×

Vi använder kakor för att göra LingQ bättre. Genom att besöka sajten, godkänner du vår cookie policy.


image

Don Quichot van La Mancha, Don Quichot III - DE RIDDERSLAG

Don Quichot III - DE RIDDERSLAG

HOOFDSTUK III.

DE RIDDERSLAG.

Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend de handen tot hem op.

"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem, "hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt, waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot heil en zegen zal strekken. De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid, dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen, wat hij van hem begeeren zou.

"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult; want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den dag van morgen af hoop te behooren. " De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd. "Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot, en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen, als er maar een op twee beenen loopt. " Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest.

"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier met gemaakte deftigheid. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen, en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden, in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt, een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op ontmoetingen en avonturen uit. " Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof van den burcht te houden.

Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen.

Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend, eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling.

Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen, daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur en keek den komende grimmig aan.

"Terug, vermetel ridder!" riep hij. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u, dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan! " De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal, dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den grond smeet. Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk bewusteloos neerstortte.

Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en zette zijne wandeling met alle deftigheid voort.

Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was, en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel, die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu zijn zwaard en riep uit:

"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur ik hier te bestaan heb. " De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide, zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen.

De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen, trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was, wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan, vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er hoegenaamd niets was voorgevallen.

Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan.

"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag te geven. " Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen, vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar eisch was afgeloopen.

De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard, maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen.

Don Quichot III - DE RIDDERSLAG Don Quijote III - DER RIDDERSLAG Δον Κιχώτης ΙΙΙ - Ο ΙΠΠΟΔΡΟΜΟΣ Don Quixote III - THE RIDDERSLAG Don Quijote III - EL RIDDERSLAG

HOOFDSTUK III. CHAPTER III.

DE RIDDERSLAG. THE RIDDERSLAG.

Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend de handen tot hem op. When the miraculous meal was thus finished, Don Quixote beckoned the innkeeper aside, brought him into the stable, locked himself there with him, fell down on his knees before him and raised his hands to him supplicatingly.

"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem, "hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt, waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot heil en zegen zal strekken. “O thou bravest of knights and castellan,” he said to him, “here I will kneel, and I will not rise again, till thou hast granted me with superhuman goodness and grace one wish, the grant of which will bring thee to eternal glory and will bring salvation and blessing to the whole world. De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen aan en was niet weinig verlegen. The fat innkeeper looked at the kneeling hero with astonished eyes and was not a little shy. Hij wist niet, hoe hij zich in dit geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid, dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier aan den dag leggen mocht. He did not know how to conduct himself in this case, and politely requested Don Quixote that he might rise and make his wishes wisely manifest. Don Quichot verroerde zich echter niet van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen, wat hij van hem begeeren zou. Don Quixote, however, did not move from the stone and did not rest until the innkeeper had promised to do what he would ask of him.

"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u nu mijn verlangen openbaren. "I thank you for your generosity," he said to this, "and will now reveal my desire to you. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel van uw kasteel mijne wapenwake te houden. It consists in this, that you will knight me early to-morrow and grant me to keep my vigil this night in the chapel of your castle. Hebt gij dat gedaan, dan wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult; want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den dag van morgen af hoop te behooren. " If you have done that, I will go into the wide world, and will fight and fight, until the glory of my deeds fill the earth with wonder and admiration; for this is the duty of knight-errant errant, to which I hope to belong from to-morrow. " De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. The fat innkeeper was a fellow, and now that he heard the noble knight trot on like that, he immediately realized that things must not be right with this one in the upper floor. Dus nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig ridder te vervullen. So he resolved to have a good time with him, and replied with a dignified, straight face that he was very willing to fulfill the wish of such a brave, perfect, and illustrious knight. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd. He strengthened his belief that he was really in a great and beautiful castle, and only regretted having no chapel at his disposal for the moment, the old one having recently been torn down to be rebuilt. "Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel goed en passend is. "Yet, worthy hero," he added, "may you keep your vigil here comforted, for in time of need any place for that purpose is good and fitting. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot, en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen, als er maar een op twee beenen loopt. " Do it this night in a courtyard of the castle, and tomorrow I will then make the necessary preparations and arrange everything so that you will be made such a perfect knight if only one walks on two legs. " Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld bij zich had. After this comforting promise, he asked Don Quixote if he had any money with him. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest. To his astonishment the knight replied in the negative, adding that he had never read that a good knight errant had been weighed down with other puny metal than his good armor.

"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier met gemaakte deftigheid. "Eh, then the writers of your heroic histories must not have been quite right," replied the roguish innkeeper, with contrived gentility. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen, en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden, in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. "For my part I have always heard that all adventure-seeking knights on their journeys took with them really well-speckled purses, clean shirts, and besides that a box of miracle balm to heal the wounds and wounds received in battle, and that they if they had no squire with them, kept them in a knapsack attached to the saddle for that purpose. Neem dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt, een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op ontmoetingen en avonturen uit. " So take good advice from me, noble Don Quixote: when you have received the knighthood from me, ride home, take care of money and other necessary needs, engage a squire, as befits a hero, and then ride out again on encounters and adventures. " Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof van den burcht te houden. Don Quixote promised to follow this well-worn advice punctually, and declared himself ready to hold his vigil of arms in a courtyard of the castle.

Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen. Without hesitation he then dragged out the pieces of his armor, laid them on the trough in front of the well and then, with the shield on his arm, the lance in his fist, began to walk up and down in front of it with the utmost courtesy and dignity.

Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet van den rooster over te vertellen. It had become quite late in the meantime, and the fat innkeeper hastened to recount all the wonderful things about knightly battle and vigil of arms that he had heard from Don Quixote to his guests in the barroom so hot off the grill. De menschen liepen nu lachend naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens heen en weer kuieren. The people now walked to the window laughing and, as the moon shone brightly, they saw there the good Don Quixote strolling jauntily and in full glory in front of his arms. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend, eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling. Now and then, leaning on his lance, he remained pensive for a few moments, looked up to the moon sighing, and then began his monotonous walk again.

Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Now a mule driver among the guests suddenly remembered that he had yet to give his animals a drink. Hij trad dus buiten in den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen, daar hij anders niet bij het water kon komen. So he stepped outside into the court and approached the well, taking the armor from the trough, since otherwise he could not reach the water. Zoodra nu echter Don Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur en keek den komende grimmig aan. As soon as Don Quixote caught sight of him, however, he postured himself menacingly and looked grimly at the coming one.

"Terug, vermetel ridder!" "Back, impudent knight!" riep hij. he cried. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u, dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan! " "Whoever thou mayest be, who so recklessly forsakes thy hand to my arms, beware lest thou lose thy life in punishment for thy madness! " De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal, dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den grond smeet. The donkey driver was so little disturbed by this pompous language that he picked up the weapons in his way by the belts without circumstances and threw them, one piece to the right, the other to the left, on the ground. Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk bewusteloos neerstortte. When Don Quixote saw this, he flew into a fierce rage, twisted his eyes, let go of his shield, grabbed his lance with both hands and dropped it on the poor donkey driver's head with such violence that he lost his sight and hearing and immediately collapsed unconscious.

Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en zette zijne wandeling met alle deftigheid voort. Without looking back at the conqueror, Don Quixote calmly picked up his weapons, laid them down on the trough again and continued his walk with all decorum.

Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was, en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een afstand te houden. However, it did not take long, or there came a second donkey driver who did not know at all about what had happened to his comrade, and received the same warning from Don Quixote, to keep his distance. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel, die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. As the man did not immediately do so, the threatened knight raised his lance again and dealt the poor devil, who did not know what was happening to him, a couple of blows to the head, so great that the blood poured down and the poor fool began to scream and cry. Dit gerucht deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. This rumor startled the innkeeper and his guests, who saw with amazement what had happened. En toen hij bemerkte, welk machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu zijn zwaard en riep uit: And when he perceived, what mighty army was approaching against him, the awake knight now grasped his sword and exclaimed:

"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur ik hier te bestaan heb. " "Now, O Dulcinea, queen of my heart, now is the time for you to turn your eyes upon me and see what dreadful and terrifying adventure I have to exist here. " De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide, zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet nader waagden. The menacing gestures with which Don Quixote brandished his arms, his flaming glances and unmistakable determination inspired such awe in the people that they immediately stopped and did not venture closer. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk tegen kon dekken. However, in order to do something, they picked up stones from the ground and started with them at a safe distance such a violent bombardment that Don Quixote could not possibly cover himself with his shield. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen. So he received many a hard pounding, but did not budge a foot from the spot, preferring to lose his life rather than even a single piece of his armor.

De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen, trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was, wat hij hun vroeger ook al had gezegd. The innkeeper, beginning to feel pity for the poor hero, finally acted as mediator and sought to calm the attackers by reminding them that Don Quixote was not straight, as he had told them before. Zijne dringende toespraak en des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont en blauw gesteenigden held verder met rust liet. His urgent speech and the knight's grave threat that he would crush the skull of one after another finally had the effect of leaving the stoned hero alone. Deze gaf nu den deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan, vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er hoegenaamd niets was voorgevallen. He gave the badly injured donkey driver freedom to go his way, picked up the lance again and continued his walk as if nothing had happened.

Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan. Meanwhile, the innkeeper understood that it was now time to put an end to the joke for good, and decided to knight our heroic friend without further delay.

"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. "High sir," he spoke in a respectful tone, "you have now fully fulfilled your duty and demonstrated your superhuman prowess by the heroic defense of your weapons. Ik acht het dus niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag te geven. " So I do not consider it necessary for you to stand here until morning, but count me obliged to give you the knighthood right now here under the bare sky. " Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen bij te dienen. Not little flattered by this humble speech, which contained such high praise for him, Don Quixote immediately prepared to receive the blow; and to add due solemnity to the affair, the innkeeper hastened to fetch the two goslings and a kitchen boy to serve as witnesses. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen, vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. At this he ordered the mad knight to kneel down, asked him for his sword and gave him two blows on the shoulders with it so fierce that anyone but our steadfast hero would have cried out in pain. De dikke waard hield hierop eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar eisch was afgeloopen. The fat innkeeper made a short speech, then ordered the maids, whom Don Quixote still thought of as beautiful and distinguished noblewomen, to buckle him with their swords and spurs, and declared that the ceremony was thus properly completed.

De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. The newfound knight thanked all three, the castle guardian and the ladies, for their loving services, their favor and grace, and then went into the stable, to saddle Rocinante and bring him outside. Hij kon namelijk niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. Indeed, he could not decide to spend the entire night at the inn. De dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard, maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen. The thirst for adventures and chivalrous deeds drove him on; and the innkeeper, but glad to get rid of him, allowed him to move, without demanding payment from him even for lodging and the miserable stokvish.