×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

LUISTERSPROOKJES, 06 Hans en Grietje – Text to read

LUISTERSPROOKJES, 06 Hans en Grietje

Beginner 2 Dutch lesson to practice reading

Start learning this lesson now

06 Hans en Grietje

Aan de rand van een groot, donker bos woonde eens een houthakker met zijn kinderen Hans en Grietje. Zijn vrouw was gestorven. Een paar jaar na haar dood trouwde de houthakker opnieuw. Maar zijn tweede vrouw was niet zo lief als hij had gedacht. En ze hield ook niet van kinderen.

De houthakker ging elke dag naar het bos om hout te hakken. Hij werkte erg hard. Maar hoe hij ook zijn best deed, hij verdiende bijna nooit genoeg om voor zijn vrouw en kinderen eten te kunnen kopen.

Op een avond, toen Hans en Grietje al naar bed waren, zei de houthakker tegen zijn vrouw: “Wat moeten we de kinderen morgen te eten geven? We hebben bijna geen eten meer in huis.”

“En we hebben ook niet genoeg geld om eten te kopen,” zei de vrouw.

“Maar de kinderen zijn jong en sterk dus moeten ze van nu af aan maar voor zichzelf zorgen. We nemen ze morgen mee naar het bos en laten ze daar achter!”

“Maar… we kunnen de kinderen toch niet zomaar in het bos achterlaten,” zei de houthakker wanhopig. “Dan worden ze vast en zeker door de wilde dieren opgegeten.”

“Maar je kunt ze niet een te eten geven,” zei de vrouw boos, “er zit dus niet anders op.”

De houthakker zei dat hij er niets van wilde weten. Maar zijn vrouw werd steeds bozer, zo boos dat de houthakker maar niets meer zei. En tenslotte gaf hij toe.

Intussen waren Hans en Grietje wakker geworden door de ruzie. En ze hadden ook gehoord wat hun stiefmoeder van plan was. Grietje begon te huilen maar Hans fluisterde: “Huil maar niet, Grietje. Ik vind de weg naar huis wel terug.”

Diep in de nacht, toen iedereen sliep, sloop Hans de trap af. Hij deed de keukendeur open en ging de tuin in. Daar lagen honderden witte kiezelsteentjes te schitteren in het maanlicht. Hans stopte zijn zakken vol met steentjes, sloop naar boven en kroop weer in bed.

De volgende morgen werden Hans en Grietje door hun stiefmoeder wakker gemaakt. “Kom we gaan naar het bos,” zei ze. “Jullie mogen daar spelen terwijl ik vader help met houthakken. We maken er een gezellige dag van.”

Hans en Grietje zeiden niets. Een half uur later liepen ze achter hun ouders aan het donkere bos in. Hans liep helemaal achteraan.

“Waarom treuzel je toch zo,” riep zijn stiefmoeder, “loop toch door!” “Ja, ja,” zei Hans, maar hij bleef achteraan lopen en telkens liet hij een wit kiezelsteentje op de grond vallen.

Na een poos bleven de houthakker en zijn vrouw staan.

“Arme kinderen, jullie zullen wel moe zijn,” zei de stiefmoeder. “Ga maar lekker in het gras zitten en rust wat uit. Hier zijn een paar boterhammen. Straks komen we jullie wel halen!”

De kinderen aten hun boterhammen op en gingen daarna spelen. Tenslotte vielen ze onder een boom in slaap. Toen ze wakker werden, was het al bijna donker en ze waren nog steeds alleen.

“We vinden de weg naar huis nooit terug,” snikte Grietje “Wat moeten we doen?” Maar Hans lachte en wees naar de kiezelsteentje die hij steeds op de grond had laten vallen.

Hans gaf Grietje een hand en zo liepen ze samen langs het spoor van kiezelsteentjes naar huis. Ze klopten aan en hun vader kwam naar buiten. Wat was de houthakker blij dat hij zijn kinderen terugzag. Maar de stiefmoeder keek boos en stuurde Hans en Grietje meteen naar bed. “Kijk maar niet zo blij,” zei ze tegen haar man. “Want morgen brengen we de kinderen zo ver het bos in, dat ze de weg naar huis nooit meer terugvinden!”

Hans en Grietje die natuurlijk wakker waren gebleven, hoorden wat hun boze stiefmoeder zei. En toen iedereen sliep, ging Hans naar beneden om steentjes uit de tuin te gaan halen. Maar wat was dat? De keukendeur zat op slot. Arme Hans! Hij kroop weer in bed en probeerde iets anders te verzinnen.

“Hans en Grietje, opstaan!” riep hun stiefmoeder de volgende morgen. “We gaan weer naar het bos. En Hans mag de boterhammen dragen.”

Hans ging weer achteraan lopen. En die keer liet hij telkens een stukje brood op de grond vallen.

“Loop toch een beetje door, Hans,” riep zijn stiefmoeder. Toen ze ver in het bos waren, zei de stiefmoeder: “Eten jullie je boterhammen maar op. Wij gaan intussen houthakken.”

Hans en Grietje waren zo moe van de lange wandeling, dat ze eerst wat wilden rusten. Ze vielen meteen in slaap. Toen ze wakker werden, was het al donker. En weer waren ze helemaal alleen. Maar deze keer huilde Grietje niet. “Wat heb je nu op het pad laten vallen Hans?”

“Stukjes brood,” zei Hans.

“Maar waar liggen ze dan?” vroeg Grietje. “Ik zie niks.” En hoe ze ook zochten, nergens zagen ze stukjes brood liggen. De vogels hadden ze opgegeten…

Het werd koud in het bos. Hans en Grietje gingen onder een boom liggen en kropen dicht tegen elkaar aan. In de loop van de nacht begon het te vriezen alles werd wit van de rijp.

Toen de vogels zagen hoe koud Hans en Grietje het hadden, begonnen ze te zingen: “Het is onze schuld, want wij hebben de broodkruimels opgegeten”.

En ze gingen bladeren zoeken en lieten die op de kinderen vallen, zodat ze het niet zo koud meer hadden.

De volgende morgen liepen Hans en Grietje verder. Na een tijdje kwamen ze bij een open plek in het bos. Midden op die open plek stond een huisje. Het was een heel bijzonder huisje, want het was gemaakt van allemaal lekkere dingen. De muren van het huisje waren van peperkoek, de ramen van suikergoed en het dak was van chocolade.

Hans en Grietje hadden ontzettende honger. Ze renden naar het huisje en begonnen stukjes koek van de muren af te breken. Plotseling hoorden ze iemand in het huisje zeggen:

“Knibbel, knabbel, knuisje, wie knabbelt aan mijn huisje”?

En de kinderen antwoordden:

“Dat doet de wind,

die snoepen zo lekker vindt”.

Toen kwam er een oud vrouwtje naar buiten.

“Jullie mogen mijn huisje niet opeten, lieve kinderen,” zei ze. “Kom maar binnen, dan zal ik pannenkoeken voor jullie bakken.”

Hans en Grietje gingen mee naar binnen en vertelden de vrouw dat ze verdwaald waren.

“Ach, arme kinderen,” zei de oude vrouw, en begon gauw beslag te maken. Even later stonden er twee heerlijke pannenkoeken op tafel.

“Wat was dat lekker,” zei Hans, toen hij zijn pannenkoek op had. “Zal ik de afwas voor u doen?”

“Nee dat hoeft niet,” zei de oude vrouw. “Maar misschien wil je zo vriendelijk zijn om die kooi daar voor me uit te vegen.”

Hans kroop met een stoffer en blik in de kooi. Maar ineens sloeg de deur van de kooi met een klap achter hem dicht. De oude vrouw klapte in haar handen van plezier.

“Ik heb je te pakken!” riep ze. “Ik ben een heks, ha, ha, ha, ha. Ik ga je vetmesten, jongetje. En als je dik genoeg bent, eet ik je op. Hi, hi, hi!”

Grietje werd niet opgesloten, maar ze moest heel hard werken voor de heks. Ze moest iedere dag de vloeren vegen en dweilen en ander werk doen.

Elke dag liep de heks naar de kooi en zei tegen Hans: “Steek eens een vinger door de tralies, jongetje”.

Dan pakte de heks zijn vinger vast en voelde of die al dikker werd.

“De heks kan zeker niet goed zien,” dacht Grietje. En toen de heks even niet keek, sloop ze naar de kooi en fluisterde Hans gauw iets in zijn oor.

De volgende dag liep de heks weer naar de kooi om de vinger van Hans te voelen. Naar in plaats van zijn vinger stak Hans een kippenbotje door de tralies.

“Te dun,. nog veel te dun,” riep de heks. “Je bent veel te mager om je op te eten. Ik denk dat ik maar soep van je ga koken!”

De heks zei tegen Grietje: “Zet een grote pan water op het fornuis, want ik ga soep koken van je broertje. Stook het vuur maar goed op.”

“Het fornuis brandt mevrouw,” zei Grietje even later. “Maar ik weet niet of er genoeg hout in zit.”

"Dom Kind!" schreeuwde de heks. "Ga uit de weg. Ik zal het zelf wel doen." De heks liep naar het fornuis en bukte zich om naar het vuur te kijken. Op dat ogenblik gaf Grietje de heks een heel harde duw, zodat ze voorover in het fornuis viel. Grietje sloeg de deur van het fornuis met een klap dicht en rende naar de kooi om Hans te bevrijden.

"Laten we heel gauw maken dat we hier wegkomen," zei ze.

"Wacht eens even," zei Hans. We gaan niet met lege handen naar huis.

En Hans en Grietje maakten van het chocolade-dak van het huisje een slee en die laadden ze vol met peperkoek en suikergoed. Ze trokken de slee door het bos en gelukkig vonden ze na een poosje de weg naar hun huis. Toen ze daar aankwamen, zagen ze hun vader naar buiten komen. Zijn vrouw was bij hem weggelopen en hij miste zijn kinderen heel erg. En daar zag hij ineens Hans en Grietje aankomen. Hij rende hen tegemoet en alle drie huilden ze van blijdschap.

De volgende dag stonden ze vroeg op en met zijn drieën trokken ze de slee naar de stad. Daar verkochten ze al het lekkers: de peperkoek, het suikergoed en de chocolade. En toen alles was verkocht, hadden ze zoveel geld dat ze voor een hele tijd te eten hadden.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE