En als dan goed oplet, weet je straks wat het verschil is
tussen MOETEN en MOGEN en ook wanneer wij HOEVEN TE gebruiken.
Na deze video kun je naar de website gaan: de link staat hier in de beschrijving
en oefenen met jouw nieuwe kennis.
Oké dan gaan we nu beginnen!
MOETEN en MOGEN zijn twee modale werkwoorden in het Nederlands.
In een eerdere video heb ik al verteld over WILLEN en ZULLEN
en in deze video gaat het dus over MOETEN en MOGEN
en ook over een werkwoord dat een soort van modaal werkwoord is.
Het wordt niet vaak genoemd in het "het rijtje van vijf"
maar het wordt gebruikt als een negatie voor het werkwoord MOETEN
en soms ook voor het werkwoord WILLEN.
Dus daarom spreek ik ook over HOEVEN in deze video.
Oké, eerst de vervoeging van de werkwoorden.
Voor MOETEN is het in het enkelvoud altijd MOET.
Het meervoud is natuurlijk altijd de infinitief dus: MOETEN.
MOGEN wordt in het enkelvoud MAG voor alle vormen.
En in het meervoud natuurlijk MOGEN.
HOEVEN is een regelmatig werkwoord dus dat is:
Dan is het ook belangrijk om te weten dat MOETEN en MOGEN
in de verleden tijd onregelmatig zijn.
MOETEN is voor alle enkelvoudsvormen MOEST en voor het meervoud MOESTEN.
MOGEN wordt MOCHT voor het enkelvoud en MOCHTEN voor het meervoud,
En HOEVEN is regelmatig dus alle enkelvoudsvormen zijn HOEFDE, met een D
Sexy Softketchup-regel!
En de meervoudsvorm is dan HOEFDEN.
Nu gaan we naar de betekenis en die is eigenlijk natuurlijk veel interessanter.
MOETEN heeft twee soorten betekenissen:
meestal gebruiken we het in de betekenis: "I have to", or "I need to do something..."
Dus hier is eigenlijk alles: "I have to" of "I need to".
Dan hebben we ook een iets meer dwingende vorm
en die kun je vertalen met SHOULD of MUST.
De tweede zin met "moet je elke dag studeren"
kan ook zijn: "You have to or need to study".
Maar als ik dat zeg als docent is het meer "you MUST study, you SHOULD study!"
Want ik ben heel streng! ;)
Het werkwoord MOGEN kunnen we vertalen met "may".
Bijvoorbeeld in plaats van:
Dus je hebt een optie: you MAY.
Het is niet verplicht. Met MOET is het verplicht, it's obligated,
maar met MAG is het een optie.
Als je van de zin "ik MOET naar de wc" maakt "ik MAG naar de wc"
dan betekent die tweede zin dat ik toestemming heb gekregen om naar de wc te gaan.
Dit gebeurde vroeger vaak in de les toen ik nog op school zat.
Als ik naar de wc wilde gaan moest ik vragen:
En dan zei ze soms "ja" en soms "nee".
Dus ik MOCHT soms naar de wc en soms niet.
Soms toestemming, soms geen toestemming.
Nu gaan we deze zinnen negatief maken en dan komt het werkwoord HOEVEN aan de beurt.
Bijna altijd als je een zin met MOETEN negatief maakt, krijg je HOEVEN.
Dus je hebt de negatie NIET en er komt
dan altijd het woordje TE voor de infinitief.
Mijn moeder vroeg mij altijd, toen ik nog klein was voordat we weggingen:
En dan kon ik bijvoorbeeld zeggen:
Dit lijkt een beetje dus op het Engelse
"don't have to". Je hoeft niet.
En als je een zin met MOGEN negatief maakt,
dan houd je nog steeds MOGEN.
You're not allowed to drink because you are too young. You're not allowed to smoke in the hospital.
Dan is er nog een laatste manier waarop je HOEVEN kan gebruiken en dat is
bijvoorbeeld als iemand jou vraagt:
Dus een persoon biedt jou iets aan om te eten of drinken.
En als je dan eigenlijk niks WILT
dan zeg je niet "ik wil niet", want dat is eigenlijk vrij onbeleefd.
Dus wij zeggen niet "ik wil niet" maar:
Ik zou het heel leuk vinden als jullie mijn volgende video gaan kijken.
Ik hoop dat jullie veel hebben geleerd in deze video.
Als je dus wilt, kun je nu gaan oefenen op de website.
De link staat in de description (beschrijving).