezichtsveld. Nog meer geschreeuw en wapengekletter - het klonk niet geruststellend. Hadden een eindje hogerop twee vijandig gezinde ridders te paard elkaar op weg naar het grote toernooi ontmoet en waren ze slaags geraakt? ‘Dat moet ik zien,' prevelde Dolf. ‘Als ik er maar voor zorg dat ze mij niet te zien krijgen.' Hij rende terug, klaar om elk ogenblik in de struiken te duiken. Even voorbij de steen met het merkteken schoot hij de bocht om en wat hij toen zag, tussen het opwolkende stof, deed hem vergeten zich te verbergen. Er werd gevochten en hard ook! Twee mannen te paard hadden een derde man, die blijkbaar op een ezel had gereden, overvallen. De ezel stond te balken in de struiken. De man, die nu te voet was, zwaaide schreeuwend en brullend met een geweldige knuppel. De twee kerels te paard droegen bruine overkleren, leren vesten, leren helmen. Ridders waren het beslist niet, hun lompe paarden droegen geen schabrakken en zagen er haveloos en verwaarloosd uit. Met kennelijk te botte zwaarden sloegen ze naar de aangevallene, die zich heftig met zijn knots verdedigde. Op het moment dat Dolf hen in het oog kreeg, slaagde de ezelman er juist in een van zijn belagers zo'n geweldige mep op zijn arm te verkopen dat het zwaard uit diens hand vloog en meters verder in het stof belandde. Toch was het een ongelijke strijd, hoe dapper de man zich ook verweerde. Dolfs bloed begon te koken. ‘Struikrovers,' mompelde hij. Hij verloor alle voorzichtigheid uit het oog, want hij zag dat de ezelman ging verliezen. Woedend rukte hij het mes uit zijn broekriem en stormde naar voren. Vlak voor zich zag hij een been dat juist het paard de sporen gaf. Hij stak toe, blind van razernij. Een felle kreet boven zijn hoofd vertelde hem dat het mes dwars door het overkleed was gegaan en de dij van de rover had opengereten. Meteen trok Dolf het mes terug en stak in het wilde weg omhoog. Het zwaard zwiepte in zijn richting, hij dook opzij maar kreeg toch een mep op zijn schouder. De kracht van de klap was echter gebroken door het mes dat Dolf omhoog had gestoken en het zwaard ging niet door zijn dikke jas heen, al voelde hij zijn schouder en arm tintelen. Hij priemde weer naar het been... Op dat moment verdween de andere rover schreeuwend van zijn paard. Ezelman had hem eraf getrokken. Dolfs tegenstander, met zijn hevig bloedende been, had zijn paard gewend en trachtte de jongen ondersteboven te rijden, maar Dolf was al opzij gesprongen. De rover hield zijn rijdier niet meer in om hem nogmaals aan te vallen, maar bleef doorrijden, gevolgd door het nu ruiterloze paard. Even later waren ze uit het gezicht verdwenen. De tweede rover lag nog op de weg te kermen. Toen weer een klap, en het werd stil. Het gevecht was voorbij. Hijgend liet Dolf zich in het dorre gras naast de weg zakken, streek de haren van zijn natte voorhoofd en staarde verbijsterd naar zijn hand met het bebloede mes. Ik heb hem lelijk geraakt... ik heb een mens verwond, schoot het door hem heen. Ezelman stond nu voor hem. Ook hij hijgde en wiste het zweet van zijn gezicht. Hij zei iets, maar Dolf verstond het niet. Hij deed er ook geen moeite voor, want hij was te zeer ontdaan. Nu het gevecht voorbij was kwam de reactie. Hij schaamde zich, hij kon wel huilen. Zijn linkerschouder brandde als vuur. Ezelman scheen weer op adem te komen. Hij liep weg om zijn ezel te vangen. Daarna bond hij het dier aan een boom en liep naar de roerloze gestalte van de rover, die nog altijd dwars over de weg lag. Verbeten schopte hij tegen het lichaam. Dolf verstijfde toen hij het zag. De rover was dood. Doodgeslagen door die ontzagwekkende knots van ezelman. De jongen rilde. Toen de man hem wenkte stond hij stijfjes op. Hij greep naar zijn linkerarm, vrezend dat er iets gebroken was, maar dat viel mee. Ezelman pakte de dode rover onder de oksels en beduidde Dolf dat hij de benen moest pakken. Samen sleepten ze hem naar de kant van de weg. Toen keken ze elkaar even aan en ezelman glimlachte. Dolf besefte dat hij niet bang hoefde te zijn. Hij had de man het leven gered! Trouwens, de middeleeuwer gedroeg zich tegenover de jongen helemaal niet vijandig. Hij zei weer iets en even meende Dolf