×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

Sign Up Free
image

Andersens Sproken en vertellingen van H. C. Andersen, HET LELIJKE JONGE EENDJE Deel 3

HET LELIJKE JONGE EENDJE Deel 3

«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers niemand kwaad!»

«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zo vreemd uit,» zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»

«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met het lapje om de poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat is mislukt; ik zou wel willen, dat je dat eens wat anders kondt maken.»

«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende, pakte zij het beet en streek zijn veren glad. «Bovendien is het een woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zo veel niet toe. Ik denk, dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed te verweren.»

«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun je dien wel aan mij brengen.

» En zo waren zij er dan zoo goed als thuis.

Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er zo lelijk uitzag, werd gebeten, gestoten en voor den gek gehouden, en dat zowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!» zeiden allen, en de kalkoense haan, die met sporen ter wereld gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keren; het was treurig, omdat het er lelijk uitzag en door al de anderen bespot werd.

Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou lelijk schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid, die de beesten eten moest geven, schopte het.

Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo lelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep toen weer voort. Zoo kwam het aan het grote moeras, waar de wilde eenden woonden. Hier lag het de gehele nacht; het was vermoeid en verdrietig.

Source: LibriVox read by (gelezen door): Anna Simon

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE