×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

[Boek] Pilaren van de aarde (Ken Follet), Part (8)

Part (8)

In het midden van het bouwterrein, op veilige afstand van de andere gebouwen, was de smederij, en de vuurgloed was te zien achter de openstaande deur. Het geluid van hamerslagen op een aambeeld weergalmde terwijl de smid bezig was nieuwe gereedschappen te maken voor de metselaars. Voor de meeste mensen leek het geheel chaotisch, maar Tom zag een groot en ingewikkeld mechanisme, en zijn handen jeukten om hier de leiding op zich te nemen. Hij wist wat elke man deed, en hij kon meteen zien hoe ver een bepaald onderdeel van het werk gevorderd was. Er werd gebouwd aan de oostelijke gevel.

Er was een steiger gebouwd aan de oostzijde, ongeveer tien meter hoog. De metselaars stonden in het portaal te wachten tot de regen minder hevig werd, maar de sjouwers haastten zich omhoog en omlaag langs de ladders, met stenen op hun schouders. Nog hoger, in het houten skelet van het gebouw, waren de loodgieters als spinnen in een groot houten web bezig de stukken lood op de steunbalken te nagelen en ze bevestigden regenpijpen en afvoergoten.

Tom besefte spijtig dat het gebouw al bijna voltooid was. Als hij hier aangeworven zou worden, dan kon het werk niet langer dan een paar jaar duren – nauwelijks lang genoeg om de positie van meestermetselaar te bereiken, laat staan die van bouwmeester. Maar toch zou hij hier aan de slag gaan, als hem werk werd aangeboden, want de winter was in aantocht. Hij en zijn gezin zouden een winter zonder werk overleefd hebben, als het varken niet gestolen was. Maar zonder varken moest Tom wel een karwei vinden.

Ze volgden de ossenwagen over het omheinde bouwterrein tot de plek waar de voorraad stenen opgestapeld lag. De ossen bogen hun koppen dankbaar boven een drinktrog. De voerman riep naar een passerende metselaar: ‘Waar is de bouwmeester?'

‘In het kasteel,' antwoordde de metselaar.

De voerman knikte en keerde zich naar Tom. ‘Je zult hem in het paleis van de bisschop vinden, denk ik.'

‘Bedankt.'

‘Jij ook bedankt.'

Tom verliet de bouwplaats en Agnes volgde met de kinderen. Ze keerden op hun schreden terug door de drukke smalle straten naar de voorzijde van het kasteel. Hier was een tweede droge gracht, en ook hier omringde een zware aarden verdedigingswal het versterkte middengedeelte. Ze liepen over de ophaalbrug. In een wachthuis naast de poort zat een gedrongen man in een leren tuniek op een kruk, kijkend naar de regen. Hij droeg een zwaard. Tom sprak hem aan: ‘Goedendag. Ik word Tom Builder genoemd. Ik wil John van Shaftesbury, de bouwmeester, spreken.'

‘Die is bij de bisschop,' zei de wachter onverschillig.

Ze liepen naar binnen. Zoals de meeste kastelen was dit ook een verzameling gebouwen binnen een aarden wal. De binnenplaats had een doorsnee van ongeveer honderd meter. Tegenover de poort, aan de andere kant, was de massieve vestingtoren, het laatste toevluchtsoord in tijden van belegering, die hoog oprees boven de vestingwerken en een weids uitzicht bood. Aan de linkerkant stonden wat lage gebouwtjes, de meeste uit hout opgetrokken: een lange stal, een keuken, een bakkerij en enkele magazijnen. In het midden was een put en rechts, op het grootste deel van de noordelijke helft van de binnenplaats, verrees een groot stenen gebouw dat kennelijk het paleis was. Het was gebouwd in dezelfde stijl als de nieuwe kathedraal, met smalle, van boven afgeronde deurposten en kozijnen, en het telde twee verdiepingen. Het was inderdaad nieuw – de metselaars varen nog bezig bij een hoek, en kennelijk werd daar een toren aangebouwd. Ondanks de regen waren er veel mensen op de binnenplaats, ze liepen af en aan en haastten zich van het ene gebouw naar het andere: soldaten, priesters, kooplieden, bouwers en paleisbedienden. Tom zag verscheidene toegangsdeuren tot het paleis, die allemaal openstonden, ondanks de regen. Hij wist niet goed wat hij nu moest doen. Als de bouwmeester bij de bisschop was, dan kon hij misschien maar beter niet storen. Maar aan de andere kant, een bisschop is geen koning, en Tom was een vrij man, een metselaar met een keurig doel, en geen kruiperige lijfeigene met een klacht. Hij besloot doortastend te zijn. Agnes en Martha bleven achter toen Tom en Alfred over de modderige binnenplaats door de dichtstbijzijnde deur het paleis binnenstapten.

Ze kwamen in een kleine kapel, met een gewelfde zoldering, en een raam boven het altaar. Bij de ingang zat een priester aan een hoge tafel een vel perkament te beschrijven. De priester keek op.

‘Waar is Meester John?' vroeg Tom kordaat.

‘In de consistorie,' zei de priester en hij maakte een hoofdbeweging naar een deur in de zijmuur.

Tom vroeg de meester niet te spreken. Het leek hem beter te doen alsof hij verwacht werd, zodat hij minder tijd met wachten hoefde door te brengen. Hij liep met enkele passen door de kleine kapel en stapte de consistorie binnen.

De consistorie was een kleine vierkante kamer die door veel kaarsen verlicht werd. In het midden van de vloer lag gladgestreken zand. Er waren twee mannen in de ruimte. Beiden keken even op naar Tom, maar daarna richtten ze hun aandacht weer op het zand. De bisschop, een gerimpelde oude man met felle ogen, tekende met een stok in het zand. De bouwmeester, met een leren voorschoot, keek geduldig en tegelijk sceptisch toe.

Tom wachtte in de gespannen stilte. Hij moest een goede indruk maken: hoffelijk, maar niet kruiperig, en hij moest zijn kunde laten blijken zonder eigenwijs te zijn. Een opzichter wil dat zijn ondergeschikten niet alleen bekwaam, maar ook gehoorzaam zijn, wist Tom uit eigen ervaring als werkgever.

Bisschop Roger schetste een gebouw van twee verdiepingen, met grote vensters aan drie zijden. Hij tekende goed, met rechte lijnen en haakse hoeken. De bisschop tekende een plattegrond en een zijaanzicht van het gebouw. Tom zag meteen dat het nooit zo uitgevoerd zou worden.

De bisschop was klaar en zei: ‘Ziedaar.'

John wendde zich naar Tom en vroeg: ‘Wat is er?'

Tom deed alsof zijn mening over de schets werd gevraagd. ‘Zulke grote ramen zijn onmogelijk op de benedenverdieping.'

De bisschop keek hem geërgerd aan. ‘Het is een schrijfzaal, geen benedenverdieping.'

‘Dat maakt geen verschil.' John zei: ‘Hij heeft gelijk.'

‘Maar er moet licht binnenvallen om te kunnen schrijven.'

John haalde zijn schouders op en keek Tom aan. ‘Wie ben jij?'

‘Mijn naam is Tom en ik ben metselaar.'

‘Dat dacht ik al. Wat brengt je hier?'

‘Ik ben op zoek naar werk.' Tom hield zijn adem in.

John schudde meteen zijn hoofd. ‘Ik kan je niet in dienst nemen.'

Tom voelde zijn hart in zijn schoenen zakken. Hij wilde zich met een ruk omdraaien, maar wachtte beleefd om de redenen aan te horen.

‘We zijn hier nu tien jaar aan het bouwen,' vervolgde John. ‘De meeste metselaars hebben een huis in de stad. We zijn bezig met de voltooiing en ik heb nu al meer metselaars dan ik eigenlijk nodig heb.'

Tom begreep dat het hopeloos was, maar hij zei: ‘En het paleis?'

‘Precies hetzelfde,' zei John. ‘Daar heb ik het overschot aan mannen al aan het werk gezet. Ik zou al enkele metselaars moeten ontslaan.'

Tom knikte. Met vaste stem, om niet wanhopig te klinken, zei hij: ‘Weet je of ergens anders werk te vinden is?'

‘Er werd eerder dit jaar gebouwd aan het klooster van Shaftesbury. Misschien zijn ze daar nog bezig. Dat is een dagreis lopen van hier.'

‘Bedankt.'

Tom keerde zich om en wilde gaan.

‘Het spijt me,' riep John hem na. ‘Je lijkt me een goede kracht.'

Tom liep zonder iets te zeggen naar buiten. Hij voelde zich miskend. Hij had te vroeg hoop gekoesterd, want het was helemaal niet ongewoon om afgewezen te worden. Maar hij had zich ook verheugd op het vooruitzicht weer aan een kathedraal te werken. Nu zou hij misschien eentonig werk vinden aan het herstellen van een stadsmuur, of een lelijk huis moeten bouwen voor een zilversmid.

Hij trok zijn schouders recht toen hij terugliep over de binnenplaats van het kasteel, waar Agnes en Martha stonden te wachten. Hij liet zijn teleurstelling nooit blijken aan haar. Hij probeerde altijd de indruk te wekken dat hij de situatie beheerste, en dat het weinig verschil maakte dat er hier geen werk voor hem was, omdat hij er zeker van was dat hij iets zou vinden in een andere stad. Hij wist dat Agnes hem dringend zou vragen een plek te zoeken waar ze konden blijven, als hij liet merken dat hij moedeloos was, en dat wilde hij alleen in een stad waar een kathedraal werd gebouwd.

‘Hier is geen werk voor me,' zei hij tegen Agnes. ‘Laten we verder gaan.'

Ze keek hem verbijsterd aan. ‘Je zou toch denken dat er bij de bouw van een kathedraal én een paleis nog wel plaats is voor een ervaren metselaar.'

‘Beide gebouwen zijn al bijna gereed,' legde Tom uit. ‘Ze hebben nu al te veel mensen.'

Het gezin liep over de ophaalbrug en belandde weer in de drukke straten van de stad. Ze waren Salisbury door de oostpoort binnen gekomen, en ze zouden de stad weer verlaten door de westpoort, want daar begon de weg naar Shaftesbury. Tom sloeg rechtsaf en leidde de anderen door een gedeelte van de stad dat ze nog niet gezien hadden. Hij bleef staan voor een stenen huis dat dringend gerepareerd moest worden. De mortel die gebruikt was tijdens de bouw bleek te droog en verkruimelde nu, zodat er hele stukken verdwenen waren. Als dit zo nog een winter bleef, zou de schade nog veel groter zijn. Tom besloot dat hij de eigenaar van het huis daarvoor moest waarschuwen. De ingang beneden werd gevormd door een brede poort. De houten voordeur stond open en in de deuropening zat een ambachtsman met een hamer in zijn rechterhand en een priem in de andere hand. Hij was bezig een ingewikkeld patroon aan te brengen op een houten zadel dat op een schraag voor hem stond. Op de achtergrond zag Tom voorraden hout en leer, en een jongen die met een bezem het schaafsel bijeen veegde.

Tom zei: ‘Goedendag, meester zadelmaker.'

De zadelmaker keek op, hij schatte dat Tom iemand was die zijn eigen zadel wel kon maken als hij er een nodig had en knikte kort.

‘Ik ben bouwer,' vervolgde Tom, ‘en ik zie dat je mijn diensten kunt gebruiken.'

‘Waarom?'

‘De mortel verkruimelt, de stenen raken los en je huis zal nog een winter niet doorstaan.'

De zadelmaker schudde zijn hoofd. ‘Er zijn zoveel metselaars in deze stad. Waarom zou ik een vreemdeling nodig hebben?'

‘Ook goed.' Tom keerde zich om. ‘God zij met je.'

‘Dat mag ik hopen,' bromde de zadelmaker.

‘Wat een ongemanierde kerel,' mopperde Agnes toen ze weer verder liepen.

De straat leidde naar een marktplein. Daar, op het modderige terrein, ruilden de boeren uit de omgeving wat ze over hadden aan vlees, graan, melk en eieren, tegen dingen die ze nodig hadden en zelf niet konden maken – potten, ploegscharen, touwen en zout. Markten waren meestal kleurrijk en nogal rumoerig. Er werd afgedongen, er heerste rivaliteit tussen naburige kraamhouders, er waren goedkope koekjes voor de kinderen, soms speelde een minstreel of vertoonde een groep acrobaten zijn kunsten, er waren veel opgeschilderde hoeren en af en toe een kreupele soldaat met verhalen over Oosterse woestijnen en uitzinnige Saraceense horden. Wie goed verkocht had, bezweek dikwijls voor de verleiding dat te vieren, en dan werd de winst aan bier besteed, zodat er altijd een ruwe sfeer heerste tegen de middag.

Anderen verloren hun duiten bij het dobbelen, en dat leidde weer tot ruzie. Maar nu, op een regenachtige ochtend, nu de oogst verkocht of opgeslagen was, heerste er rust op de markt. Doorweekte boeren onderhandelden zwijgend met kooplieden, en iedereen verheugde zich erop naar huis te gaan, naar een warm haardvuur.

Tom en zijn gezin werkten zich door de troosteloze menigte heen, ze negeerden de halfhartige vleierijen van een worstventer en een messenslijper. Ze waren bijna aan de andere kant van de markt gekomen, toen Tom opeens zijn varken zag.

Hij was zo verrast dat hij zijn ogen eerst niet kon geloven. Toen siste Agnes: ‘Tom! Kijk eens!' En hij begreep dat zij het beest ook had gezien.


Part (8)

In het midden van het bouwterrein, op veilige afstand van de andere gebouwen, was de smederij, en de vuurgloed was te zien achter de openstaande deur. In the center of the building site, a safe distance from the other buildings, was the blacksmith shop, and the blaze of fire was visible behind the open door. Het geluid van hamerslagen op een aambeeld weergalmde terwijl de smid bezig was nieuwe gereedschappen te maken voor de metselaars. Voor de meeste mensen leek het geheel chaotisch, maar Tom zag een groot en ingewikkeld mechanisme, en zijn handen jeukten om hier de leiding op zich te nemen. Hij wist wat elke man deed, en hij kon meteen zien hoe ver een bepaald onderdeel van het werk gevorderd was. Er werd gebouwd aan de oostelijke gevel.

Er was een steiger gebouwd aan de oostzijde, ongeveer tien meter hoog. De metselaars stonden in het portaal te wachten tot de regen minder hevig werd, maar de sjouwers haastten zich omhoog en omlaag langs de ladders, met stenen op hun schouders. Nog hoger, in het houten skelet van het gebouw, waren de loodgieters als spinnen in een groot houten web bezig de stukken lood op de steunbalken te nagelen en ze bevestigden regenpijpen en afvoergoten.

Tom besefte spijtig dat het gebouw al bijna voltooid was. Als hij hier aangeworven zou worden, dan kon het werk niet langer dan een paar jaar duren – nauwelijks lang genoeg om de positie van meestermetselaar te bereiken, laat staan die van bouwmeester. Maar toch zou hij hier aan de slag gaan, als hem werk werd aangeboden, want de winter was in aantocht. Hij en zijn gezin zouden een winter zonder werk overleefd hebben, als het varken niet gestolen was. Maar zonder varken moest Tom wel een karwei vinden.

Ze volgden de ossenwagen over het omheinde bouwterrein tot de plek waar de voorraad stenen opgestapeld lag. De ossen bogen hun koppen dankbaar boven een drinktrog. De voerman riep naar een passerende metselaar: ‘Waar is de bouwmeester?'

‘In het kasteel,' antwoordde de metselaar.

De voerman knikte en keerde zich naar Tom. ‘Je zult hem in het paleis van de bisschop vinden, denk ik.'

‘Bedankt.'

‘Jij ook bedankt.'

Tom verliet de bouwplaats en Agnes volgde met de kinderen. Ze keerden op hun schreden terug door de drukke smalle straten naar de voorzijde van het kasteel. Hier was een tweede droge gracht, en ook hier omringde een zware aarden verdedigingswal het versterkte middengedeelte. Ze liepen over de ophaalbrug. In een wachthuis naast de poort zat een gedrongen man in een leren tuniek op een kruk, kijkend naar de regen. Hij droeg een zwaard. Tom sprak hem aan: ‘Goedendag. Ik word Tom Builder genoemd. Ik wil John van Shaftesbury, de bouwmeester, spreken.'

‘Die is bij de bisschop,' zei de wachter onverschillig.

Ze liepen naar binnen. Zoals de meeste kastelen was dit ook een verzameling gebouwen binnen een aarden wal. De binnenplaats had een doorsnee van ongeveer honderd meter. Tegenover de poort, aan de andere kant, was de massieve vestingtoren, het laatste toevluchtsoord in tijden van belegering, die hoog oprees boven de vestingwerken en een weids uitzicht bood. Aan de linkerkant stonden wat lage gebouwtjes, de meeste uit hout opgetrokken: een lange stal, een keuken, een bakkerij en enkele magazijnen. In het midden was een put en rechts, op het grootste deel van de noordelijke helft van de binnenplaats, verrees een groot stenen gebouw dat kennelijk het paleis was. Het was gebouwd in dezelfde stijl als de nieuwe kathedraal, met smalle, van boven afgeronde deurposten en kozijnen, en het telde twee verdiepingen. Het was inderdaad nieuw – de metselaars varen nog bezig bij een hoek, en kennelijk werd daar een toren aangebouwd. Ondanks de regen waren er veel mensen op de binnenplaats, ze liepen af en aan en haastten zich van het ene gebouw naar het andere: soldaten, priesters, kooplieden, bouwers en paleisbedienden. Tom zag verscheidene toegangsdeuren tot het paleis, die allemaal openstonden, ondanks de regen. Hij wist niet goed wat hij nu moest doen. Als de bouwmeester bij de bisschop was, dan kon hij misschien maar beter niet storen. Maar aan de andere kant, een bisschop is geen koning, en Tom was een vrij man, een metselaar met een keurig doel, en geen kruiperige lijfeigene met een klacht. Hij besloot doortastend te zijn. Agnes en Martha bleven achter toen Tom en Alfred over de modderige binnenplaats door de dichtstbijzijnde deur het paleis binnenstapten.

Ze kwamen in een kleine kapel, met een gewelfde zoldering, en een raam boven het altaar. Bij de ingang zat een priester aan een hoge tafel een vel perkament te beschrijven. De priester keek op.

‘Waar is Meester John?' vroeg Tom kordaat.

‘In de consistorie,' zei de priester en hij maakte een hoofdbeweging naar een deur in de zijmuur.

Tom vroeg de meester niet te spreken. Het leek hem beter te doen alsof hij verwacht werd, zodat hij minder tijd met wachten hoefde door te brengen. Hij liep met enkele passen door de kleine kapel en stapte de consistorie binnen.

De consistorie was een kleine vierkante kamer die door veel kaarsen verlicht werd. In het midden van de vloer lag gladgestreken zand. Er waren twee mannen in de ruimte. Beiden keken even op naar Tom, maar daarna richtten ze hun aandacht weer op het zand. De bisschop, een gerimpelde oude man met felle ogen, tekende met een stok in het zand. De bouwmeester, met een leren voorschoot, keek geduldig en tegelijk sceptisch toe.

Tom wachtte in de gespannen stilte. Hij moest een goede indruk maken: hoffelijk, maar niet kruiperig, en hij moest zijn kunde laten blijken zonder eigenwijs te zijn. Een opzichter wil dat zijn ondergeschikten niet alleen bekwaam, maar ook gehoorzaam zijn, wist Tom uit eigen ervaring als werkgever.

Bisschop Roger schetste een gebouw van twee verdiepingen, met grote vensters aan drie zijden. Hij tekende goed, met rechte lijnen en haakse hoeken. De bisschop tekende een plattegrond en een zijaanzicht van het gebouw. Tom zag meteen dat het nooit zo uitgevoerd zou worden.

De bisschop was klaar en zei: ‘Ziedaar.'

John wendde zich naar Tom en vroeg: ‘Wat is er?'

Tom deed alsof zijn mening over de schets werd gevraagd. ‘Zulke grote ramen zijn onmogelijk op de benedenverdieping.'

De bisschop keek hem geërgerd aan. ‘Het is een schrijfzaal, geen benedenverdieping.'

‘Dat maakt geen verschil.' John zei: ‘Hij heeft gelijk.'

‘Maar er moet licht binnenvallen om te kunnen schrijven.'

John haalde zijn schouders op en keek Tom aan. ‘Wie ben jij?'

‘Mijn naam is Tom en ik ben metselaar.'

‘Dat dacht ik al. Wat brengt je hier?'

‘Ik ben op zoek naar werk.' Tom hield zijn adem in.

John schudde meteen zijn hoofd. ‘Ik kan je niet in dienst nemen.'

Tom voelde zijn hart in zijn schoenen zakken. Hij wilde zich met een ruk omdraaien, maar wachtte beleefd om de redenen aan te horen.

‘We zijn hier nu tien jaar aan het bouwen,' vervolgde John. ‘De meeste metselaars hebben een huis in de stad. We zijn bezig met de voltooiing en ik heb nu al meer metselaars dan ik eigenlijk nodig heb.'

Tom begreep dat het hopeloos was, maar hij zei: ‘En het paleis?'

‘Precies hetzelfde,' zei John. ‘Daar heb ik het overschot aan mannen al aan het werk gezet. Ik zou al enkele metselaars moeten ontslaan.'

Tom knikte. Met vaste stem, om niet wanhopig te klinken, zei hij: ‘Weet je of ergens anders werk te vinden is?'

‘Er werd eerder dit jaar gebouwd aan het klooster van Shaftesbury. Misschien zijn ze daar nog bezig. Dat is een dagreis lopen van hier.'

‘Bedankt.'

Tom keerde zich om en wilde gaan.

‘Het spijt me,' riep John hem na. ‘Je lijkt me een goede kracht.'

Tom liep zonder iets te zeggen naar buiten. Hij voelde zich miskend. Hij had te vroeg hoop gekoesterd, want het was helemaal niet ongewoon om afgewezen te worden. Maar hij had zich ook verheugd op het vooruitzicht weer aan een kathedraal te werken. Nu zou hij misschien eentonig werk vinden aan het herstellen van een stadsmuur, of een lelijk huis moeten bouwen voor een zilversmid.

Hij trok zijn schouders recht toen hij terugliep over de binnenplaats van het kasteel, waar Agnes en Martha stonden te wachten. Hij liet zijn teleurstelling nooit blijken aan haar. Hij probeerde altijd de indruk te wekken dat hij de situatie beheerste, en dat het weinig verschil maakte dat er hier geen werk voor hem was, omdat hij er zeker van was dat hij iets zou vinden in een andere stad. Hij wist dat Agnes hem dringend zou vragen een plek te zoeken waar ze konden blijven, als hij liet merken dat hij moedeloos was, en dat wilde hij alleen in een stad waar een kathedraal werd gebouwd.

‘Hier is geen werk voor me,' zei hij tegen Agnes. ‘Laten we verder gaan.'

Ze keek hem verbijsterd aan. ‘Je zou toch denken dat er bij de bouw van een kathedraal én een paleis nog wel plaats is voor een ervaren metselaar.'

‘Beide gebouwen zijn al bijna gereed,' legde Tom uit. ‘Ze hebben nu al te veel mensen.'

Het gezin liep over de ophaalbrug en belandde weer in de drukke straten van de stad. Ze waren Salisbury door de oostpoort binnen gekomen, en ze zouden de stad weer verlaten door de westpoort, want daar begon de weg naar Shaftesbury. Tom sloeg rechtsaf en leidde de anderen door een gedeelte van de stad dat ze nog niet gezien hadden. Hij bleef staan voor een stenen huis dat dringend gerepareerd moest worden. De mortel die gebruikt was tijdens de bouw bleek te droog en verkruimelde nu, zodat er hele stukken verdwenen waren. Als dit zo nog een winter bleef, zou de schade nog veel groter zijn. Tom besloot dat hij de eigenaar van het huis daarvoor moest waarschuwen. De ingang beneden werd gevormd door een brede poort. De houten voordeur stond open en in de deuropening zat een ambachtsman met een hamer in zijn rechterhand en een priem in de andere hand. Hij was bezig een ingewikkeld patroon aan te brengen op een houten zadel dat op een schraag voor hem stond. Op de achtergrond zag Tom voorraden hout en leer, en een jongen die met een bezem het schaafsel bijeen veegde.

Tom zei: ‘Goedendag, meester zadelmaker.'

De zadelmaker keek op, hij schatte dat Tom iemand was die zijn eigen zadel wel kon maken als hij er een nodig had en knikte kort.

‘Ik ben bouwer,' vervolgde Tom, ‘en ik zie dat je mijn diensten kunt gebruiken.'

‘Waarom?'

‘De mortel verkruimelt, de stenen raken los en je huis zal nog een winter niet doorstaan.'

De zadelmaker schudde zijn hoofd. ‘Er zijn zoveel metselaars in deze stad. Waarom zou ik een vreemdeling nodig hebben?'

‘Ook goed.' Tom keerde zich om. ‘God zij met je.'

‘Dat mag ik hopen,' bromde de zadelmaker.

‘Wat een ongemanierde kerel,' mopperde Agnes toen ze weer verder liepen.

De straat leidde naar een marktplein. Daar, op het modderige terrein, ruilden de boeren uit de omgeving wat ze over hadden aan vlees, graan, melk en eieren, tegen dingen die ze nodig hadden en zelf niet konden maken – potten, ploegscharen, touwen en zout. Markten waren meestal kleurrijk en nogal rumoerig. Er werd afgedongen, er heerste rivaliteit tussen naburige kraamhouders, er waren goedkope koekjes voor de kinderen, soms speelde een minstreel of vertoonde een groep acrobaten zijn kunsten, er waren veel opgeschilderde hoeren en af en toe een kreupele soldaat met verhalen over Oosterse woestijnen en uitzinnige Saraceense horden. Wie goed verkocht had, bezweek dikwijls voor de verleiding dat te vieren, en dan werd de winst aan bier besteed, zodat er altijd een ruwe sfeer heerste tegen de middag.

Anderen verloren hun duiten bij het dobbelen, en dat leidde weer tot ruzie. Maar nu, op een regenachtige ochtend, nu de oogst verkocht of opgeslagen was, heerste er rust op de markt. Doorweekte boeren onderhandelden zwijgend met kooplieden, en iedereen verheugde zich erop naar huis te gaan, naar een warm haardvuur.

Tom en zijn gezin werkten zich door de troosteloze menigte heen, ze negeerden de halfhartige vleierijen van een worstventer en een messenslijper. Ze waren bijna aan de andere kant van de markt gekomen, toen Tom opeens zijn varken zag.

Hij was zo verrast dat hij zijn ogen eerst niet kon geloven. Toen siste Agnes: ‘Tom! Kijk eens!' En hij begreep dat zij het beest ook had gezien.