Op verzoek - woordvolgorde
De woordvolgorde in het Nederlands.
In deze les wil ik iets uitleggen over de woordvolgorde in het Nederlands.
Allereerst de simpelste zinsbouw: een onderwerp en een of meer werkwoorden.
Ik loop.
Piet loopt.
Jan rende.
Jij hebt gerend.
Dan kunnen we plaats- en tijdsbepalingen toevoegen.
Als ze aan het einde van de zin komen, plaatsen we de tijdsbepaling eerst, en de plaatsbepaling erna. Ik loop nu.
Ik loop naar de bakker.
Ik loop nu naar de bakker.
Als er een voltooid deelwoord wordt gebruikt in de zin, komt die als laatste:
Ik ben gisteren naar de bakker gelopen.
Als er een lijdend voorwerp wordt gebruikt, volgt dit direct na het eerste werkwoord:
Ik sla mijn broer.
Wij eten het brood.
Met een voltooid deelwoord, komt dit ook weer helemaal aan het einde:
Ik heb mijn broer geslagen.
Ik heb mijn broer gisteren geslagen.
Als er een meewerkend voorwerp wordt gebruikt volgt dit na het lijdend voorwerp:
Ik geef het cadeau aan jou.
De eventuele tijds- en plaatsbepalingen komen tussen het lijdend en meewerkend voorwerp:
Ik gaf het cadeau gisteren op het feest aan jou.
Ik heb het cadeau gisteren op het feest aan jou gegeven.
Nu kan een tijdsbepaling soms ook aan het begin van de zin worden geplaatst, om er wat meer nadruk aan te geven.
Gisteren gaf ik het cadeau aan jou.
Gisteren heb ik het cadeau aan jou gegeven.