A) Sara heeft de hele ochtend geprobeerd om ontbijt te maken.
Haar zoon en man hebben ook op het ontbijt gewacht.
Sara keek in de koelkast, maar er was niet veel te eten.
Sara zag eieren, brood en melk.
Dus besloot ze om wat eieren te koken.
Ze bracht een pan water aan de kook, en ze deed drie eieren in het water.
Ze zette ook thee voor haar man en haarzelf.
Haar zoon dronk in plaats daarvan jus d'orange.
B) Ik probeer al de hele ochtend ontbijt te maken.
Mijn zoon en man wachten ook de hele ochtend al op ontbijt.
Ik heb in de koelkast gekeken.
Maar er is niet veel te eten.
Ik heb eieren, brood en melk gezien.
Dus ik heb besloten om wat eieren te koken.
Ik breng een pan water aan de kook, en ik doe drie eieren in het water.
Ik zet ook thee voor mijn man en mezelf.
Mijn zoon drinkt in plaats daarvan jus d'orange.
Vragen:
Een : Sara heeft geprobeerd om ontbijt te maken.
Wat heeft Sara geprobeerd te maken?
Sara heeft geprobeerd om ontbijt te maken.
Twee : De man en zoon van Sara zaten op het ontbijt te wachten.
Waar zaten zij op te wachten?
Zij zaten ook op het ontbijt te wachten.
Drie : Er lag niet veel eten in de koelkast.
Lag er veel eten in de koelkast?
Nee, er lag niet veel eten in de koelkast.
Vier : Sara had eieren, brood en melk in de koelkast gezien.
Wat had Sara in de koelkast zien liggen?
Sara had eieren, brood en melk in de koelkast gezien.
Vijf : Sara besloot om wat eieren te koken.
Wat besloot Sara?
Sara besloot om wat eieren te koken.
Zes : Sara brengt een pan water aan de kook en heeft daar drie eieren in gedaan.
Wat heeft Sara gedaan?
Sara brengt een pan water aan de kook en heeft daar drie eieren in gedaan.
Zeven : Sara heeft ook thee voor haar man en haarzelf gezet.
Wat heeft ze nog meer gedaan?
Sara heeft ook thee voor haar man en haarzelf gezet.
Acht : De zoon van Sara drinkt jus d'orange.
Drinkt de zoon van Sara thee?
Nee, de zoon van Sara drinkt geen thee.
Hij drinkt jus d'orange.