Karin verveelt zich op haar werk en thuis.
Ze doet elke dag hetzelfde.
Ze zoekt een nieuwe hobby.
Eerst probeert ze te koken.
Maar haar eten smaakt niet lekker.
Dan probeert ze te zwemmen.
Maar ze is bang voor water.
Karin loopt naar huis en ziet een dierenwinkel.
In de dierenwinkel ziet ze een kat!
Karin koopt de kat en is nu erg gelukkig.
Ik verveel me op mijn werk en thuis.
Ik doe elke dag hetzelfde.
Ik zoek een nieuwe hobby.
Eerst probeer ik te koken.
Maar mijn eten smaakt niet lekker.
Dan probeer ik te zwemmen.
Maar ik ben bang voor water.
Ik loop naar huis en zie een dierenwinkel.
In de dierenwinkel zie ik een kat!
Ik koop de kat en ben nu erg gelukkig.
Vragen:
Een : Karin verveelt zich op haar werk en thuis.
Is Karin gelukkig op haar werk?
Nee, Karin is niet gelukkig op haar werk.
Ze verveelt zich op haar werk en thuis.
Twee : Karin doet elke dag hetzelfde.
Doet Karin veel nieuwe dingen?
Nee, Karin doet elke dag hetzelfde.
Drie : Karin zoekt een nieuwe hobby.
Zoekt Karin een nieuwe hobby?
Ja, Karin zoekt een nieuwe hobby.
Vier : Karins eten smaakt niet lekker.
Kan Karin goed koken?
Nee, Karin kan niet goed koken.
Vijf : Karin is bang voor water.
Houdt Karin van zwemmen?
Nee, Karin houdt niet van zwemmen.
Ze is bang voor water.
Zes : Karin ziet een dierenwinkel.
Ziet Karin een kat in de dierenwinkel?
Ja, Karin ziet een kat in de dierenwinkel.
Zeven : Karin koopt de kat in de dierenwinkel.
Koopt Karin de kat?
Ja, Karin koopt de kat in de dierenwinkel.
Acht : Karin is nu erg gelukkig omdat ze een kat heeft.
Verveelt Karin zich op dit moment?
Nee, Karin verveelt zich niet.
Ze is nu erg gelukkig omdat ze een kat heeft.