×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

image

LUISTERSPROOKJES, 23 Gelukkige Hans

23 Gelukkige Hans

Er was eens een jongen die van huis was weggegaan om bij een rijke boer te werken. Zijn naam was Hans. Hij had het erg naar zijn zin bij de boer. Hij kreeg goed te eten en te drinken, en de boer en de boerin waren altijd aardig voor hem.

Maar na een paar jaar kreeg Hans heimwee naar huis en dat zei hij tegen de boer. Die begreep wel dat Hans naar huis wilde en hij gaf hem een zak vol gouden munten. “Die heb je verdiend, Hans,” zei de boer. En Hans slingerde de zak over zijn schouder. Hij nam afscheid en ging op weg.

Hij had nog maar een klein eindje gelopen, toen hij bleef staan om uit te rusten, want de zak met gouden munten was heel zwaar. Hij wilde net de zak van zijn schouder tillen, toen er een man op een paard kwam aanrijden. “Ho paard,” zei de man. Het paard bleef vlak voor Hans staan.

“Jongen, wat zie jij er moe uit,” zei de man. “Wat sleep je met je mee?”

“Deze zak zit vol gouden munten. Hij is verschrikkelijk zwaar. En ik moet nog een heel eind lopen voordat ik thuis ben,” zei Hans.

“Heb je er wel eens aan gedacht dat je op een paard veel sneller vooruit komt,” zei de man. “Als je mij dat goud geeft, krijg jij mijn paard.”

“Dat lijkt me een goede ruil,” zei Hans. En hij gaf de zak met gouden munten aan de man. De man hielp Hans op het paard en liep lachend weg.

“Vooruit, paard,” zei Hans. Hij had nog nooit op een paard gezeten. Het paard begon rustig over de weg te draven.

Na een tijdje dacht Hans: “Zo schiet ik niet erg op”. Hij leunde voorover en schreeuwde tegen het paard: “Vlugger, vlugger, opschieten”.

Maar daar had het paard helemaal geen zin in. Hij schudde met zijn hoofd en toen Hans hem aan zijn manen trok, werd het paard zo boos dat hij begon te bokken en Hans vloog met een boog van zijn rug af. Terwijl Hans overeind krabbelde, zag hij een jongen die het paard had gevangen. De jongen had een koe bij zich.

“Ik ga nooit meer op een paard zitten,” zei Hans. “Ik denk dat ik veel beter een koe zou kunnen hebben. Die geeft elke dag melk en van melk kan boter en kaas gemaakt worden. Ik denk dat mijn moeder best een koe zou willen hebben.

“Maar een paard is ook wel een nuttig dier,” zei de jongen. “Je kunt erop rijden en hij kan een kar of een ploeg trekken.”

“Dat kan wel zo zijn, maar ik zou toch liever een koe dan een paard hebben,” zei Hans.

“Dat komt goed uit,” zei de jongen. “Ik zou best mijn koe voor jouw paard willen ruilen. Maar de koe is jammer genoeg niet van mij. Hij is van mijn baas en die moppert toch altijd al dat ik alleen maar domme dingen doe.”

“Ik weet zeker dat hij je heel verstandig zal vinden als je zijn koe voor mijn paard zou ruilen. Want zoals je zelf al zei, kan een paard heel veel dingen doen,” zei Hans.

“Goed dan,” zei de jongen. “Ik ruil de koe voor het paard.”

“Daar zul je geen spijt van krijgen,” zei Hans. “Het is echt een goede ruil.”

Hij hielp de jongen op het paard en nam afscheid. Hij pakte het touw dat de koe om haar hals had en trok haar met zich mee.

Na een tijdje kreeg Hans dorst. Hij stopte en zei tegen de koe: “Ik ga je melken. Ik denk wel dat ik dat kan, want ik heb vaak genoeg gezien hoe het melkmeisje van de boer het deed.”

Hij ging onder de koe zitten en toen… dacht hij er ineens aan dat hij geen emmer had om de melk in op te vangen. Hij stond zuchtend op en keek om zich heen of hij ergens een huis zag waar hij een emmer zou kunnen lenen. Maar er was in geen velden of wegen een huis te bekennen.

Hans sjokte verder met de koe naast zich. “Ik vraag me af of ik er wel zo verstandig aan heb gedaan mijn gouden munten voor een paard te ruilen, want nu heb ik zelfs geen geld om eten te kopen. En als ik het paard niet voor de koe had geruild, zou ik nog voor het donker thuis zijn geweest, ook al zou het paard de hele weg nog zo langzaam hebben gelopen,” dacht hij.

Het werd donker en Hans ging langs de kant van de weg liggen slapen.

De volgende ochtend werd hij al heel vroeg wakker. De koe stond heel hard te loeien. Ze wilde gemolken worden.

“Houd op!” gilde Hans. “Ik kan het toch niet helpen, dat ik geen emmer heb.”

De koe gaf hem met een van haar achterpoten een harde trap tegen zijn hoofd. Hans greep naar zijn hoofd en voelde dat hij een buil kreeg.

Op dat ogenblik kwam er een man voorbij. Hij liep achter een kruiwagen, waarin een biggetje zat.

“Wat is er aan de hand, jongen?” vroeg hij.

“De koe heeft mij een trap gegeven, omdat ik haar niet kan melken, want ik heb geen emmer,” zei Hans. “En ik heb ook erge dorst.”

“Daar kan ik wel wat aan doen,” zei de man. En hij gaf Hans een fles met water. Hans dronk en veegde met zijn hand zijn lippen af.

“Wat hebt u daar een mooi biggetje,” zei hij. “Ik denk dat ik veel liever een biggetje zou hebben dan een koe die ik niet kan melken.”

“Daar weet ik wel wat op,” zei de man. “Geef mij je koe, dan krijg jij mijn biggetje.”

“Dat is een goede ruil,” zei Hans. De man deed een touw om de hals van het biggetje en gaf het aan Hans.

Hans liep fluitend verder. Hij was goed uitgerust. Hij had geen dorst meer en als hij flink zou doorlopen, zou hij nog dezelfde avond thuis kunnen zijn.

Even later kwam hij een jongen tegen, die een gans onder zijn arm droeg.

“Hoe kom jij aan dat biggetje?” vroeg de jongen.

“Die heb ik geruild voor mijn koe,” zei Hans.

“Ik hoop dat de mensen in het dorp dat geloven,” zei de jongen. “In het dorp is vannacht een biggetje gestolen. Ze zullen vast denken dat jij het hebt gedaan. Maar je lijkt me een eerlijke jongen. Weet je wat we doen? Ik geef jou mijn gans in ruil voor het biggetje.”

“Nou, graag,” zei Hans. “Ik wil niet dat de mensen denken dat ik een dief ben.” En hij ruilde het biggetje voor de gans.

Hans liep verder en even later kwam hij in het dorp.

Op het dorpsplein zat een man op een grote ronde steen scharen en messen te slijpen. Terwijl hij werkte, zong hij vrolijk:

“Mijn steen draait lustig rond en ik zing het hoogste lied, want ik ben heel gezond dus treurig ben ik niet”.

“Waarom bent u zo vrolijk?” vroeg Hans nieuwsgierig.

“Omdat ik altijd genoeg geld verdien om te eten en te drinken en om een bed in de herberg te kunnen betalen,” zei de man. “Vertel me eens jongen, hoe kom je aan die gans?”

“Die heb ik voor een biggetje geruild,” zei Hans. “En het biggetje heb ik voor een koe geruild, en de koe voor een paard en het paard voor een zak vol gouden munten.”

“En hoe ben je aan die gouden munten gekomen?” vroeg de man. “Die heb ik verdiend door zeven jaar hard bij een boer te werken,” zei Hans.

“Dan weet je dus heel goed dat je nooit gebrek zult hebben als je hard werkt.”

“Dat is waar,” zei Hans. “Daar heb ik nooit aan gedacht.”

“Waarom word je niet, zoals ik, scharenslijper?” vroeg de man. “Ik heb nog een mooie steen over. Die mag je wel hebben, als je mij je gans geeft.”

“Daar moet ik eerst eens over nadenken…” zei Hans. “Ik heb zeven jaar hard gewerkt om een zak vol gouden munten te verdienen. Maar omdat de gouden munten zo zwaar waren, toen ik ze mee moest sjouwen heb ik ze voor een paard geruild. Toen merkte ik dat een paard heel eigenwijs kan zijn. Hij gooide me van zijn rug toen ik wilde dat hij harder liep. Ik heb nog overal blauwe plekken. Daarom ruilde ik het paard voor een koe. Maar als je met een koe op reis bent, moet je ook een emmer bij je hebben. Anders kun je de koe niet melken. En als je de koe niet melkt, wordt ze boos en geeft je een trap. Ik heb er nog een grote buil van op mijn hoofd. Daarom ruilde ik de koe voor een biggetje. Maar een jongen vertelde me dat de mensen in dit dorp zouden denken dat ik het biggetje gestolen had. En omdat ik niet wilde dat de mensen dat zouden denken, ruilde ik het voor deze gans. Maar eigenlijk vind ik het lastig om zo'n gans met me mee te dragen. Die gans probeert steeds te ontsnappen. Ik geloof dat een mens beter niets kan bezitten.”

“Je hebt gelijk,” zei de scharenslijper. “Ik bezit ook niets. Ik verdien iedere dag precies genoeg om te kunnen eten en drinken. Dat vertelde ik je al.”

Hans dacht diep na en zei toen: “Misschien is het toch wel een goed idee om scharenslijper te worden. U kunt mijn gans krijgen als u mij de slijpsteen geeft. Wilt u me dan voordoen hoe ik scharen en messen moet slijpen?”

“Ga hier maar op deze steen zitten,” zei de scharenslijper…”Want wat dit beroep zo aangenaam maakt, is dat je erbij kunt zitten.”

Hans ging zitten en keek hoe de scharenslijper de messen en scharen op de steen scherp sleep.

Toen Hans dacht dat hij het slijpen ook zelf wel zou kunnen, gaf hij de gans aan de scharenslijper. Hij tilde de kei op zijn schouder, nam de slijpsteen onder zijn arm en ging weer op weg.

Hij kwam maar langzaam vooruit, want de kei en de slijpsteen waren verschrikkelijk zwaar.

“Het is allemaal nog zwaarder dan de zak met gouden munten,” zuchtte Hans.

Even later kwam hij bij een waterput. Hij liep erheen, want hij had van het sjouwen verschrikkelijke dorst gekregen.

Toen hij bij de put kwam, leunde hij zonder na te denken over de rand. De zware kei gleed van zijn schouder en viel met een harde plons in het water. De spetters vlogen om zijn oren en… daarvan schrok Hans zo erg, dat hij ook de zware slijpsteen liet glippen.

Verdrietig ging Hans bij de waterput zitten. “Nu heb ik niets meer,” zei hij. “Zelfs geen slijpsteen, waarmee ik de kost had kunnen verdienen. Maar ja, zo erg is het ook weer niet want die stenen waren toch wel erg zwaar om mee te sjouwen. En ik heb ook geen gans meer. Ach en wat zou ik met een gans moeten doen. Van een gans kun je niet eens genoeg veren plukken om een kussen te vullen. En als ik het biggetje had gehouden, was ik misschien wel in de gevangenis terechtgekomen. Misschien had ik de koe beter niet kunnen wegdoen, maar dan had ik wel iedere ochtend vroeg moeten opstaan om haar te melken. Of had ik toch het paard moeten houden? Wel nee, paardrijden is misschien wel leuk, maar een paard moet je borstelen en je moet de stal schoonmaken. Had ik in plaats van het paard de zak met gouden munten moeten houden? Ook niet, want die munten waren net zo zwaar als de kei en de slijpsteen. En als je gouden munten hebt, kun je nog beroofd worden ook.”

Opeens sprong Hans overeind en riep vrolijk: “Ik bezit niets meer, maar ik hoef me dus ook nergens zorgen over te maken. Eigenlijk ben ik een geluksvogel.”

En Hans begon heel hard naar huis te rennen. Hij schoot flink op, want hij hoefde niets meer met zich mee te sjouwen of achter zich aan te trekken. Hans voelde zich de gelukkigste jongen van de wereld.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE