Mike staat elke ochtend om zes uur op.
Hij maakt ontbijt en drinkt een kop koffie.
Hij gaat met de auto naar zijn werk.
Zijn werk begint om half 8 ‘s ochtends.
Mike is kok in een restaurant.
Hij maakt eten voor hongerige klanten.
De klanten komen uit veel verschillende landen.
Ze spreken veel verschillende talen.
Mike ontmoet veel vriendelijke mensen.
Mike is blij als hij met de klanten praat.