08 Heidi
Op een zonnige morgen in juni liepen een jonge vrouw en een klein meisje op een bergpad. De jonge vrouw heette Detie en het kleine meisje Heidi.
Het bergpad begon bij het plaatsje Maienfeld, waar Detie woonde, en kronkelde omhoog de bergen in. Ze genoten van de frisse berglucht. En het rook heerlijk naar de wilde bloemen die op de bergweiden groeiden.
Detie droeg een bundel kleren over haar ene arm. Met haar andere hand hield ze Heidi vast. Het meisje had vuurrode wangen, want ze had het heel erg warm. Ze droeg twee jurken over elkaar en ze had een lange rode sjaal om haar hals. Daarbij droeg ze nog dikke wollen kousen en een paar hoge schoenen.
Nadat Detie en Heidi meer dan een uur hadden gelopen, kwamen ze bij het dorpje Dörfli. Toen Detie even bleef staan, ging Heidi op de grond zitten.
“Ben je moe, Heidi?” vroeg Detie.
“Nee,” zei Heidi. “Maar ik heb het zo warm.”
“Het is niet ver meer,” zei Detie. “En als je grote stappen neemt, zijn we zo bij grootvader.”
Op dat ogenblik kwam Barbie, een vriendin van Detie, haar huis uit rennen.
“Hallo Detie,” riep ze. “Wat doe jij hier? En waar ga je met de kleine meid naartoe? Is ze soms het nichtje dat je in huis genomen hebt toen haar moeder was gestorven?”
“Ja, dat klopt,” zei Detie, “en nu breng ik haar naar haar grootvader. Ik kan niet meer voor haar zorgen, omdat ik werk in de grote stad heb gevonden.”
“Wat?” riep Barbie. “Ben je gek geworden, Detie? Die dwaze man kan toch niet voor dat kleine meisje zorgen. Hij woont met zijn twee geiten helemaal alleen in de bergen en hij ziet of spreekt nooit iemand. En die enkele keer dat hij naar het dorp komt, heeft hij bovendien een grote stok bij zich om de mensen bang te maken. En… hij gaat ‘s zondags niet eens naar de kerk!”
“Ik kan niet anders,” zei Detie. “En hij is tenslotte haar grootvader. Laat hij ook maar eens voor Heidi zorgen. Ik heb mijn plicht gedaan.”
Intussen was Heidi een weide ingelopen. Ze vond het heerlijk buiten. In Maienfeld mocht ze van haar tante Detie nooit alleen buiten spelen. Blij huppelde ze tussen de mooie bloemen. Ze had het heel erg naar haar zin.
Heidi wilde net teruggaan naar haar tante, toen ze een jongen met een kudde geiten zag. De jongen had een gerafelde broek aan en hij liep op blote voeten. Heidi rende op hem af en toen ze vlakbij de jongen en de geiten was, liet ze zich in het gras vallen en trok haar schoenen uit. Daarna deed ze ook haar sjaal af.
“Hoeveel geiten heb je bij je?” vroeg Heidi aan de jongen, terwijl ze haar dikke kousen en haar jurken uit deed. “En hoe heten ze allemaal? Waar ga je met ze naartoe? En… en…”
De jongen begon te lachen. Heidi vroeg zoveel tegelijk dat hij niet eens tijd kreeg om antwoorden te geven.
Opeens hoorde Heidi haar tante Detie roepen: “Heidi! Wat ben je aan het doen? En waar zijn je kleren gebleven?”
“Daar!” zei Heidi en wees naar het bundeltje in het gras. “Ik heb ze uitgedaan, want ik had zo warm. Dat is toch niet erg he? Die geiten dragen toch ook geen kleren?”
“Kom onmiddellijk mee!” zei Detie en pakte Heidi bij de hand. “En Peter,” zei ze tegen de jongen, “jij kunt die kleren wel naar boven dragen. Je moet toch dezelfde kant op.”
Ze moesten nog een hele tijd klimmen, want grootvader woonde hoog in de bergen. Eindelijk zagen ze zijn huisje. De oude man zat buiten op de bank een pijp te roken.
Heidi rende vooruit. “Dag, grootvader!” zei ze en ze stak haar hand uit.
“Wat komen jullie hier doen?” bromde grootvader. Hij pakte Heidi's hand en keek haar onderzoekend aan. En Heidi keek naar haar grootvader. Hij had wit haar en een lange witte baard. En zijn bruine gezicht zat vol rimpels. Heidi had nog nooit zo'n oude man gezien.
“Dag oom,” zei Detie. “Ik breng Heidi bij u, omdat ik niet meer voor haar kan zorgen. Nu is het uw beurt.”
“Mijn beurt? Wat bedoel je met mijn beurt?” bulderde de oude man. “Ik kan toch niet voor zo'n klein meisje zorgen. Wat sta je daar te kijken, Peter? Ga liever voor de geiten zorgen!”
Detie schrok toen de oude man boos werd. Maar ze was vastbesloten Heidi bij hem achter te laten. “Ik hoop, dat u goed voor haar zult zorgen,” zei ze.
“En als het niet gaat, moet u maar iemand anders vinden die voor Heidi wil zorgen.” Toen werd grootvader verschrikkelijk boos. “Maak dat je weg komt!” riep hij tegen Detie. “En ik wil je hier nooit meer zien!”
“Dag, Heidi,” zei Detie toen vlug en ze maakte dat ze wegkwam.
Grootvader zuchtte diep en keek Heidi aan.
“Mag ik uw huis bekijken, grootvader?” vroeg Heidi.
“Goed,” bromde de oude man. “En neem je kleren mee naar binnen.”
“Maar ik heb mijn kleren niet meer nodig,” zei Heidi. “Geiten hebben toch ook geen kleren aan.”
“Je hoeft van mij geen kleren te dragen als je daar geen zin in hebt,” zei grootvader. “Maar neem ze toch maar mee naar binnen.”
Heidi liep achter haar grootvader naar binnen. In het huisje was maar een kamer. Daar stonden een tafel, een stoel en een bed.
“Waar moet ik slapen, grootvader?” vroeg Heidi.
“Waar je maar wilt,” zei de oude man. “Mij maakt het niet uit.”
Heidi zag in de hoek van de kamer een ladder staan. Ze klom omhoog en kwam op een zolder die vol met hooi lag. In de muur zat een groot rond gat.
Heidi keek naar buiten. Ze zag een rivier, bomen en een besneeuwde bergtop.
“Ik wil graag op de hooizolder slapen, grootvader,” zei Heidi tegen de oude man, die ook naar boven was geklommen.
“Dat is goed,” zei hij.
“Ik zal eens kijken of ik beddegoed voor je kan vinden.”
Heidi maakte een kuil in het hooi. Even later kwam grootvader naar boven met een warme deken.
“Wat is het hier gezellig, grootvader,” zei Heidi. “Ik wou dat het al avond was, dan kon ik meteen in mijn bed kruipen.”
“Laten we eerst maar wat gaan eten,” zei grootvader. “Je zult wel honger hebben na die lange wandeling.”
Ze gingen de ladder af. Grootvader maakte het eten klaar en Heidi pakte de borden. Grootvader draaide zijn stoel om en zette daarop een bord en een kom. Heidi moest zijn stoel als tafel gebruiken, want de gewone tafel was veel te hoog voor haar.
Grootvader legde een boterham met kaas op Heidi's bord en schonk haar kom vol met verse geitenmelk.
Na het eten begon grootvader uit een groot stuk hout een stoeltje voor Heidi te snijden.
In de namiddag stak er een flinke wind op. De wind gierde rond het huisje en door de drie oude bomen die naast het huisje stonden.
Opeens hoorde Heidi iemand schel fluiten. Het was Peter, die met de geiten van grootvader terugkwam van de bergweide waar hij de geiten had laten grazen.
“Zijn die twee geiten van ons, grootvader?” vroeg Heidi. “en hoe heten ze?”
“De witte geit heet Zwaantje en de bruine geit heet Beertje,” zei de oude man. “Neem je kom mee, want Peter gaat nu de geiten melken.”
Even later zat Heidi met haar grootvader op de bank voor het huisje. De zon ging onder achter de bergen en het werd kouder. Heidi kreeg van Peter een kom verse geitenmelk. Het smaakte heerlijk. Toen ze de melk op had zei Heidi: “Welterusten Zwaantje, welterusten Beertje. Goedenacht, grootvader. Slaap lekker, Peter.”
En daarna kroop Heidi in haar warme bedje op de hooizolder.
‘s Nachts begon het steeds harder te waaien. Bij iedere windvlaag kraakte het oude huisje. Toen vielen er een paar afgewaaide boomtakken op het dak van het huisje.
Grootvader stond op en klom de ladder naar de zolder op. Hij dacht dat Heidi bang zou zijn. Maar hij zag dat ze rustig lag te slapen met een glimlach om haar mond.
Grootvader bleef nog een hele tijd naar haar kijken. Toen boog hij zich voorover en gaf haar een zoen, “Welterusten, lieve Heidi,” zei hij zachtjes.