Les 9 De brug was open!
Isabel, vertel eens, hoe kom jij naar de les? Met de bus. Ik stap uit bij het station. Van daar loop ik naar school. Hoe lang duurt dat? Hoe lang doe je erover om hier te komen? Een half uurtje. Soms kom ik op de fiets. Fietsen gaat sneller dan met de bus. Bovendien is er vaak geen plaats in de bus. Dan moet ik staan. Dat vind ik vervelend.
Waarom kom je dan niet elke dag met de fiets? Nou, het regent hier elke dag. En als je in de regen fietst, word je nat. Dat is een groot nadeel. Dan neem ik liever de bus.
En wie komt er met de auto? Heeft er iemand een auto? Jij Lisa? Ja, ik meneer. Ik heb een auto. Kijk daar staat ie: die kleine daar. Ik kan niet zonder. Er is geen bushalte bij mij in de buurt. Met de auto kan ik overal heen. En ik ben er sneller. Ik hoef nooit te wachten. Behalve als je in de file staat!
's Ochtends is er altijd file. Ja, dat is waar. Maar in de auto heb je de ruimte. Er zitten geen andere mensen in. Je bent alleen. Je kunt naar de radio luisteren. Ja, dat is wel een voordeel. Maar de bus is misschien goedkoper!
De les is al een kwartier bezig. Fred komt binnen. Goedemorgen, meneer! Goedemorgen? Goedemiddag! Waarom ben je zo laat? Je woont niet ver hiervandaan. Hoogstens 5 minuten. Dichtbij, dus. Ja, met de fiets ben ik hier binnen 5 minuten. Maar vanochtend was mijn fiets kapot. Ik moest lopen. Dan doe ik er langer over. Gisteren was je ook te laat, meen ik? Was je fiets gisteren ook kapot? Eh nee, gisteren was de brug open. Dat kost ook veel tijd. Daardoor was ik te laat. Sommige mensen hebben altijd pech!