×

LingQ'yu daha iyi hale getirmek için çerezleri kullanıyoruz. Siteyi ziyaret ederek, bunu kabul edersiniz: çerez politikası.

LUISTERSPROOKJES, 01 De sneeuwkoningin – Text to read

LUISTERSPROOKJES, 01 De sneeuwkoningin

Başlangıç 2 Hollandaca lesson to practice reading

Bu dersi şimdi öğrenmeye başlayın

01 De sneeuwkoningin

Heel lang geleden woonden er in Lapland een jongen en een meisje. Het meisje heette Gerda en de jongen Kai. Ze waren even oud en ze woonden naast elkaar.

Tussen de huizen waar ze woonden lag een prachtige tuin. Gerda en Kai speelden de hele zomer tussen de bloemen. Gerda's lievelingsbloemen waren rozen. Ze vond ze zo mooi, dat ze er versjes over schreef.

In de winter zaten de kinderen binnen bij de kachel. Dan vertelde de grootmoeder van Kai over de sneeuwkoningin.

“Ze vliegt op een grote wolk en bedekt de steden en dorpen met hagel en sneeuw. Met haar ijskoude adem blaast ze over het water, zodat het bevriest. Haar hart is als ijs. En het liefst zou ze van alle mensen het hart in een ijsklomp veranderen.”

Terwijl grootmoeder aan het vertellen was, stak er buiten een hagelstorm op. Plotseling vloog er een raam open. Kai stond op om het dicht te doen.

“Au! Dat doet pijn!” riep hij, want hij had een hagelsteen in zijn oog gekregen.

Even later lachte Kai alweer. De hagelsteen was gesmolten. Maar niemand wist dat er een splinter van de hagelsteen in zijn hart terecht was gekomen.

De volgende dag ging Kai met zijn vrienden sleetje rijden op het dorpsplein.

“Mag ik mee?” vroeg Gerda.

“Natuurlijk niet, meisjes zijn veel te dom om sleetje te rijden,” riep Kai.

Gerda begreep niet waarom Kai zo onaardig deed. Maar hoe kon ze ook weten dat de splinter het hart van Kai in een ijsklomp veranderde. En mensen met een hart van ijs, kunnen niet aardig zijn.

Toen Kai op het plein aankwam, waren zijn vriendjes er nog niet. Wel stond er een grote witte arreslee met twee prachtige witte paarden ervoor. Er zat iemand in de slee, diep weggedoken in een witte bontjas. “Zo'n slee gaat vast heel hard,” dacht Kai. En hij bond zijn sleetje achter de grote arreslee. De paarden draafden meteen weg en even later suisde de arreslee door de straten.

Het ging sneller en sneller en Kai werd bang. De arreslee schoot het dorp uit. En toen ging de slee zo hard als de wind. “Help! Help!” schreeuwde Kai, maar niemand kon hem horen.

Plotseling stopte de arreslee. Uit de slee stapte een hele mooie dame. Haar jas was niet van bont, wat hij eerst had gedacht, maar van… sneeuwvlokken. En toen wist Kai wie die dame was… ze was de sneeuwkoningin. De dame tilde Kai uit zijn slee en droeg hem naar de arreslee.

Het was de sneeuwkoningin geweest die de hagelstorm naar het huis van Kai had gestuurd. En ze had er ook voor gezorgd dat het hart van Kai een ijsklomp was geworden. En Gerda? Die was hij vergeten.

Gerda was heel bedroefd toen Kai die avond niet thuis kwam. En niemand had Kai die dag in het dorp gezien. Gerda bleef de hele winter naar hem zoeken. Het werd lente en Gerda kreeg een paar nieuwe rode schoenen. Ze was nog altijd op zoek naar Kai. Op een dag stond ze bij de rivier. “Ik geef jullie mijn nieuwe schoenen als jullie me kunnen vertellen waar Kai is,” zei ze tegen de golven.

De golven knikten met hun schuimkopjes. Dus Gerda stapte in een bootje en liet haar schoenen in het water achter. De rivier begon steeds sneller te stromen. Gerda was heel bang, maar ze durfde niet uit het bootje te springen.

“Misschien brengt de boot me wel bij Kai,” dacht ze. Op dat ogenblik voer de boot langs een huisje met een rieten dak. De tuin stond vol met kersenbomen. De deur ging open en er kwam een oude dame met een lief gezicht naar buiten. Ze liep naar het bootje toe en met haar wandelstok trok ze het naar de kant.

“Vertel eens, lief kind,” zei de oude vrouw, “wat doe jij hier helemaal alleen in een bootje?”

En Gerda vertelde over Kai… dat hij lelijk tegen haar had gedaan en dat ze hem daarna niet meer had gezien.

“Hier is hij niet geweest, mijn lieve kind. Maar ik denk dat hij wel zal komen.” Ze nam GErda mee naar haar huisje en zette een schaal heerlijke kersen voor haar neer. En terwijl Gerda die op at, kamde de oude vrouw de haren van het meisje. “Wat lief van haar,” dacht Gerda. Maar ze wist niet dat de oude vrouw eigenlijk een tovenares was, die Gerda bij zich wilde houden. Ze had altijd al zo'n lief dochtertje willen hebben. De kam was een toverkam en daarmee kamde ze alle herinneringen van Gerda aan thuis en Kai weg.

Een paar dagen bleef Gerda binnen spelen. Maar op een morgen liep ze naar buiten, de tuin in. Ze rook aan alle bloemen. Ineens snoof ze de geur van rozen op en toen moest ze weer aan Kai denken.

“O, ik ben hier al veel te lang,” riep ze uit. Een grote zwarte kraai, die op een boomtak zat, schrok wakker.

“Kra, kra,” kraste de kraai. “Wat is er aan de hand, kleine meid?

“Ik ben op zoek naar mijn vriendje Kai. Heb jij hem soms gezien?”

“Verleden week kwam hier een jongen langs. Hij zou met een prinses gaan trouwen en nu is hij prins. Kra, kra. Ze wonen in een prachtig paleis, niet ver hier vandaan.”

“Stel je voor dat Kai een prins geworden is,” zei Gerda. “Kun je me de weg naar het paleis wijzen, kraai?”

De kraai vloog voor Gerda uit naar het paleis. Toen ze daar aankwamen, keek Gerda in alle kamers, maar de prins en de prinses vond ze niet. Vol spanning maakte ze de laatste deur open, de deur van de prinselijke slaapkamer. Voorzichtig keek ze om het hoekje. Toen ze de slapende prins zag, begon ze te huilen. “Maar dat is Kai niet?”

De prins en de prinses werden wakker en keken verbaasd naar het huilende meisje aan de voet van hun bed. Maar toen Gerda over Kai vertelde, begrepen ze waarom ze zo verdrietig was.

“Ik geef je mijn mooiste jurk,” zei de prinses. “Dat zal je opvrolijken.”

“En ik schenk je mijn gouden koets met mijn koetsier,” zei de prins. “Dan zul je Kai veel sneller vinden.”

En zo vervolgde Gerda haar reis in de koets van de prins. Toen het nacht werd, reden ze door een donker bos, waar rovers rondzwierven. Die zagen de koets in het maanlicht aankomen. “De koets is van goud, mannen! Helemaal van goud!” riepen ze. En ze sprongen op de koets af.

De rovers namen Gerda mee naar hun schuilplaats. Bij de ingang stond een meisje met zwart haar en grote gouden ringen in haar oren. Ze was de dochter van de roverhoofdman. Toen de rovers er achter kwamen dat Gerda geen rijke prinses was, besloten ze haar te doden. “Vader, dat kun je niet doen,” huilde het roversmeisje. “Ik vind haar erg lief.”

De roverhoofdman dacht diep na en zei: “Goed dan. Maar de deur gaat op slot. Anders loopt ze weg en zal ze onze schuilplaats verraden.”

Die nacht vertelde Gerda het roversmeisje over Kai. Twee duiven en een rendier luisterden ook mee. Een van de duiven zei: “Ik heb kleine Kai gezien. Hij zat in de arreslee van de sneeuwkoningin. Ze waren op weg naar IJsland.”

“Dat kan kloppen,” zei het rendier. “Ik ben in IJsland geboren. En daarom weet ik dat de sneeuwkoningin daar een zomerpaleis heeft.”

“Nu begrijp ik waarom Kai zo onaardig tegen me was,” zei Gerda. “De sneeuwkoningin heeft zijn hart in een ijsklomp veranderd.”

Het roversmeisje wilde Gerda graag helpen. Stilletjes kroop ze naar haar vader, die luid lag te snurken. Ze pakte de sleutel onder zijn kussen vandaan en liet Gerda vrij. “Het rendier zal je naar IJsland brengen. Dag Gerda.”

En Gerda klom op de rug van het rendier, dat over heidevelden en door moerassen rende. Soms nam het rendier zulke grote sprongen, dat ze hele stukken door de lucht vlogen. Ze reisden een dag en een nacht en nog een dag. En het werd steeds kouder. Eindelijk kwamen ze in IJsland aan. Overal lag sneeuw en ijs. Gerda bibberde van de kou.

“Kijk! Daar!” riep Gerda. In de verte schitterde het zomerpaleis van de sneeuwkoningin in het zonlicht. Het was helemaal van ijskristallen gemaakt.

Kai was het knechtje van de sneeuwkoningin geworden. Hij moest iedere dag de reusachtige ijsvloeren van de zalen van het paleis boenen. Kai had best willen huilen, maar dat kon hij niet omdat zijn hart in een ijsklomp veranderd was.

Op een dag had de sneeuwkoningin hem een paar grote hagelstenen gegeven en gezegd: “Als het je lukt om met deze hagelstenen het woord VRIJHEID te maken, laat ik je misschien vrij.” Kai probeerde het iedere dag opnieuw, maar het lukte hem niet. Zijn vingers waren blauw van de kou.

Gerda en het rendier waren intussen bij het paleis aangekomen. Gerda zocht in alle zalen naar Kai. Eindelijk zag ze hem zitten, op een stoel van ijs.

“Kai! Ik heb je gevonden!” riep ze. Ze holde naar hem toe en sloeg haar armen om hem heen. Kai keek Gerda met ijskoude ogen aan. “Wie ben jij? Wat doe je hier? Ga weg!” zei hij. Maar Gerda liet hem niet los. Ze huilde warme tranen van geluk. Een paar tranen vielen op het ijzige hart van Kai… dat begon te smelten. En toen wist Kai weer wie Gerda was.

De kinderen omhelsden elkaar en dansten van vreugde. De hagelstenen vielen op de vloer. “Kijk, de hagelstenen hebben zelf het woord VRIJHEID gevormd!” riep Kai. “Nu ben ik vrij!”

Gerda en Kai holden naar buiten. Ze klommen op de rug van het rendier. Een paar dagen later waren ze thuis, waar in de tuin de rozen weer bloeiden.

Learn languages from TV shows, movies, news, articles and more! Try LingQ for FREE