×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

LUISTERSPROOKJES, 05 De geest van kapitein Been – Text to read

LUISTERSPROOKJES, 05 De geest van kapitein Been

Beginner 2 Dutch lesson to practice reading

Start learning this lesson now

05 De geest van kapitein Been

Vlakbij de haven van een Engels vissersdorp lag de oude herberg „Het Kraaiennest".

Op een warme zomeravond zat Pip, de neef van de eigenaar, op de stoep van de herberg. Binnen zat zijn oom Ed met een vreemdeling te praten. Aan de tafel op het terras zaten drie vissers. Pip luisterde naar het spannende verhaal dat een van de vissers vertelde.

„Been heette hij,” zei de man, „kapitein Willem Been. Hij kwam uit Holland. Hij liet schepen op de rotsen lopen, vermoordde de bemanning en roofde de lading. Ze hebben hem honderd jaar geleden opgehangen. Hij ligt op het kerkhof van ons dorp begraven. Men zegt dat zijn geest 's nachts rondspookt."

„Heeft iemand hem ooit gezien?” vroeg Pip. „Jazeker,' ' zei de grootste man, „ik heb hem gezien. De kettingen waarmee hij vastgebonden was, zaten nog om zijn nek. Het was een vreselijk gezicht!”

De man lachte. „Pas maar op, Pip!” ging hij verder. „Misschien spookt hij vanavond wel, want het is volle maan.”

De drie vissers dronken hun bier op en vertrokken. Pip bracht de bierpullen binnen. De vreemdeling was weg en oom Ed was de vloer aan het vegen. Pip maakte de tafels schoon en blies de olielampen uit. Daarna ging hij naar boven.

„Goedenacht, oom Ed! " zei hij. Zijn oom wenste hem ook welterusten.

Even later lag Pip in bed. Hij hoorde het breken van de golven op de rotsen en de volle maan scheen naar binnen. Pip kon maar niet in slaap komen. Na een uur stapte hij uit bed en trok zijn kleren aan. Daarna klom hij uit het raam en liet zich langs de regenpijp naar beneden zakken.

Pip liep naar het kerkhof en klom over de muur. Op dat ogenblik kraste er een uil en schoof er een wolk voor de maan langs. Pip liep langs de grafstenen en las de namen die erop stonden. Eindelijk vond hij wat hij zocht. In de hoek van het kerkhof stond een grote graftombe met een stalen hek eromheen. Captain William Bones (dat is Engels voor kapitein Willem Been) stond er op de tombe.

De maan kwam weer tevoorschijn. Pip drukte zijn gezicht tegen het hek om te lezen wat er nog meer op de tombe stond. Plotseling ging het hek open Pip rolde naar binnen.

Pip kwam overeind. Hij zag iets in het maanlicht glimmen. Het was een koperen knop die aan de graftombe van kapitein Been vast zat. Pip pakte de knop beet en trok er hard aan. De stenen deur van de tombe ging open en Pip zag een lange, smalle trap.

Opeens kwam er een vleermuis naar buiten vliegen. Pip schrok even. Daarna liep hij voorzichtig de trap af. Een straal maanlicht scheen naar binnen. Ineens sloeg de deur met een harde klap achter hem dicht. Het werd pikdonker en Pip zag niets meer. Maar hij liep dapper verder.

De trap was glad. Er groeide hier en daar mos op. Gelukkig zat er een touw aan de muur. Pip hield zich vast aan het touw en ging langzaam naar beneden. Toen hij op de laatste traptrede stond, hoorde hij het ruisen van de zee. Hij zag het maanlicht op de golven schijnen. Pip liep rond een grote steen. De trap was uitgekomen in een grot en de steen lag voor de opening.

Pip liep naar buiten. Hij zag nergens een pad. Maar misschien kon hij wel naar huis zwemmen.

Opeens zag Pip een lichtje. Er kwam een bootje aanvaren. Voorin stond een geraamte met kettingen om zijn nek en een lamp in zijn hand. Het was de geest van kapitein Been.

Pip schrok zich een hoedje en verstopte zich gauw achter de steen. Zijn haren stonden recht overeind van schrik.

De boot werd geroeid door twee in het wit geklede figuren. De boot schoof op strand en het geraamte sprong eruit. Het keek om zich heen en kwam toen op de grot af!

Pip kroop nog verder achter de steen weg. Hij rilde van angst. Het geraamte kwam steeds dichterbij. Opeens streek er witte, benige hand langs de steen, die probeerde Pip bij zijn haar te pakken.

„Ik ben Been, kapitein Been!” riep het geraamte. „Wat doe jij op mijn strand?"

Pip sprong op en rende de grot in. Hij vloog de trap op zo snel hij maar kon.

Een paar keer gleed hij uit op de gladde treden. Hij deed zijn knieën gemeen pijn, maar hij bleef rennen. De geest van kapitein Been kwam achter hem aan! Zijn laarzen dreunden op de trap en zijn kettingen rammelden.

Pip begon nog harder te rennen. Maar wat moest hij doen als hij boven was? Hij kon er niet uit, want de deur was dichtgevallen.

De geest kwam steeds dichterbij en schreeuwde telkens: „lk ben Been, kapitein Been! Ik ben zeerover, strandjutter en moordenaar!”

Op het ogenblik dat de geest Pip bijna te pakken had, vloog plotseling de deur van de graftombe open. Pip zag zijn oom Ed en een groep mannen... en de vreemdeling.

Ze hadden allemaal geweren bij zich. De geest vloekte, draaide zich om en rende de trap af. Een sterke hand greep Pip bij zijn arm en trok hem naar buiten.

„Kom maar jongen, je bent veilig. Ga even opzij, dan kunnen wij kapitein Been achterna!”

De vreemdeling gaf een teken en zes mannen renden de trap af.

Pip ging op de grond zitten. Zijn hart bonsde en hij zag heel bleek.

„Rustig maar, Pip,” zei oom Ed. „Dat was de geest van kapitein Been niet. Het was een dranksmokkelaar. En de vreemdeling die vanavond met mij in de herberg zat te praten is van de douane.

Hij zit al weken achter een bende smokkelaars aan.' '

Even later kwamen de zes mannen terug. Ze hadden drie mannen gevangen genomen. Ze hadden lakens om. De grootste man had een zwart laken om, waarop met witte verf een geraamte was geschilderd. Toen de mannen van de douane het laken wegtrokken, zag Pip de man die eerder op de avond bij de herberg het verhaal van kapitein Been had verteld.

Pip en oom Ed liepen terug naar de herberg. Het was al één uur in de nacht. Oom Ed deed de voordeur op slot.

Pip ging op de rand van zijn bed zitten om zijn schoenen uit te trekken. Oom Ed liep naar het raam en deed het stevig dicht.

„Zo, nu kun je er 's nachts tenminste niet meer uitklimmen,” zei hij.

Pip vond het helemaal niet erg. Hij was blij dat hij weer veilig thuis was. Nog even hoorde hij de uilen krassen op het kerkhof en de golven breken tegen de rotsen. Toen viel hij in een diepe slaap.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE