×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.

Dutchies to be, ZULLEN & GAAN for the future tense in Dutch… – Text to read

Dutchies to be, ZULLEN & GAAN for the future tense in Dutch (NT2 - A2) - YouTube

Beginner 1 Dutch lesson to practice reading

Start learning this lesson now

Hallo allemaal, Dutchies to be!

"Vandaag GAAN we kijken naar de werkwoorden ZULLEN en GAAN

om iets te zeggen over de toekomst."

Ik kan deze zin ook anders maken:

"Vandaag ZULLEN we kijken" of "Vandaag ZULLEN we GAAN kijken

naar de werkwoorden ZULLEN en GAAN om iets te zeggen over de toekomst."

Het is niet zo dat je altijd ZULLEN en GAAN in dezelfde soort context kunt gebruiken

dus daarom laat ik jullie vandaag zien wat nou een beetje de verschillen zijn.

En ik wil ook alvast zeggen dat er ook andere manieren zijn om iets te zeggen over de toekomst

maar die bespreek ik niet in deze video omdat de video dan te lang zou worden

en daarom kijken wij naar ZULLEN en GAAN

maar als wel iets meer wilt leren over ook de andere manieren dan kun je naar de online school gaan

en daar in de intermediate course in les 11 oefenen met het "futurum",

want zo heet deze tijd als je iets zegt over de toekomst.

ZULLEN en GAAN zijn dus werkwoorden die je kunt gebruiken om iets te zeggen over de toekomst

maar ze hebben ook allebei ander soort gebruiken, of ander soort betekenissen

en dat wil ik eerst kort laten zien, zodat je goed weet wat dan het verschil is .

GAAN bijvoorbeeld ken je waarschijnlijk ook wel van "gaan naar" (to go to).

Bijvoorbeeld: "Ik ga om 9:30 naar bed".

Of: "Ik ga naar Leiden."

Of gewoon: "Ik ga."

In deze zinnen is GAAN het hoofdwerkwoord en het betekent letterlijk "ergens naartoe gaan".

En je kunt ook GAAN gebruiken met een andere prepositie, of je kunt er een samenstelling (=scheidbaar werkwoord!) van maken

en dan betekent het ook iets anders.

Bijvoorbeeld: "Deze video gaat over zullen en gaan."

Of: "Ga je met me mee?"

En dat is dan "meegaan" of "de telefoon gaat over".

Dus hier zie je dat GAAN steeds een hoofdwerkwoord is.

Maar als je zegt: "Ik ga om 21.30 naar bed."

Dat is ook natuurlijk wel iets in de toekomst

maar vergelijk deze zin maar met:

"Ik ga om 21.30 SLAPEN."

Dus: "Ik GA om 21.30 naar bed"

dan is "gaan" het hoofdwerkwoord en dan is het "gaan naar".

"Ik GA NAAR bed."

En in de tweede zin "Ik GA om 21.30 SLAPEN"

dan is "slapen" het hoofdwerkwoord en dan is "ga" het hulpwerkwoord

om te zeggen dat je dat in de toekomst gaat doen.

In deze twee zinnen kan het dus verwarrend zijn want nu is het een heel subtiel verschil.

In beide gevallen ga je naar bed om te slapen, logisch!

Ik zal je een paar voorbeelden laten zien waarbij het iets duidelijker is.

"Het gaat straks regenen."

Ja, dus "regenen" is de infinitief en het hoofdwerkwoord.

"Ik ga verhuizen."

Dan is "verhuizen" de infinitief en het hoofdwerkwoord."

"Ik ga boodschappen doen."

"Ik ga boodschappen doen."

En: "Ik ga jullie straks vertellen over het futurum", of zo.

Dus: "ga vertellen". Dus hier zie je steeds dat GA echt het hulpwerkwoord is.

ZULLEN is ook een werkwoord met verschillende soorten betekenissen.

Het is wel altijd een modaal werkwoord en dat is ook een soort hulpwerkwoord.

Wat dat precies betekent en wat precies de functies zijn van "zullen" -

er zijn namelijk heel veel functies!

En 5 zeer frequente functies heb ik in deze video besproken.

Nu gaan we alleen kijken hoe je het gebruikt om iets te zeggen over de toekomst.

Maar het houdt altijd wel een beetje een soort van betekenis

dat toch iets te maken heeft met de (modale) functies van "zullen".

Bijvoorbeeld: "zullen" gebruik je om een BELOFTE te doen

of om iets te zeggen over een WAARSCHIJNLIJKHEID.

Iets waar je niet 100% zeker van bent.

En dit gebruik je vaak ook voor de toekomst.

Dus het loopt wel een beetje door elkaar

en dat ga ik jullie straks ook laten zien als we kijken naar de categorieën voor GAAN en ZULLEN.

Daarnaast kun je "zullen" nooit als hoofdwerkwoord gebruiken

omdat het dus altijd een modaal werkwoord is.

Als je daar iets meer voorbeelden voor wilt zien kun je naar de online cursus gaan.

Maar in elk geval zeg ik je alvast dat je "zullen" nooit alleen kan gebruiken

en dat je altijd nog een infinitief nodig hebt die de betekenis van de zin draagt.

Laten we kijken naar de vier voorbeelden die ik net heb gegeven met "gaan" als hulpwerkwoord.

En kunnen we die dan dus ook maken met "zullen"?

Nummer 1: "Het GAAT straks regenen."

"Het ZAL straks regenen."

Dit klinkt niet helemaal goed

en dat komt omdat in dit geval je met ZAL een beetje toch weer een waarschijnlijkheid aanduidt.

Je bent niet 100% zeker.

Dus met "het GAAT straks regenen" ben je 100% zeker.

Met: "Het ZAL regenen" dan moet je eigenlijk een woordje toevoegen om het wat vloeiender te maken..

Bijvoorbeeld: "Het zal strak WEL gaan regenen".

Of: "Het zal MISSCHIEN gaan regenen."

Dus dan is de zin wel compleet.

"Ik GA verhuizen."

"Ik ZAL verhuizen."

Ook weer niet echt een hele lekkere zin.

Je zegt het niet zo snel: "Ik ZAL verhuizen."

Maar misschien wel als iets toevoegt als: "Ik zal VOLGEND JAAR verhuizen."

Dan klinkt het meer als een plan.

En we gaan straks zien dat je "zal" kunt gebruiken om iets te zeggen over een INTENTIE of een PLAN.

"Ik zal volgend jaar verhuizen."

Dan hadden we: "Ik GA boodschappen doen."

En: "Ik ZAL boodschappen doen."

Ja, dat kan, dat is een goede zin

maar hier is het meer een soort BELOFTE.

Als je "zal" gebruikt dan zeg je wel iets over de toekomst maar meer een belofte.

"Ik beloof dat ik de boodschappen zal doen."

En de laatste: "Ik GA jullie straks iets vertellen over het futurum."

"Ik ZAL jullie straks iets vertellen over het futurum."

En dit is een perfecte zin

want dit is zoals we straks gaan zien een PLAN

en dan kun je heel goed het werkwoord "zullen" gebruiken.

Tijd voor de categorieën, leuk leuk leuk leuk leuk!

We gaan eerst kijken naar "gaan".

En "gaan" gebruik je heel vaak met een handelingswerkwoord voor een actie.

Bijvoorbeeld de eerste categorie is dat het subject van de zin ergens naartoe gaat of zich verplaatst

om daar iets te doen; een actie uit te voeren.

"Ik ga een rondje hardlopen."

Meestal niet hier, maar je gaat misschien naar buiten

en dan ga je een rondje hardlopen.

"Ik ga boodschappen doen."

Dat doe ik ook niet hier.

Ik ga naar de Albert Heijn (supermarkt), ja,

en "Ik ga boodschappen doen".

Dus ook een ACTIE.

De tweede is dat iets begint, bijvoorbeeld een handeling of een toestand - een conditie.

"De les gaat straks beginnen."

Dus een begin van de les. "De les gaat straks beginnen."

"Ik ga straks filmen."

Ik begin straks met filmen.

Dit zijn ook natuurlijk een soort van acties maar je zegt ook iets over een BEGIN van de actie.

Veranderingen in je leven zij ook vaak met "gaan".

Bijvoorbeeld: gaan verhuizen, gaan trouwen, gaan samenwonen, gaan scheiden.

"Mijn ouders gaan verhuizen."

"Mijn broer en zijn verloofde gaan trouwen."

"Maar helaas gaan mijn buren scheiden."

Dus het zijn LEVENSVERANDERINGEN.

We gebruiken "gaan" ook meestal met het WEER.

En dat hebben we ook al gezien.

Bijvoorbeeld: "Het gaat regenen."

Of je kan ook zeggen: "Wanneer gaat het sneeuwen?"

Of: "De zon gaat straks weer schijnen."

Nu gaan we naar vier categorieën voor "zullen".

Ik zei het net al, je kan "zullen" gebruiken voor een PLAN of een INTENTIE.

"Ik zal jullie straks vertellen over het futurum."

"Ik zal proberen om op tijd te komen."

"De docent zal vanavond een heel leuke les geven."

Dus allerlei plannen en intenties en in dit geval kun je ook "gaan" gebruiken

dus: "Ik ga jullie vertellen over het futurum."

"Ik ga proberen om op tijd te komen."

"De docent gaat vanavond een leuke les geven."

HOPELIJK (hopefully). Als je een soort van WENS uitdrukt dan gebruik je meestal ook "zal".

"Hopelijk zal het niet regenen."

"Hopelijk zal iedereen goed meedoen."

"Hopelijk zal hij op tijd komen."

Of: "Hopelijk zal hij op tijd zijn."

En: "Hopelijk zal alles goed gaan."

In sommige gevallen kun je ook "gaan" gebruiken

of in elk geval "gaan" toevoegen aan het eind van de zin voor de infinitief.

"Hopelijk ZAL het niet regenen."

"Hopelijk ZAL het niet GAAN regenen."

Hier klinkt "gaan regenen" ook wel nog iets beter eigenlijk, iets natuurlijker.

"Maar hopelijk gaat iedereen goed meedoen"...

Ik zou dat niet zeggen.

"Hopelijk gaat hij op tijd te komen" of "Hopelijk gaat hij op tijd zijn".

Dat kan eigenlijk niet omdat je niet goed "gaan" met "komen" of "zijn" kunt gebruiken.

En: "Hopelijk gaat alles goed gaan."

Dat kan ook niet, in elk geval niet in de standaardtaal

want "gaan" kan meestal ook niet met "gaan".

Maar er zijn dialecten of regiolecten - of volgens mij in het Vlaams ook -

en daar gebruiken ze wel "gaan" met "gaan".

Bijvoorbeeld: "Dat GAAT niet GAAN."

Dus: "Dat ZAL niet GAAN".

"Dat GAAT niet GAAN."

Categorie 3 is een WAARSCHIJNLIJKHEID, dat hebben we eigenlijk ook al wel gezien.

"Het zal straks wel regenen."

Of: "Het zal straks wel GAAN regenen."

Of: "Het zal wel een drukke avond worden."

Ja: "Het zal wel drukke avond worden."

Dus je neemt aan, je denkt dat het gaat regenen, of je denkt dat het een drukke avond wordt

en dan gebruik je dus "zal" en vaak een woordje zoals "wel" of "vast".

"Het zal VAST een drukke avond worden!"

En de laatste: een BELOFTE, dat is vaak ook in de toekomst, dat hebben we ook gezien.

"Ik zal boodschappen doen."

En: "Ik zal nog heel veel leuke video's maken!"

Dus je zegt iets wat je gaat doen.

En met "zal" geef (doe) je meer een BELOFTE.

"Ik beloof dat ik dat zal doen!"

Als laatste wat ik ook heel interessant vind is dat je "gaan" ook kunt gebruiken voor een futurum in de verleden tijd.

Je kan een futurum gebruiken voor de toekomst: "Ik ga boodschappen doen."

Of: "We gaan boodschappen doen."

Maar ik kan ook zeggen: "We gingen eerst boodschappen doen."

Dus nu is "gingen" een hulpwerkwoord voor de verleden tijd (imperfectum).

"We GINGEN eerst boodschappen doen."

En: "Ik ben om 21.30 in GAAN slapen."

Ja, dit is ook in de verleden tijd (perfectum).

En ik wil hier nog een beetje meer onderzoek naar doen.

Zoals ik dit nu bedenk, denk ik dat het meer met acties is.

"Boodschappen doen" is een actie en "slapen" is een actie.

Onthoud in elk geval: het belangrijkste verschil is dat "gaan" eigenlijk meestal wel kan worden gebruikt

en dat het ook meer eenstatement is.

Je bent meestal wat zekerder over iets wat je gaat doen of zo, of gaat beginnen,

of dat het gaat regenen, of dat soort dingen.

En met "zullen" hou je toch altijd wel een beetje een gevoel van het is niet 100% zeker,

het is waarschijnlijk, of het is een belofte, een plan, een intentie.

In elk geval kun je daarmee oefenen in mijn online school.

Dit hoort bij les 11 van de intermediate cursus.

En waar ik nog benieuwd naar ben is:

"Wat GA jij vandaag, vanavond, of bijvoorbeeld dit weekend doen?"

Dus schrijf kort in de reacties wat jij gaat doen, of wat jouw plannen zijn.

Dus bedenk ook of je GAAN of ZULLEN moet gebruiken.

Ik ga in elk geval nu stoppen met filmen

en ik ga mijn video monteren en die zal ik dan op vrijdag uploaden.

En als je nog meer Nederlands wilt leren met mij, abonneer je dan op mijn kanaal!

Als je deze video leuk vond, geef het alsjeblieft een like!

Ik zie jullie dan weer heel gauw in de volgende video!

Doei!

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE