OK, ik doe wat je wil.
Ik zou het niet moeten doen maar ik doe het.
Hé.
Ik dacht net aan iets.
Is er nu iemand thuis?
Nee, ze zijn beiden weg.
Wat bedoel je daar mee?
Wanneer komen ze terug?
Hij komt vanavond laat terug.
Hij speelt golf met zijn vrienden.
En zij?
Ze zal over een uur van haar werk terug komen.
We hebben een uur voordat het meisje thuis komt.
Wat bedoel je daarmee?
Ik hou er niet van wat ik hoor.
Maak je niet ongerust.
Laat het maar aan mij over.
Alles komt goed.
Ik weet wat je denkt en ik hou er helemaal niet van.
Wacht eventjes.