een woord te verstaan dat klonk als ‘dank'. De man maakte de ezel weer los en wenkte Dolf hem te volgen. Die deed dat maar al te graag, want in deze wereld scheen alleen rondlopen levensgevaarlijk te zijn. Stel je voor dat die gevluchte rover hulp ging halen of zoiets... In plaats van naar de stad te gaan sloeg de man een paar honderd meter verder een zijpad in dat leidde naar een grazig plekje op de heuvelhelling. Vandaar hadden ze een weids uitzicht over het dal en op de stad in de verte. Om hen heen zongen de vogels uit alle macht. Hoog boven hun hoofden cirkelden haviken. De lucht was warm, geurig, zuiver. Dolf kreeg opeens een gevoel of hij met vakantie was. Ezelman haalde uit zijn reistas brood en koud vlees en bood Dolf er ook wat van aan. Ze gingen in het gras zitten en begonnen gezellig te picknicken. Het brood smaakte ongelooflijk lekker. Het vlees deed Dolf na de eerste hap verrast opkijken. Hij kon niet bepalen of het van een schaap of een varken was, maar het smaakte... het smaakte wild! Een ander woord kon hij er niet voor bedenken. Ezelman zei niets meer, ook hij at. Met sterke witte tanden hapte hij in het brood, scheurde stukken vlees los, nam nu en dan een slok uit een leren veldfles en reikte die Dolf aan. Dolf dronk eruit. De zak scheen verdunde wijn te bevatten, de vloeistof smaakte zachtzuur en tintelend, en leste onmiddellijk zijn dorst. Zijn schouder deed nog pijn, maar dat werd al minder. Hij begon zich zo prettig te voelen dat hij het eindelijk waagde zijn windjack uit te doen. Hij zag hoe de man verwonderd naar zijn trui en spijkerbroek keek. Nu pas drong het tot Dolf door dat de ander nog maar een jongeman was. Hij had lange donkere haren, mooie bruine ogen en een gebruinde huid. Hij was gekleed in een groen overkleed met een leren riem om zijn middel, waaraan een schede met een korte dolk hing. Verder droeg hij bruine laarzen en naast hem lag een hoed - eigenlijk een hoog, groen dopje. Dolf vond dat hij er heel hip uitzag, als een wat vreemd uitgedoste student van de Amsterdamse universiteit. Ze waren klaar met eten. Ezelman keek Dolf recht aan, wees toen op zijn eigen borst. ‘Leonardo,' stelde hij zich voor. ‘Leonardo Fibonacci - da Pisa.' ‘Pisa?' stamelde Dolf verwonderd. Hij was bang dat hij het niet goed had verstaan. Maar de ander knikte. Dolf voelde dat nu van hem ook werd verwacht dat hij zich voorstelde. Je geboorteplaats hoorde daar blijkbaar meteen bij. Dus zei hij, wijzend op zichzelf: ‘Rudolf Wega - van Amstelveen.' Tegelijkertijd besefte hij dat hij nu wel moeilijkheden met de taal zou krijgen. Hij kende geen Frans, laat staan Frankisch! En in Latijn was hij ook geen licht... Leonardo begon nu tamelijk vlug te praten en Dolf kreeg er suizende oren van. Maar hij begreep meteen dat dit geen Oudfrans was en evenmin Italiaans. Het leek een beetje op Nederlands, en op Duits, en toch was het heel anders... ‘Langzaam,' riep hij uit. ‘Zo versta ik het niet.' De ander begreep het en begon hetzelfde verhaal opnieuw, nu heel langzaam en nadrukkelijk, ondersteund met veel gebaren. Dolf luisterde scherp. Telkens herkende hij woorden... Het was Diets! Dat is zoiets als het middeleeuwse Nederlands, schoot het door hem heen. En het is niet eens zo moeilijk te volgen als die man langzaam spreekt. Inderdaad lukte het hem om Leonardo's woorden enigszins te begrijpen. Zo vernam hij dat de jongeman een student was, dat hij twee jaar in Parijs had gestudeerd en nu op weg was naar Bologna om daar zijn studies te voltooien. Hij was al weken onderweg en tot nu toe had hij weinig moeilijkheden ondervonden, totdat hij hier, nog geen uur geleden, plotseling werd overvallen door twee struikrovers die in de eenzame reiziger een gemakkelijke prooi dachten te vinden, maar die niet gerekend hadden op Leonardo's formidabele knuppel, zijn snelheid en de precies op tijd gekomen hulp van de vreemdeling. Dat was ongeveer alles wat Dolf met veel moeite uit het verhaal kon opmaken. Nu verwachtte de student natuurlijk dat de jongen iets over zichzelf zou gaan vertellen. Dolf begon ervan te zweten, maar hij deed zijn best. Proberend de woorden zo uit te spreken als hij het Leonardo had horen doen, vertelde hij dat hij op weg was naar het grote toernooi van hertog Jean de Dampierre te Montgivray. Daarbij wees hij op de stad in de verte. ‘Dampierre? Montgivray?' vroeg Leonardo verbaasd. Dolf knikte en herhaalde het. Weer wees hij op de stad die zinderde in de hitte. ‘Daar. Montgivray.' Leonardo schudde het hoofd. ‘Dat is Montgivray niet,' scheen hij te zeggen. ‘Dat is Spiers.' Spiers? Ongerust wees Dolf naar het noorden. ‘Daar dan? Montgivray?' Weer schudde Leonardo beslist het hoofd. Ook hij wees in noordelijke richting. ‘Daar ligt Worms.' Dolfs mond viel open. Dat kon niet. Worms was een stad in Duitsland. Aan de Rijn... En dat Spiers daar beneden, lag dat soms ook...? Geschrokken tuurde hij met de hand boven de ogen naar de stad. Die lag in een waas van hitte en was slechts onduidelijk te onderscheiden. Maar langzamerhand begon Dolf toch te geloven dat hij een hoog boven alles uitrijzende kerk zag. Hij meende zelfs de vorm te herkennen. Drie jaar geleden was hij met zijn ouders in Speyer geweest, op doorreis naar Zwitserland. Hij herinnerde zich een drukke stad, met veel industrie, een prachtige brug over de Rijn, brede toegangswegen, en vooral herinnerde hij zich de geweldige Dom die voor een deel nog dateerde uit de twaalfde eeuw. Was dat dezelfde kerk? Waren Speyer en Spiers dan dezelfde stad? Maar dan bevond hij zich niet in Frankrijk, dan zat hij in Duitsland! Nee, dat was onmogelijk. Achter de stad zag hij iets glinsteren dat leek op een breed, zilveren lint. Een rivier. Hij wees ernaar. ‘Is dat de Rijn?' Leonardo knikte. O hemeltje, dacht Dolf, dan ben ik toch verkeerd terechtgekomen. Met een ruk wendde hij zich tot de student. ‘In welk jaar leven we?' ‘1212.' Dus dat was in orde. ‘De datum?' ‘?' ‘Welke dag van de maand?' Eindelijk begreep Leonardo hem. ‘Sint-Jan.' Nu wist Dolf nog niets, maar hij durfde niet verder te vragen. Hij zag al hoe Leonardo's nieuwsgierigheid begon te veranderen in wantrouwen. ‘Sint-Jan,' mompelde de student. ‘Tovernacht...' Dolf snapte er niets van. Hij probeerde het nog eens. ‘De hoeveelste dag van de maand is het dan?' ‘De vierentwintigste,' zei Leonardo, verbaasd dat Dolf dat niet wist. De jongen zweeg. Hij dacht na. Tien dagen verschil! Had de computer een fout gemaakt? Of was er een verschil in tijdrekening tussen zijn eeuw en déze? Hij besloot dat eens haarfijn uit te zoeken zodra hij terug was in zijn eigen tijd. Opeens hoorde hij de student vragen: ‘Waar kom je vandaan?' Dat verstond de jongen wel. ‘Uit Amstelveen.' Leonardo haalde de schouders op. ‘Dat ligt in Holland,' verduidelijkte Dolf. ‘Aha... Je komt uit Holland?' ‘Ja.' ‘Waarom versta je me dan bijna niet? In Holland spreken ze toch ook Diets? Of ken je alleen dialect?' Jasses, wat is het allemaal moeilijk, dacht Dolf onrustig. Veel lastiger dan ik had verwacht. Hij zuchtte en trachtte zich te herinneren wat hij over de Middeleeuwen wist. Iedereen van het katholieke geloof. Strijd om de macht tussen Duitse keizers en de paus. De bouw van machtige kathedralen, zoals die daar beneden: de Dom van Spiers. Onveilige wegen, moeilijke verbindingen, kruistochten, toernooien, vetes tussen vorsten en ridders. De wetenschap nog in de kinderschoenen en dus veel bijgeloof. De mensen droegen afweermiddelen bij zich tegen de Duivel, sloegen om elke kleinigheid een kruis en als iets hun tegenzat gaven ze daarvan de Duivel de schuld. Ondanks de onveiligheid van wegen en zeeën werd er veel gereisd... Hij keek op en zag twee bruine konijntjes die op hun achterpoten naar hem zaten te kijken. Hij hoorde Leonardo lachen, zag hem een kluitje aarde naar de diertjes gooien. Ze sprongen op hun gemak weg. En achter hem, in bomen en struiken, tierelierden de vogels. Wat prachtig was het land om hem heen! Ongerept, stralend van schoonheid in de zomerzon. Langs de hellingen en in het brede dal, doorsneden door de rivier, lagen akkers en boomgaarden waar mensen aan het werk waren. Geen gebrom van auto's, geen gegier van vliegtuigen. Geen stank van uitlaatgassen of fabrieken. Dolf kreeg plotseling tranen in de ogen. Waar was deze prachtige wereld gebleven in de twintigste eeuw?

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE