×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

[Boek] Pilaren van de aarde (Ken Follet), Part (9)

Part (9)

Er was geen twijfel mogelijk: hij kende dat varken evengoed als hij Alfred of Martha kende. Het beest werd vakkundig vastgehouden door een man met het weldoorvoede uiterlijk van iemand die zo veel vlees eet als hij maar wenst, en dan nog wat meer: ongetwijfeld was de man slager. Zowel Tom als Agnes bleven staan en staarden de man aan, en aangezien ze hem de weg versperden, moest hij hen ook wel opmerken.

‘En?' vroeg hij verbaasd over hun starende blik, en hij maakte ongeduldig aanstalten om verder te kunnen lopen.

Martha verbrak de stilte. ‘Dat is ons varken!' riep ze uit.

‘Zo is dat,' vulde Tom aan, en hij keek de slager strak aan.

Even verscheen een sluwe uitdrukking op het gezicht van de man, en Tom begreep dat de man ook wel wist dat hij een gestolen varken vasthield. Maar hij zei: ‘Ik heb er zojuist vijftig pence voor betaald, dus het is mijn varken.'

‘Wie je ook geld gegeven hebt, dat varken mocht niet verkocht worden. Daarom heb je het ook zo goedkoop gekregen. Van wie heb je het gekocht?'

‘Van een boer.'

‘Iemand die je kent?'

‘Nee. Luister eens, ik ben slager bij het garnizoen. Ik kan niet aan elke boer die me een varken of een koe verkoopt vragen of hij soms twaalf getuigen heeft die willen zweren dat hij zijn eigen dieren verkoopt.'

De man keerde zich om en wilde weglopen, maar Tom greep hem bij zijn arm en hield hem tegen. Even keek de man kwaad, maar toen besefte hij dat, als er een handgemeen zou ontstaan, hij het varken moest loslaten en dat de rollen dan omgekeerd werden: als iemand van Toms gezin het varken te pakken kreeg, zou de slager moeten bewijzen dat het beest zijn eigendom was. Daarom beheerste hij zich en zei: ‘Als je mij wilt beschuldigen, moet je naar de sheriff gaan.'

Tom overwoog die mogelijkheid even, maar hij had geen bewijzen. Hij zei: ‘Hoe zag die man eruit – de man van wie je mijn varken kocht?'

De slager keek sluw en zei: ‘Zoals ieder ander.'

‘Hield hij zijn mond bedekt?'

‘Nu je het zegt, dat deed hij inderdaad.'

‘Hij was een banneling, en hij hield een verminking verborgen,' zei Tom meewarig. ‘Daar heb je zelf zeker niet aan gedacht?'

‘Het regent pijpenstelen!' protesteerde de slager. ‘Iedereen beschermt zich tegen de regen.'

‘Vertel me alleen hoe lang geleden hij vertrok.'

‘Zojuist.'

‘En waar ging hij naartoe?'

‘Naar een kroeg, denk ik.'

‘Om mijn centen te verbrassen,' merkte Tom schamper op. ‘Goed, maak dat je wegkomt. Op een dag word jij zelf nog beroofd, en dan mag je hopen dat er niet zoveel mensen rondlopen die zonder vragen te stellen op een koopje uit zijn.'

De slager keek kwaad, en aarzelde even, alsof hij nog iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich en verdween.

Agnes zei: ‘Waarom liet je hem gaan?'

‘Omdat hij hier bekend is, en ik niet,' antwoordde Tom. ‘Als ik met hem op de vuist ga, dan krijg ik de schuld. En omdat mijn naam niet op de kont van dat varken staat, kan ik toch niet bewijzen dat het van mij is?'

‘Maar als ons spaargeld…'

‘Misschien krijgen we toch nog geld voor het varken,' zei Tom. ‘Houd je mond en laat me nadenken.' De twist met de slager had hem kwaad gemaakt, en het luchtte op zo bits tegen Agnes te spreken. ‘Ergens in deze stad is een man zonder lippen, maar met vijftig zilveren duiten op zak. Het enige dat we moeten doen is hem opsporen en het geld afnemen.'

‘Juist,' vond Agnes vastberaden.

‘Jij loopt terug naar de kathedraal. Ik loop verder, en dan bereik ik de kathedraal aan de andere kant. Dan lopen we door de volgende straat en zo verder. Als hij nergens op straat loopt, dan zit hij in een kroeg. Zodra je hem ziet, moet je bij hem blijven en Martha naar mij sturen. Ik ga samen met Alfred. Probeer te voorkomen dat die schavuit je ziet.'

‘Wees maar niet bang,' zei Agnes grimmig. ‘Ik wil dat geld om mijn kinderen eten te geven.'

Tom raakte haar arm aan en lachte. ‘Jij bent een leeuwin, Agnes.'

Ze keek hem even aan, ging op haar tenen staan en kuste zijn mond, kort maar stevig. Daarna keerde ze zich om en liep met Martha terug over het marktplein. Tom wachtte tot ze uit het zicht verdwenen was; hij maakte zich zorgen over haar, ondanks haar moed. Toen liep hij met Alfred in de tegenovergestelde richting.

De dief scheen te denken dat hij veilig was. Uiteraard, want toen hij het varken stal was Tom op weg naar Winchester, en de dief was in de tegenovergestelde richting verder gegaan, om het varken in Salisbury te verkopen. Maar Ellen, de bannelinge in het bos, had Tom verteld dat de kathedraal in Salisbury herbouwd werd, en daarom had hij zijn plannen gewijzigd, zodat hij onopzettelijk de dief volgde. Maar de man dacht dat hij Tom nooit meer zou zien, wat Tom de kans gaf hem onverhoeds te grijpen.

Tom liep langzaam over de modderige straat, en hij keek zo onverschillig mogelijk in de richting van openstaande deuren. Hij probeerde onopvallend te blijven, want dit alles kon met geweld eindigen, en hij wilde niet dat de mensen zich een lange metselaar konden herinneren die de stad afspeurde. De meeste woningen waren eenvoudige bouwsels van hout, leem en riet, met stro op de vloer, een vuurplaats in het midden en wat zelfgemaakte meubels. Een vat en een paar banken vormden het interieur van een kroeg, een bed in een hoek, afgeschermd door een gordijn wees op een bordeel, en een rumoerig groepje rond een enkele tafel op dobbelspel.

Een vrouw met roodgeverfde lippen ontblootte haar borsten voor Tom, maar hij schudde zijn hoofd en liep haastig verder. Hij speelde wel eens stilletjes met de gedachte het met een volslagen vreemde vrouw te doen, gewoon overdag, en er ook voor te betalen, maar hij had dat nog nooit in zijn leven gedaan.

Hij dacht weer aan Ellen, de bannelinge in het bos. Er was iets heel intrigerends aan haar. Ze was erg aantrekkelijk, maar die diepliggende, intens kijkende ogen boezemden ook ontzag in. De uitnodiging van de hoer gaf Tom even een eigenaardig gevoel, maar de indruk die Ellen op hem gemaakt had was nog niet verdwenen, en opeens kreeg hij zin terug te rennen naar het bos om haar te zoeken en zich op haar te werpen.

Hij kwam weer bij de bouwplaats van de kathedraal, zonder dat hij de bandiet ergens had gezien. Hij keek naar de loodgieters die stukken lood vastnagelden op de driehoekige balken van het schip. Ze waren nog niet begonnen met het afdekken van de schuine daken boven de zijbeuken van de kerk, zodat de halve steunbogen nog zichtbaar waren. Hij wees ernaar en zei tegen Alfred: ‘Zonder die steunberen zou de muur van het middenschip naar buiten buigen, door het gewicht van de stenen gewelven. Zie je hoe die halve bogen in lijn zijn met de versterkingen in de zijwanden? Die lijn wordt voortgezet tot boven de pilaren in de zuilengang van het middenschip. En de vensters zijn in lijn met de bogen van de zuilengang. Sterk moet in lijn zijn met sterk, en zwak met zwak.' Alfred keek zonder veel belangstelling omhoog. Tom zuchtte.

Hij zag Agnes van de andere kant naderen, en zijn aandacht keerde weer terug naar het probleem dat nu aan de orde was. Agnes' kap verborg haar gezicht, maar hij herkende haar vooruitgestoken kin en haar vastberaden stappen. Als zij de banneling tegen het lijf zou lopen, en als er dan een handgemeen ontstond, dacht hij verbeten, dan zouden ze aan elkaar gewaagd zijn.

‘Heb jij hem gezien?' vroeg ze.

‘Nee. Jij kennelijk ook niet.' Tom hoopte dat de dief nog niet vertrokken was uit de stad. De man zou zeker niet verdwijnen voordat hij wat van zijn geld had uitgegeven. In het bos kon hij immers niets doen met geld. Agnes dacht hetzelfde. ‘Hij moet hier ergens zijn. Laten we verder zoeken.'

‘We lopen terug door andere straten, en dan ontmoeten we elkaar weer op het marktplein.'

Tom en Alfred keerden terug op hun schreden over de bouwplaats en liepen door de poort. De regen drong nu door hun mantels, en Tom dacht even aan een bord warm eten bij het haardvuur in een bierhuis. Toen bedacht hij hoe hard hij gewerkt had om dat varken te kunnen kopen, en in gedachten zag hij de man zonder lippen weer zijn knuppel naar het onschuldige hoofd van Martha zwaaien. De woede verwarmde hem weer.

Het was moeilijk systematisch te zoeken, omdat er geen regelmaat in het stratenpatroon was. De straten kronkelden, afhankelijk van de plaatsen waar huizen waren gebouwd, en er waren veel scherpe bochten en doodlopende stegen. De enige rechte straat leidde van de oostpoort naar de ophaalbrug voor het kasteel. Nu liep hij telkens van de stadswallen schuin naar het centrum en weer terug. Dit stadsdeel was armoediger, en de huizen zagen er bouwvallig uit. Hier waren de kroegen nog luidruchtiger en hier lonkten de oudste hoeren. De rand van de stad lag lager op de helling dan het centrum, dus het afval van de rijkere wijken spoelde door de straten naar beneden tot bij de stadsmuur. Hetzelfde leek te gebeuren met de inwoners, want in deze buurt waren meer kreupelen en bedelaars, hongerige kinderen, afgeranselde vrouwen en dronkaards.

Maar de man zonder lippen was nergens te zien.

Twee keer zag Tom een man die ongeveer dezelfde lichaamsbouw en hetzelfde uiterlijk had, maar als Tom dichterbij kwam zag hij een ongeschonden gezicht.

Hij beëindigde zijn speurtocht op het marktplein, maar daar stond Agnes ongeduldig op hem te wachten, gespannen en met een felle blik in haar ogen. ‘Ik heb hem gevonden!' siste ze.

Tom voelde opwinding en bewondering tegelijk. ‘Waar?'

‘Hij ging een gaarkeuken bij de oostpoort binnen.'

‘Wijs me de weg.'

Ze liepen om het kasteel naar de ophaalbrug, ze volgden de rechte straat naar de oostpoort en kwamen toen in een doolhof van kleine steegjes dicht bij de stadsmuur. Tom zag de gaarkeuken even later. Het was niet eens een huis, maar een afdak op vier palen, tegen de stadsmuur aangebouwd, met achterin een laaiend vuur waarboven een schaap aan het spit werd geroosterd en een grote borrelende ketel was opgehangen. Het was nu ongeveer midden op de dag, en de kleine ruimte stond vol mensen, meest mannen. De geur van gebraden vlees deed Toms maag rammelen. Hij overzag de menigte, bezorgd dat de banneling inmiddels al weer verdwenen was. Maar hij zag hem zitten op een kruk, een beetje afgezonderd van de anderen, hutspot lepelend uit een nap en hij hield een doek voor zijn gezicht om zijn mond te bedekken.

Tom draaide zich snel om, zodat de man hem niet zou zien. Nu moest hij beslissen wat hij verder moest doen. Hij was zo kwaad dat hij de dief ter plekke kon neerslaan en zijn beurs afpakken. Maar de omstanders zouden hem niet zomaar laten gaan. Hij zou moeten uitleggen wat er gebeurd was, niet alleen aan de toeschouwers, maar ook aan de sheriff. Tom stond in zijn recht, en het feit dat de dief een banneling was, betekende dat niemand voor zijn oprechtheid hoefde te getuigen, aangezien Tom duidelijk een respectabele metselaar was. Maar dat zou allemaal veel tijd kosten, het kon zelfs weken duren als de sheriff elders in het land was, en dan bleef het risico bestaan dat hij van lokaalvredebreuk beschuldigd werd, als er een opstootje ontstond.

Nee, het leek hem verstandiger de dief zelf aan te pakken.

De man kon de nacht niet in de stad doorbrengen, want hij had hier geen huis, en hij kon nergens logies krijgen omdat hij dan moest aantonen dat hij een respectabel heerschap was. Daarom moest hij voor de stadspoorten werden gesloten weer vertrekken.

En er waren slechts twee stadspoorten.

‘Hij zal waarschijnlijk over dezelfde weg terugkeren,' zei Tom tegen Agnes.


Part (9)

Er was geen twijfel mogelijk: hij kende dat varken evengoed als hij Alfred of Martha kende. Het beest werd vakkundig vastgehouden door een man met het weldoorvoede uiterlijk van iemand die zo veel vlees eet als hij maar wenst, en dan nog wat meer: ongetwijfeld was de man slager. Zowel Tom als Agnes bleven staan en staarden de man aan, en aangezien ze hem de weg versperden, moest hij hen ook wel opmerken.

‘En?' vroeg hij verbaasd over hun starende blik, en hij maakte ongeduldig aanstalten om verder te kunnen lopen.

Martha verbrak de stilte. ‘Dat is ons varken!' riep ze uit.

‘Zo is dat,' vulde Tom aan, en hij keek de slager strak aan.

Even verscheen een sluwe uitdrukking op het gezicht van de man, en Tom begreep dat de man ook wel wist dat hij een gestolen varken vasthield. Maar hij zei: ‘Ik heb er zojuist vijftig pence voor betaald, dus het is mijn varken.'

‘Wie je ook geld gegeven hebt, dat varken mocht niet verkocht worden. Daarom heb je het ook zo goedkoop gekregen. Van wie heb je het gekocht?'

‘Van een boer.'

‘Iemand die je kent?'

‘Nee. Luister eens, ik ben slager bij het garnizoen. Ik kan niet aan elke boer die me een varken of een koe verkoopt vragen of hij soms twaalf getuigen heeft die willen zweren dat hij zijn eigen dieren verkoopt.'

De man keerde zich om en wilde weglopen, maar Tom greep hem bij zijn arm en hield hem tegen. Even keek de man kwaad, maar toen besefte hij dat, als er een handgemeen zou ontstaan, hij het varken moest loslaten en dat de rollen dan omgekeerd werden: als iemand van Toms gezin het varken te pakken kreeg, zou de slager moeten bewijzen dat het beest zijn eigendom was. Daarom beheerste hij zich en zei: ‘Als je mij wilt beschuldigen, moet je naar de sheriff gaan.'

Tom overwoog die mogelijkheid even, maar hij had geen bewijzen. Hij zei: ‘Hoe zag die man eruit – de man van wie je mijn varken kocht?'

De slager keek sluw en zei: ‘Zoals ieder ander.'

‘Hield hij zijn mond bedekt?'

‘Nu je het zegt, dat deed hij inderdaad.'

‘Hij was een banneling, en hij hield een verminking verborgen,' zei Tom meewarig. ‘Daar heb je zelf zeker niet aan gedacht?'

‘Het regent pijpenstelen!' protesteerde de slager. ‘Iedereen beschermt zich tegen de regen.'

‘Vertel me alleen hoe lang geleden hij vertrok.'

‘Zojuist.'

‘En waar ging hij naartoe?'

‘Naar een kroeg, denk ik.'

‘Om mijn centen te verbrassen,' merkte Tom schamper op. ‘Goed, maak dat je wegkomt. Op een dag word jij zelf nog beroofd, en dan mag je hopen dat er niet zoveel mensen rondlopen die zonder vragen te stellen op een koopje uit zijn.'

De slager keek kwaad, en aarzelde even, alsof hij nog iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich en verdween.

Agnes zei: ‘Waarom liet je hem gaan?'

‘Omdat hij hier bekend is, en ik niet,' antwoordde Tom. ‘Als ik met hem op de vuist ga, dan krijg ik de schuld. En omdat mijn naam niet op de kont van dat varken staat, kan ik toch niet bewijzen dat het van mij is?'

‘Maar als ons spaargeld…'

‘Misschien krijgen we toch nog geld voor het varken,' zei Tom. ‘Houd je mond en laat me nadenken.' De twist met de slager had hem kwaad gemaakt, en het luchtte op zo bits tegen Agnes te spreken. ‘Ergens in deze stad is een man zonder lippen, maar met vijftig zilveren duiten op zak. Het enige dat we moeten doen is hem opsporen en het geld afnemen.'

‘Juist,' vond Agnes vastberaden.

‘Jij loopt terug naar de kathedraal. Ik loop verder, en dan bereik ik de kathedraal aan de andere kant. Dan lopen we door de volgende straat en zo verder. Als hij nergens op straat loopt, dan zit hij in een kroeg. Zodra je hem ziet, moet je bij hem blijven en Martha naar mij sturen. Ik ga samen met Alfred. Probeer te voorkomen dat die schavuit je ziet.'

‘Wees maar niet bang,' zei Agnes grimmig. ‘Ik wil dat geld om mijn kinderen eten te geven.'

Tom raakte haar arm aan en lachte. ‘Jij bent een leeuwin, Agnes.'

Ze keek hem even aan, ging op haar tenen staan en kuste zijn mond, kort maar stevig. Daarna keerde ze zich om en liep met Martha terug over het marktplein. Tom wachtte tot ze uit het zicht verdwenen was; hij maakte zich zorgen over haar, ondanks haar moed. Toen liep hij met Alfred in de tegenovergestelde richting.

De dief scheen te denken dat hij veilig was. Uiteraard, want toen hij het varken stal was Tom op weg naar Winchester, en de dief was in de tegenovergestelde richting verder gegaan, om het varken in Salisbury te verkopen. Maar Ellen, de bannelinge in het bos, had Tom verteld dat de kathedraal in Salisbury herbouwd werd, en daarom had hij zijn plannen gewijzigd, zodat hij onopzettelijk de dief volgde. Maar de man dacht dat hij Tom nooit meer zou zien, wat Tom de kans gaf hem onverhoeds te grijpen.

Tom liep langzaam over de modderige straat, en hij keek zo onverschillig mogelijk in de richting van openstaande deuren. Hij probeerde onopvallend te blijven, want dit alles kon met geweld eindigen, en hij wilde niet dat de mensen zich een lange metselaar konden herinneren die de stad afspeurde. De meeste woningen waren eenvoudige bouwsels van hout, leem en riet, met stro op de vloer, een vuurplaats in het midden en wat zelfgemaakte meubels. Een vat en een paar banken vormden het interieur van een kroeg, een bed in een hoek, afgeschermd door een gordijn wees op een bordeel, en een rumoerig groepje rond een enkele tafel op dobbelspel.

Een vrouw met roodgeverfde lippen ontblootte haar borsten voor Tom, maar hij schudde zijn hoofd en liep haastig verder. Hij speelde wel eens stilletjes met de gedachte het met een volslagen vreemde vrouw te doen, gewoon overdag, en er ook voor te betalen, maar hij had dat nog nooit in zijn leven gedaan.

Hij dacht weer aan Ellen, de bannelinge in het bos. Er was iets heel intrigerends aan haar. Ze was erg aantrekkelijk, maar die diepliggende, intens kijkende ogen boezemden ook ontzag in. De uitnodiging van de hoer gaf Tom even een eigenaardig gevoel, maar de indruk die Ellen op hem gemaakt had was nog niet verdwenen, en opeens kreeg hij zin terug te rennen naar het bos om haar te zoeken en zich op haar te werpen.

Hij kwam weer bij de bouwplaats van de kathedraal, zonder dat hij de bandiet ergens had gezien. Hij keek naar de loodgieters die stukken lood vastnagelden op de driehoekige balken van het schip. Ze waren nog niet begonnen met het afdekken van de schuine daken boven de zijbeuken van de kerk, zodat de halve steunbogen nog zichtbaar waren. Hij wees ernaar en zei tegen Alfred: ‘Zonder die steunberen zou de muur van het middenschip naar buiten buigen, door het gewicht van de stenen gewelven. Zie je hoe die halve bogen in lijn zijn met de versterkingen in de zijwanden? Die lijn wordt voortgezet tot boven de pilaren in de zuilengang van het middenschip. En de vensters zijn in lijn met de bogen van de zuilengang. Sterk moet in lijn zijn met sterk, en zwak met zwak.' Alfred keek zonder veel belangstelling omhoog. Tom zuchtte.

Hij zag Agnes van de andere kant naderen, en zijn aandacht keerde weer terug naar het probleem dat nu aan de orde was. Agnes' kap verborg haar gezicht, maar hij herkende haar vooruitgestoken kin en haar vastberaden stappen. Als zij de banneling tegen het lijf zou lopen, en als er dan een handgemeen ontstond, dacht hij verbeten, dan zouden ze aan elkaar gewaagd zijn.

‘Heb jij hem gezien?' vroeg ze.

‘Nee. Jij kennelijk ook niet.' Tom hoopte dat de dief nog niet vertrokken was uit de stad. De man zou zeker niet verdwijnen voordat hij wat van zijn geld had uitgegeven. In het bos kon hij immers niets doen met geld. Agnes dacht hetzelfde. ‘Hij moet hier ergens zijn. Laten we verder zoeken.'

‘We lopen terug door andere straten, en dan ontmoeten we elkaar weer op het marktplein.'

Tom en Alfred keerden terug op hun schreden over de bouwplaats en liepen door de poort. De regen drong nu door hun mantels, en Tom dacht even aan een bord warm eten bij het haardvuur in een bierhuis. Toen bedacht hij hoe hard hij gewerkt had om dat varken te kunnen kopen, en in gedachten zag hij de man zonder lippen weer zijn knuppel naar het onschuldige hoofd van Martha zwaaien. De woede verwarmde hem weer.

Het was moeilijk systematisch te zoeken, omdat er geen regelmaat in het stratenpatroon was. De straten kronkelden, afhankelijk van de plaatsen waar huizen waren gebouwd, en er waren veel scherpe bochten en doodlopende stegen. De enige rechte straat leidde van de oostpoort naar de ophaalbrug voor het kasteel. Nu liep hij telkens van de stadswallen schuin naar het centrum en weer terug. Dit stadsdeel was armoediger, en de huizen zagen er bouwvallig uit. Hier waren de kroegen nog luidruchtiger en hier lonkten de oudste hoeren. De rand van de stad lag lager op de helling dan het centrum, dus het afval van de rijkere wijken spoelde door de straten naar beneden tot bij de stadsmuur. Hetzelfde leek te gebeuren met de inwoners, want in deze buurt waren meer kreupelen en bedelaars, hongerige kinderen, afgeranselde vrouwen en dronkaards.

Maar de man zonder lippen was nergens te zien.

Twee keer zag Tom een man die ongeveer dezelfde lichaamsbouw en hetzelfde uiterlijk had, maar als Tom dichterbij kwam zag hij een ongeschonden gezicht.

Hij beëindigde zijn speurtocht op het marktplein, maar daar stond Agnes ongeduldig op hem te wachten, gespannen en met een felle blik in haar ogen. ‘Ik heb hem gevonden!' siste ze.

Tom voelde opwinding en bewondering tegelijk. ‘Waar?'

‘Hij ging een gaarkeuken bij de oostpoort binnen.'

‘Wijs me de weg.'

Ze liepen om het kasteel naar de ophaalbrug, ze volgden de rechte straat naar de oostpoort en kwamen toen in een doolhof van kleine steegjes dicht bij de stadsmuur. Tom zag de gaarkeuken even later. Het was niet eens een huis, maar een afdak op vier palen, tegen de stadsmuur aangebouwd, met achterin een laaiend vuur waarboven een schaap aan het spit werd geroosterd en een grote borrelende ketel was opgehangen. Het was nu ongeveer midden op de dag, en de kleine ruimte stond vol mensen, meest mannen. De geur van gebraden vlees deed Toms maag rammelen. Hij overzag de menigte, bezorgd dat de banneling inmiddels al weer verdwenen was. Maar hij zag hem zitten op een kruk, een beetje afgezonderd van de anderen, hutspot lepelend uit een nap en hij hield een doek voor zijn gezicht om zijn mond te bedekken.

Tom draaide zich snel om, zodat de man hem niet zou zien. Nu moest hij beslissen wat hij verder moest doen. Hij was zo kwaad dat hij de dief ter plekke kon neerslaan en zijn beurs afpakken. Maar de omstanders zouden hem niet zomaar laten gaan. Hij zou moeten uitleggen wat er gebeurd was, niet alleen aan de toeschouwers, maar ook aan de sheriff. Tom stond in zijn recht, en het feit dat de dief een banneling was, betekende dat niemand voor zijn oprechtheid hoefde te getuigen, aangezien Tom duidelijk een respectabele metselaar was. Maar dat zou allemaal veel tijd kosten, het kon zelfs weken duren als de sheriff elders in het land was, en dan bleef het risico bestaan dat hij van lokaalvredebreuk beschuldigd werd, als er een opstootje ontstond.

Nee, het leek hem verstandiger de dief zelf aan te pakken.

De man kon de nacht niet in de stad doorbrengen, want hij had hier geen huis, en hij kon nergens logies krijgen omdat hij dan moest aantonen dat hij een respectabel heerschap was. Daarom moest hij voor de stadspoorten werden gesloten weer vertrekken.

En er waren slechts twee stadspoorten.

‘Hij zal waarschijnlijk over dezelfde weg terugkeren,' zei Tom tegen Agnes.