×

LingQ'yu daha iyi hale getirmek için çerezleri kullanıyoruz. Siteyi ziyaret ederek, bunu kabul edersiniz: çerez politikası.

image

Jules Verne - De reis om de wereld in 80 dagen, De reis om de wereld in 80 dagen - deel 1b (hoofdstuk 2+3)

De reis om de wereld in 80 dagen - deel 1b (hoofdstuk 2+3)

Tweede hoofdstuk. Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk zijn ideaal gevonden heeft.

‘Op mijn woord van eer,' sprak Passepartout bij zich zelven, toen hij van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, ‘ik heb bij madame Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn nieuwe meester.' Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te Londen een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en vreemdelingen wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak missen om wezenlijke menschen te schijnen. In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht, had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar met een edel, schoon gelaat, hooge gestalten, die door eene zekere gezetheid niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een effen rimpelloos voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met prachtige tanden. Hij scheen in de hoogste mate te bezitten wat de beoefenaars der gelaatkunde ‘de rust der beweging' noemen, eene uitdrukking eigen aan allen, die meer handelen dan leven maken Kalm, flegmatiek, met een helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij de volmaakte type van die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak in hun vaderland aantreft en waarvan Angelica Kauffmann zoo treffend de schier academische figuur door haar penseel heeft weergegeven. In zijne verschillende levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den indruk van een wezen, wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren, zoo volmaakt als in een chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas Fogg was dan ook de nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar was in de ‘uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;' want bij den mensch zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen, welke de hartstochten en neigingen uitdrukken. Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd den kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar het plafond, geen enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal daaruit begrijpen, waarom hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt, ging hij met niemand om. Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft deze was een echte Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had hij naar een meester gezocht aan wien hij zich hechten kon. Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo's met trotsche houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met een van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals van een vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur, wangen zoo rond dat hij ze zelf zien kon, breede borst, krachtige gestalte, ontwikkelde spieren en bezat eene herculische kracht, die door de lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was ontwikkeld. Zijne donkere haren waren bijna altijd een weinig in wanorde. Zoo de beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden, om het haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om het zijne in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende om zijn toilet te voltooien. Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt en nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding blijken Na zijne min of meer onstuimige jeugd verlangde hij bovenal naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid van het Parlement, kwam vaak, na den nacht in de oesterhuizen van Haymarket te hebben doorgebracht, op de schouders van politieagenten te huis Daar Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij dat de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit, zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood zich dus aan en werd aangenomen op die wijze, als wij mededeelden. Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van Savilla Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk, puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar een slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in alle eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij op de tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was volkomen naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden haar in gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen stond eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde met de pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken gaven altijd dezelfde seconde aan. ‘Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed,' sprak Passepartout bij zich zelven. Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule hing. Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te doen. Het bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas Fogg opstond, tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club begaf om te ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en geroosterd brood ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater ten negen ure zeven en dertig, het haar van zijn meester in orde brengen ten negen ure vijftig enz. Van half twaalf des voormiddags tot twaalf ure 's nachts, op welk uur de stelselmatige Engelschman zich te rust begaf, was alles bepaald, voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier in dit programma te bestudeeren en de verschillende punten er van in zijn geheugen te prenten. Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde en bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een nommer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren vermeld waarvoor de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen, alsmede den tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen. Kortom, dit huis in Savilla Row, dat in de dagen van den beroemden maar losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest, bevatte thans de gemakkelijkste meubels, die van eene onbekommerde levenswijze getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken, want deze zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest, daar de Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de een van werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer stond eene brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de dieven als tegen de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet, geen enkel voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de bewoner zeer vredelievend was. Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven: ‘Het bevalt me; 't is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk man. Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek te bedienen.' Derde hoofdstuk. Een gesprek dat Phileas Fogg duurte staan kan komen. Phileas Fogg had om half twaalf zijn huis in Savilla Row verlaten, en na vijf honderd vijf en zeventig maal zijn rechtervoet vóór zijn linker en vijf honderd zes en zeventig maal zijn linker vóór zijn rechter voet gezet te hebben, kwam hij in de Reform-club, een groot gebouw in Pall Mall, dat niet minder dan drie millioen pond gekost heeft. Phileas Fogg ging terstond naar de eetzaal, waarvan de negen ramen uitkwamen op een fraaien tuin met boomen, die reeds eene gele herfsttint kregen. Daar nam hij aan de tafel plaats, waar zijn couvert hem reeds wachtte; zijn ontbijt bestond uit een bijgerecht, gekookte visch met ‘reading sauce,' biefstuk met champignons, een gebak gevuld met rabarberstelen en kruisbessen met een stukje Chesterkaas, en bij dat alles voegde hij eenige kopjes thee, bepaald uit China gezonden voor de Reform-club. Om dertien minuten voor éénen stond de gentleman op en begaf hij zich naar de groote zaal, eene prachtige kamer, versierd met schilderijen in rijke lijsten. Een bediende legde daar de onopengesneden Times neer vóór zijne plaats, en Phileas Fogg maakte ze los met een vastheid van hand, die getuigde dat hij in dit moeielijk werk zeer ervaren was. Met deze lectuur was Phileas Fogg bezig tot kwart over drieën; de Daily-Telegraph, die daarop volgde, duurde tot het diner. Dit diner was ingericht op dezelfde manier als het ontbijt, slechts met bijvoeging van de ‘royal british sauce.' Twintig minuten vóór zessen verscheen de gentleman weder in de groote zaal, en daar verdiepte hij zich in den Morning Chronicle. Een half uur later kwamen de verschillende habitué's van de Reform-club opdagen en namen plaats bij den haard, waarin een lekker vuur brandde. Dit waren Phileas Fogg's gewone medespelers in het whistspel: de ingenieur Andrew Stuart, de bankiers John Sullivan en Samuel Fallentin, de brouwer Thomas Flanagan en Gauthier Ralph, een van de directeuren der Engelsche bank, allen rijke en aanzienlijke personen, zelfs in die club, onder wier leden men de voornaamste industrieele en financieele beroemdheden telde. ‘Wel! Ralph,' begon Thomas Flanagan, ‘hoe staat het met den diefstal?' ‘Ja,' antwoordde Andrew Stuart, ‘de bank is haar geld kwijt.' ‘Ik vertrouw integendeel,' zeide Gauthier Ralph, ‘dat wij den dief wel zullen krijgen. Men heeft zeer handige inspecteurs van politie naar Amerika en naar de voornaamste havens van Europa gezonden, zoodat het dien heer moeite zal kosten om hun te ontsnappen.' ‘Men heeft dus het signalement van den dief?' vroeg Andrew Stuart. ‘Het is eigenlijk geen dief,' antwoordde Gauthier Ralph ernstig. ‘Hoe? is het geen dief, die vijf en vijftig duizend pond sterling aan bankpapier gestolen heeft?' ‘Neen,' zeide Ralph. ‘Is het dan iemand die zaken aan de beurs doet?' ‘De Morning Chronicle verzekert dat het een gentleman is.' Hij, die dit zeide, was niemand anders dan Phileas Fogg, wiens hoofd even uitstak boven een stapel couranten welke voor hem lagen. Tegelijkertijd groette Phileas Fogg zijn collega's, die zijn groet beantwoordden. De zaak waarover men sprak en waarover de verschillende dagbladen van het Vereenigde Koninkrijk zoo ijverig van gedachten wisselden, was drie dagen geleden, den 29en September gebeurd. Een lias banknoten, de aanzienlijke som van vijf en vijftig duizend pond sterling vertegenwoordigende, was weggenomen van het tafeltje van den eersten boekhouder der Engelsche bank. Aan hem, dien het verwonderde dat zulk een diefstal zoo gemakkelijk kon gebeuren, gaf de onder-directeur, Gauthier Ralph, eenvoudig ten antwoord, dat juist op dat oogenblik de kassier bezig was om een quitantie te registreeren en dat men niet op alles te gelijk kan letten. Men moet niet uit het oog verliezen - iets wat de zaak duidelijker maakt - dat deze uitmuntende instelling, de Engelsche bank, zich zeer veel aan de waardigheid van het publiek laat gelegen zijn. Geen wacht, geen oppassers, geen traliewerk! Het goud, het zilver en de banknoten zijn aan ieders blikken blootgesteld en liggen schijnbaar ter beschikking van den eerstkomende. Men mocht toch de eerlijkheid van elken voorbijganger niet wantrouwen. Iemand die grondig de Engelsche zeden heeft bestudeerd, vertelt daaromtrent zelfs het volgende. Eens was hij zeer nieuwsgierig om van nabij een gouden staaf te zien, die zes à acht pond woog en op een tafeltje van den kassier lag, in de zaal, waar hij zich bevond. Hij nam deze staaf, bekeek haar, gaf haar aan zijn buurman, deze aan een anderen, zoodat zij van hand tot hand ging, tot in de donkere gang, en niet dan na een half uur terugkwam, zonder dat zelfs de kassier maar even opgekeken had. Den 29en September echter liep niet alles op deze wijze af. De lias banknoten kwam niet terug, en toen de prachtige pendule op den schoorsteenmantel vijf uur sloeg en de instelling gesloten werd, had de Engelsche bank vijf en vijftig duizend pond op hare onkostenrekening te boeken. Toen de diefstal goed en deugdelijk was erkend, werden politie-agenten, ‘detectives,' gekozen uit de besten, naar de voornaamste havens gezonden, naar Liverpool, Glasgow, Havre, Suez, Brindisi, New-York enz., met belofte dat, zoo zij den dief opspoorden, hun eene premie van twee duizend pond zou worden toegekend en voorts vijf percent van de som welke nog in zijn bezit werd gevonden. In afwachting van de inlichtingen, welke zouden voortspruiten uit het onderzoek, dat terstond was ingesteld, hadden die inspecteurs in last, om met de meeste nauwlettendheid alle reizigers gade te slaan, die mochten aankomen of vertrekken. Nu had men, zoo als de Morning Chronicle zeide, reden om te onderstellen, dat hij, die de bank bestolen had, geen deel uitmaakte van een der dievenbenden in Engeland. Op dien 29en September was een onbekend heer, die er zeer fatsoenlijk uitzag en zelfs een voornaam voorkomen had in de zaal der uitbetalingen gezien, waar de diefstal had plaats gehad. Door de ingestelde enquête had men vrij nauwkeurig het signalement van dien heer kunnen opmaken, dat nu terstond aan alle detectives in het geheele Rijk gezonden werd. Eenige optimisten - en daaronder was Gauthier Ralph - achtten het op dien grond vrij waarschijnlijk, dat de dief niet ontsnappen zou. Zooals men denken kan, was deze gebeurtenis het onderwerp van alle gesprekken in Londen en geheel Engeland. Men twistte er over en men koos zelfs met eenigen hartstocht partij vóór of tegen de waarschijnlijkheid dat de politie der hoofdstad in hare pogingen zou slagen. Te verwonderen was het dus niet, dat ook de leden der Reform-club hetzelfde onderwerp behandelden, vooral niet, omdat een van de onderdirecteuren der bank zich onder hen bevond. De heer Gauthier Ralph twijfelde niet aan den goeden uitslag van het onderzoek en was van oordeel, dat de uitgeloofde premie in hooge mate strekken moest om den ijver en het doorzicht van de politie te versterken. Diens collega Andrew Stuart daarentegen was er verre van af zijn vertrouwen te deelen. De strijd werd dan ook voortgezet aan de whisttafel tusschen de heeren Stuart, Flanagan, Fallentin en Fogg. Onder het spelen spraken de spelers niet, maar tusschen de robbers door herleefde het afgebroken gesprek telkens in zijne volle kracht. ‘Ik houd vol,' zeide Andrew Stuart, ‘dat de kansen ten gunste zijn van den dief, die een zeer handig man moet zijn.' ‘Kom, kom!' antwoordde Ralph, ‘er is geen enkel land, waar hij een schuilplaats zou kunnen vinden.' ‘Nu nog mooier!' ‘Waar zou hij naar toe gaan?' ‘Ik weet er niets van,' antwoordde Andrew Stuart, ‘maar dit weet ik wel, dat de wereld groot genoeg is.' ‘Dat was zij voorheen.'.... zeide Phileas Fogg half luid; ‘u moet coupeeren, mijnheer,' ging hij voort, de kaarten aan Thomas Flanagan toeschuivende. Het gesprek werd gedurende den robber niet vervolgd Maar al spoedig verbrak Andrew Stuart de stilte door te zeggen: ‘Hoe, voorheen? Is de wereld misschien kleiner geworden?' ‘Zonder twijfel,' hernam Gauthier Ralph. ‘Ik ben van dezelfde meening als mijnheer Fogg: de wereld is kleiner geworden, omdat men haar nu in tienmaal minder tijd omreist dan honderd jaar geleden. En dat zal in het geval, waarin wij nu verkeeren, de nasporingen zeer bespoedigen.' ‘Maar voor den dief is het vluchten nu ook zooveel gemakkelijker geworden.' ‘Gij moet spelen, mijnheer Stuart,' zeide Phileas Fogg. Maar de ongeloovige Stuart was nog niet overtuigd en nauwelijks was het spel uit, of hij zeide: ‘Ik moet zeggen, mijnheer Ralph, dat gij al een zeer aardige manier hebt, om te bewijzen dat de wereld kleiner is geworden. Omdat men de wereld kan omreizen in drie maanden...' ‘In tachtig dagen', verbeterde Phileas Fogg. ‘Inderdaad, heeren,' voegde John Sullivan er bij, ‘sedert de sectie Rothal-Allahabad van den Great-Indian Peninsular-spoorweg is geopend, maakt de Morning Chronicle de volgende berekening: Van Londen naar Suez over den Mont-Cenis en Brindisi, spoorweg en mailbooten, 7 dagen.

Van Suez naar Bombay, mailbooten, 13 dagen.

Van Bombay naar Calcutta, spoorweg, 3 dagen.

Van Calcutta naar Hongkong (China), mailboot, 13 dagen.

Van Hongkong naar Yokohama (Japan), mailboot, 6 dagen.

Van Yokohama naar San-Francisco, mailboot, 22 dagen.

Van San-Francisco naar New-York, . spoorweg, 7 dagen

Van New-York naar Londen, mailboot en spoorweg, 9 dagen.

_ 80 dagen.' ‘Juist, tachtig dagen,' zeide Andrew Stuart, die door onoplettendheid een vrije kaart troefde; ‘maar daaronder niet begrepen, het slechte weer, tegenwind, schipbreuk, derailleeren enz.' ‘Alles er onder begrepen,' antwoordde Phileas Fogg, doorspelende, want ditmaal eerbiedigde het gesprek het spel niet meer.' ‘Zelfs wanneer de Hindoes of de Indianen de rails opbraken,' riep Andrew Stuart; ‘wanneer zij den trein tegenhouden, de waggons plunderen en de reizigers scalpeeren.' ‘Alles er onder begrepen,' herhaalde Phileas Fogg, die zijn spel nederlegde en nog twee troeven in zijn hand toonde. Andrew Stuart, wiens beurt het was om te wasschen, nam de kaarten op, zeggende: ‘Theoretisch hebt ge gelijk, mijnheer Fogg, maar in de practijk....' ‘In de practijk ook, mijnheer Stuart.' ‘Ik zou het u wel eens willen zien doen.' ‘Dit staat aan u. Laten wij samen vertrekken.' ‘De hemel beware me!' riep Stuart; ‘maar ik wil wel wedden om vier duizend pond sterling, dat zulk een reis op zulke voorwaarden onmogelijk is.' ‘Integendeel, zeer mogelijk,' antwoordde Fogg. ‘Nu, maak ze dan!' ‘De reis om de wereld in tachtig dagen?' ‘Ja.' ‘Ik wil wel.' ‘Wanneer?' ‘Terstond. Maar het spreekt van zelf, dat ik het op uw kosten doe.' ‘Dat is krankzinnigenwerk!' riep Andrew Stuart, die zich ongerust begon te maken over de hardnekkigheid van zijn medespeler. ‘Kom! laten wij liever spelen.' ‘Geef dan over,' zeide Phileas Fogg, ‘want gij hebt verkeerd gegeven.' Andrew Stuart nam de kaarten met bevende hand, maar eensklaps ze op tafel nederleggende, zeide hij: ‘welnu, ja mijnheer Fogg, ik wed om vier duizend pond!...' ‘Beste Stuart,' zeide Fallentin, ‘bedaar toch. Het is geen ernst.' ‘Als ik zeg: ik wed,' zeide Andrew Stuart, ‘dan meen ik het ook.' ‘Goed,' zeide Fogg. Toen, zich tot zijn collega's wendende, ging hij voort: ‘Ik heb twintig duizend pond bij de gebroeders Baring staan. Ik heb ze er gaarne voor over...' ‘Twintig duizend pond!' riep John Sullivan. ‘Twintig duizend pond die gij door een onvoorzien oponthoud kunt verliezen.' ‘Onvoorziene dingen bestaan niet,' hernam Fogg kalm. ‘Maar, mijnheer Fogg, de tijd van tachtig dagen is het minimum van tijd, dat men er voor berekend heeft.' ‘Een goed besteed minimum is voor alles voldoende.' ‘Maar om het niet te overschrijden moet men met wiskunstige juistheid van den spoorweg op de mailboot en van de mailboot op den spoorweg overspringen.' ‘Ik zal wiskunstig overspringen.' ‘Dat is scherts!' ‘Een goed Engelschman schertst nooit, wanneer er sprake is van zulk eene gewichtige zaak als eene weddenschap,' antwoordde Phileas Fogg. ‘Ik wed tegen ieder die maar wil, twintig duizend pond, dat ik de wereld zal rondreizen in tachtig dagen, dat is duizend negen honderd twintig uren of honderd vijftien duizend twee honderd minuten. Neemt gij het aan?' ‘Wij nemen het aan!' antwoordden de heeren Stuart, Fallentin, Sullivan, Flanagan en Ralph, na het met elkander eens te zijn geworden. ‘Goed,' zeide Fogg. ‘De trein naar Dover vertrekt om kwart voor negenen. Daar zal ik mede op reis gaan.' ‘Van avond nog?' vroeg Stuart. ‘Dezen avond,' antwoordde Fogg. ‘Alzoo,' ging hij voort, een zak-almanak raadplegende, ‘het is heden woensdag, 2 October, ik moet in Londen terug zijn, in deze zaal zelve van de Reform-club, op zaterdag 21 December, kwart vóór negenen, en zoo ik er niet ben, zullen de twintig duizend ponden bij de gebroeders Baring gedeponeerd u rechtmatig toebehooren. Ziedaar een wissel voor die som.' Er werd een proces-verbaal van de weddenschap opgemaakt en terstond door de zes belanghebbenden geteekend. Phileas Fogg was onder dit alles zeer kalm gebleven. Hij had zeker niet gewed om te winnen, en had slechts zijn twintig duizend pond - de helft van zijn vermogen - verbonden, omdat hij voorzag dat hij het andere gedeelte zou moeten uitgeven, ten einde dit moeielijke, om niet te zeggen onuitvoerbare, plan te volbrengen. Wat zijne tegenpartij betreft, deze was meer onder den indruk, niet zoozeer om de waarde van den inzet, dan wel omdat zij er eenig bezwaar in maakte om te wedden tegen hetgeen toch onmogelijk kon bereikt worden. Het sloeg zeven uur. Men stelde Fogg voor om dezen robber te staken, opdat hij zijn toebereidselen voor de reis zou kunnen maken. ‘Ik ben altijd klaar,' antwoordde de kalme gentleman, en gaf de kaarten. ‘Ruiten troef,' zeide hij. ‘U zit voor, mijnheer Stuart.'

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE