×

LingQ'yu daha iyi hale getirmek için çerezleri kullanıyoruz. Siteyi ziyaret ederek, bunu kabul edersiniz: çerez politikası.

Ücretsiz Kaydol
image

Andersens Sproken en vertellingen van H. C. Andersen, HET LELIJKE JONGE EENDJE Deel 7

HET LELIJKE JONGE EENDJE Deel 7

Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet helemaal dichtvroor; maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn poten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.

's Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag, ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.

De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat, zodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!--'t Was gelukkig, dat de deur openstond en dat het tussen de takken in de vers gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.

Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.

Het lag in het moeras tussen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.

Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het recht wist, bevond het zich in een groten tuin, waarin de vlierbomen geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier was het zo schoon, zo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.

«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij zullen mij dooden, omdat ik, die zo lelijk ben, mij in hun nabijheid durf wagen. Maar dat doet er niet toe! 't Is beter, door hen gedood, dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid, die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in de winter gebrek te lijden!» En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.

«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en verwachtte niets anders dan den dood.--Maar wat zag het nu in het heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die van een loggen, grauwen, lelijken vogel, maar van een zwaan.

Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men maar uit een zwanenei gekomen is!

Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen, die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de heerlijkheid, die hem omringde.--En de zwanen zwommen om hem heen en streelden hem met hun snavels.

Eenige kinderen kwamen den tuin inlopen; ze gooiden brood en gerst in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!» En zij klapten in de handen en dansten in de ronde, liepen naar hun ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zo jong en ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.

Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was overgelukkig, maar volstrekt niet trots. Het dacht er aan, hoe het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals op en jubelde van ganscher harte:

«Zoveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een lelijk eendje was!»

---Einde---

Source: LibriVox read by (gelezen door): Anna Simon

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE