×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

[Boek] Pilaren van de aarde (Ken Follet), Part (7)

Part (7)

Ze had haar kind zo veel mogelijk gegeven, en toch was het niet genoeg. Maar hij wist ook geen oplossing voor haar problemen. Aantrekkelijk, vindingrijk en kordaat als ze was, leek ze er toch toe veroordeeld de rest van haar leven samen met haar bizarre zoon door te brengen in het bos.

Agnes, Martha en Alfred kwamen terug. Tom keek gespannen naar Martha, maar ze zag eruit alsof haar gezicht schoonschrobben het ergste was wat haar ooit overkomen was. Enige tijd was alle aandacht van Tom gericht op de problemen van Ellen, maar nu moest hij weer aan zijn eigen plichten denken: hij was op zoek naar werk en zijn varken was gestolen. De middag was al bijna verstreken. Hij begon de bezittingen die ze nog over hadden te verzamelen.

Ellen vroeg: ‘Waar gaan jullie naar toe?'

‘Naar Winchester,' antwoordde Tom. In Winchester waren een kasteel, een paleis en verscheidene kloosters, en – nog belangrijker – een kathedraal.

‘Maar Salisbury is dichterbij,' zei Ellen. ‘En de laatste keer dat ik in de stad was, werd er gewerkt aan de kathedraal – die werd groter gemaakt.'

Tom voelde zijn hart opspringen. Dat was precies waar hij naar zocht. Als hij er maar in slaagde werk te krijgen op de bouwplaats, dan was hij ervan overtuigd dat hij de kwaliteiten had om uiteindelijk bouwmeester te worden. ‘In welke richting ligt Salisbury?' vroeg hij begerig.

‘Keer terug langs de weg die jullie hierheen volgden, zo'n drie of vier mijlen. Herinner je je een tweesprong in de weg, waar jullie linksaf sloegen?'

‘Ja, bij een poel met modderig water.'

‘Juist. De weg naar rechts leidt naar Salisbury.'

Ze namen afscheid van elkaar. Agnes mocht Ellen niet, maar ze dwong zichzelf toch vriendelijk te zeggen: ‘Bedankt dat je Martha geholpen hebt.'

Ellen glimlachte en ze keek hen weemoedig na.

Toen ze enkele minuten over de weg hadden gelopen keek Tom achterom. Ellen keek hen nog steeds na, ze stond wijdbeens midden op de weg en beschermde haar ogen met haar hand, terwijl haar eigenaardige zoon naast haar stond. Tom wuifde en ze zwaaide terug.

‘Een interessante vrouw,' zei hij tegen Agnes.

Agnes zei niets.

Alfred zei: ‘Die jongen deed zo ráár.'

Ze liepen in de richting van de laagstaande herfstzon. Tom vroeg zich af hoe Salisbury zou zijn: hij was daar nog nooit geweest. Hij voelde zich opgewonden. Uiteraard was het zijn droom een kathedraal van de grond af op te bouwen, maar een dergelijk werk werd maar zelden ondernomen. Het kwam veel vaker voor dat een ouder gebouw verbeterd of vergroot werd, of gedeeltelijk werd herbouwd. Maar dat zou goed genoeg zijn voor hem, zolang er maar een kans bleef bestaan dat hij in de toekomst zijn eigen ontwerpen kon verwezenlijken.

Martha zei: ‘Waarom sloeg die man mij?'

‘Omdat hij ons varken wilde stelen,' legde Agnes uit.

‘Hij moet zelf voor zijn eigen varken zorgen,' zei Martha verontwaardigd, alsof ze nu pas besefte dat de bandiet iets verkeerds had gedaan. Het probleem van Ellen kon opgelost worden als ze een ambacht beheerste, peinsde Tom. Een metselaar, een timmerman, een wever of een looier zou zich nooit in haar situatie bevinden. Een ambachtsman kon altijd naar de stad trekken, op zoek naar werk. Er waren maar weinig vrouwen met een ambacht, en meestal waren dat de vrouwen of de weduwen van vaklieden. ‘Wat ze nodig heeft,' zei Tom hardop, ‘is een echtgenoot.'

Agnes zei bits: ‘Nou, maar de mijne krijgt ze niet.'

3 De dag dat ze het varken kwijtraakten was ook de laatste dag met zacht weer. Ze brachten die nacht door in een schuur, en toen ze de volgende ochtend weer naar buiten kwamen had de hemel de kleur van een loden dak, en er stond een kille wind met regenvlagen. Ze rolden hun mantels van dikke stof uit en trokken die aan, stevig dichtgebonden onder de kin en ze trokken hun kappen ver naar voren om het gezicht tegen de regen te beschermen. Ze gingen in een sombere stemming op weg, vier schimmige gestalten in de regen, hun houten klompen deden het water van de modderige poelen opspatten.

Tom vroeg zich af hoe de kathedraal van Salisbury eruit zou zien. Een kathedraal was in wezen een kerkgebouw als ieder ander: alleen was het de kerk waar de bisschop zijn zetel had. Maar kathedralen waren altijd de grootste, de rijkste en meest versierde kerken. Een kathedraal was zelden een eenvoudige zuilengang met ramen. De meeste bestonden uit drie gangen, een hoge middenbeuk geflankeerd door twee kleinere zijbeuken, in de vorm van een hoofd en schouders. De zijmuren van de middenbeuk bestonden uit twee rijen pilaren, met elkaar verbonden door bogen, zodat een galerij ontstond. De zijbeuken werden gebruikt voor processies – die heel indrukwekkend konden zijn in kathedrale kerken – en boden ook plaats aan kleine zijkapellen die aan bepaalde heiligen waren gewijd, wat een bron van extra donaties vormde. Kathedralen waren zeker de kostbaarste gebouwen op de wereld, veel duurder dan paleizen of kastelen, en er moesten inkomsten zijn om ze in stand te houden.

Salisbury was dichterbij dan Tom verwacht had. Halverwege de ochtend liepen ze op een heuveltop, en daarachter daalde de weg glooiend voor hen in een lange bocht, en achter de verregende akkers zagen ze de versterkte stad op de heuvel oprijzen boven de velden, als een schip op een meer. De details werden versluierd door de regen, maar toch kon Tom enkele torens onderscheiden, vier of vijf, hoog oprijzend boven de stadsmuren. Zijn hart sprong op bij de aanblik van zoveel metselwerk.

Een ijzige wind geselde de vlakte en hun gezichten en handen leken te bevriezen toen ze de weg naar de oostelijke stadspoort volgden. Vier wegen kwamen aan de voet van de heuvel bij elkaar, te midden van verspreid gebouwde huizen buiten de muren, en andere reizigers voegden zich bij hen, lopend met gebogen hoofd en opgetrokken schouders, optornend tegen de gure wind naar de beschutting van de stadsmuren.

Op de helling naar de poort haalden ze een ossenwagen met een lading stenen in – een hoopvol teken voor Tom. De voerman duwde met zijn schouder tegen de achterkant van het ruwe houten gevaarte, zodat hij de twee ossen hielp die traag omhoog sjokten. Tom zag een kans hier een vriend te maken. Hij wenkte Alfred, en beiden zetten ze hun schouders tegen de achterkant van de kar om te helpen duwen.

De hoge houten wielen ratelden over een brug van balken die een brede droge gracht overspande. De verdedigingswerken waren indrukwekkend: aan het graven van deze gracht en het opwerpen van de aarde tot stadswallen moesten honderden mannen gewerkt hebben, dacht Tom. Dit was een veel omvangrijker karwei geweest dan graven voor de fundamenten van een kathedraal. De brug over de vestinggracht kreunde en kraakte onder het gewicht van de ossenwagen en de twee zware trekdieren.

De helling vlakte af en de kar reed gemakkelijker naar de stadspoort. De voerman richtte zich op, en Tom en Alfred volgden zijn voorbeeld. ‘Ik dank jullie hartelijk,' zei de voerman.

Tom vroeg: ‘Waar zijn deze stenen voor?'

‘Voor de nieuwe kathedraal.'

‘Nieuw? Ik hoorde dat de oude kerk vergroot werd?'

De voerman knikte. ‘Dat zeiden ze ook, tien jaar geleden. Maar nu is er meer nieuw dan oud.'

Dat was nog meer goed nieuws. ‘Wie is de bouwmeester?'

‘John van Shaftesbury, maar bisschop Roger heeft veel te maken met het ontwerp.'

Dat was gebruikelijk. Bisschoppen lieten de bouwers zelden hun gang gaan. Een van de problemen voor een bouwmeester was het kalmeren en inperken van de verhitte fantasie van de geestelijken. Maar John van Shaftesbury was dus de man die werkers inhuurde.

De voerman knikte naar Toms gereedschap. ‘Metselaar?'

‘Ja. En ik zoek werk.'

‘Dat zul je hier wel vinden,' zei de voerman neutraal. ‘Als het niet bij de kathedraal is, dan misschien bij het kasteel.'

‘En wie is de kasteelheer?'

‘Roger is hier zowel bisschop als kasteelheer.'

Uiteraard, dacht Tom. Hij had weleens gehoord van de machtige Roger van Salisbury, die al zolang iedereen zich herinnerde goed bevriend was met de koning.

Ze liepen door de poort de stad in. Het was binnen de muren zo vol met huizen, mensen en dieren, dat het wel leek of de stad elk ogenblik uit zijn cirkelvormige vestingwallen kon barsten, zodat de gracht vol zou stromen. De houten huizen stonden dicht tegen elkaar, als toeschouwers die schouder aan schouder naar een executie komen kijken. De kleinste stukjes grond werden ergens voor gebruikt. Als ergens twee woningen waren opgetrokken met een steeg ertussen, dan had iemand er later een smal huis tussen gebouwd, zonder ramen, omdat de deur het grootste deel van de voorgevel al in beslag nam. En als er zelfs voor een heel smal huis geen plaats was, dan stond er wel een kraam waar bier, brood of appelen werden verkocht, en als ook daarvoor de ruimte ontbrak dan stond er wel een varkenskot, lag er een hoop mest of er stond een regenton.

Het was ook erg rumoerig. De regen dempte amper de kreten van de ambachtslieden in hun werkplaatsen, de roep van venters die hun koopwaar aanprezen, de stemmen van mensen die elkaar begroetten, met elkaar onderhandelden of ruzieden.

Martha probeerde boven het lawaai uit te komen: ‘Wat is dat voor stank?'

Tom lachte. Ze was al een paar jaar niet meer in een stad geweest. ‘Dat is de lucht van mensen,' zei hij tegen haar.

De straat was amper breder dan de ossenwagen, maar de voerman liet zijn trekdieren niet stilhouden, uit angst dat ze misschien niet meer in beweging wilden komen en hij gebruikte de zweep, alle obstakels negerend, en zo baanden ze zich een weg door de menigte, zonder onderscheid te maken tussen een ridder op zijn strijdros, een houtvester met een boog, een dikke monnik op een pony, krijgsvolk, bedelaars, huisvrouwen en hoeren.

De ossenwagen reed achter een oude herder die met moeite zijn kleine kudde bijeen hield. Het moest marktdag zijn, begreep Tom. Terwijl de ossenwagen verder sukkelde, liep een van de schapen een kroeg binnen, en een ogenblik later was de hele kudde door de deur verdwenen, blatend en geweldig veel consternatie veroorzakend door stoelen, tafels en potten bier omver te werpen.

De grond was een zee van modder en afval. Tom wist hoeveel regen op een dak valt, en hij wist ook hoe breed een goot moest zijn om het water af te voeren, en het viel hem op dat al het regenwater dat op deze stad viel uiteindelijk langs deze straat wegvloeide. Als het echt stortregende, dacht hij, dan heb je een boot nodig om hier de straat over te steken.

Toen ze het kasteel naderden op de top van de heuvel, werd de straat breder. Hier stonden stenen huizen, en bij enkele ervan waren reparaties noodzakelijk. De huizen waren eigendom van ambachtslieden en kooplui, die hun werkplaatsen en magazijnen op de begane grond hadden en boven hun bedrijf woonden. Met zijn geoefende oog keek Tom wat er zoal te koop was, en hij begreep dat dit een welvarende stad was. Iedereen moest pannen en messen hebben, maar alleen rijke mensen kochten geborduurde sjaals, versierde broekriemen en zilveren gespen.

Voor het kasteel leidde de voerman zijn span ossen naar rechts, en Tom volgde met zijn gezin. De straat beschreef een kwart cirkel, rond de vestingwerken van het kasteel. Ze passeerden weer een poort en lieten het gewoel van de stad achter zich, om op een andere drukke plek te arriveren: de bedrijvigheid van een grote bouwplaats.

Ze waren binnen het ommuurde erf van de kathedraal, dat het gehele noordwestelijke kwartier van de stad besloeg. Tom liet het tafereel even op zich inwerken. Alleen de aanblik, de geluiden en de geuren gaven hem al een opgewonden gevoel. Toen ze met de karrenvracht stenen aankwamen, reden juist twee lege ossenwagens weg. Overal langs de zijmuren van de kerk waren schuren gebouwd, waar steenwerkers bezig waren de ruwe blokken op maat te maken, met ijzeren beitels en grote houten hamers, en te veranderen in passende plinten, kolommen, kapitelen, onderdelen voor steunberen, bogen, pinakels en balustrades.


Part (7)

Ze had haar kind zo veel mogelijk gegeven, en toch was het niet genoeg. Maar hij wist ook geen oplossing voor haar problemen. Aantrekkelijk, vindingrijk en kordaat als ze was, leek ze er toch toe veroordeeld de rest van haar leven samen met haar bizarre zoon door te brengen in het bos.

Agnes, Martha en Alfred kwamen terug. Tom keek gespannen naar Martha, maar ze zag eruit alsof haar gezicht schoonschrobben het ergste was wat haar ooit overkomen was. Enige tijd was alle aandacht van Tom gericht op de problemen van Ellen, maar nu moest hij weer aan zijn eigen plichten denken: hij was op zoek naar werk en zijn varken was gestolen. De middag was al bijna verstreken. Hij begon de bezittingen die ze nog over hadden te verzamelen.

Ellen vroeg: ‘Waar gaan jullie naar toe?'

‘Naar Winchester,' antwoordde Tom. In Winchester waren een kasteel, een paleis en verscheidene kloosters, en – nog belangrijker – een kathedraal.

‘Maar Salisbury is dichterbij,' zei Ellen. ‘En de laatste keer dat ik in de stad was, werd er gewerkt aan de kathedraal – die werd groter gemaakt.'

Tom voelde zijn hart opspringen. Dat was precies waar hij naar zocht. Als hij er maar in slaagde werk te krijgen op de bouwplaats, dan was hij ervan overtuigd dat hij de kwaliteiten had om uiteindelijk bouwmeester te worden. ‘In welke richting ligt Salisbury?' vroeg hij begerig.

‘Keer terug langs de weg die jullie hierheen volgden, zo'n drie of vier mijlen. Herinner je je een tweesprong in de weg, waar jullie linksaf sloegen?'

‘Ja, bij een poel met modderig water.'

‘Juist. De weg naar rechts leidt naar Salisbury.'

Ze namen afscheid van elkaar. Agnes mocht Ellen niet, maar ze dwong zichzelf toch vriendelijk te zeggen: ‘Bedankt dat je Martha geholpen hebt.'

Ellen glimlachte en ze keek hen weemoedig na.

Toen ze enkele minuten over de weg hadden gelopen keek Tom achterom. Ellen keek hen nog steeds na, ze stond wijdbeens midden op de weg en beschermde haar ogen met haar hand, terwijl haar eigenaardige zoon naast haar stond. Tom wuifde en ze zwaaide terug.

‘Een interessante vrouw,' zei hij tegen Agnes.

Agnes zei niets.

Alfred zei: ‘Die jongen deed zo ráár.'

Ze liepen in de richting van de laagstaande herfstzon. Tom vroeg zich af hoe Salisbury zou zijn: hij was daar nog nooit geweest. Hij voelde zich opgewonden. Uiteraard was het zijn droom een kathedraal van de grond af op te bouwen, maar een dergelijk werk werd maar zelden ondernomen. Het kwam veel vaker voor dat een ouder gebouw verbeterd of vergroot werd, of gedeeltelijk werd herbouwd. Maar dat zou goed genoeg zijn voor hem, zolang er maar een kans bleef bestaan dat hij in de toekomst zijn eigen ontwerpen kon verwezenlijken.

Martha zei: ‘Waarom sloeg die man mij?'

‘Omdat hij ons varken wilde stelen,' legde Agnes uit.

‘Hij moet zelf voor zijn eigen varken zorgen,' zei Martha verontwaardigd, alsof ze nu pas besefte dat de bandiet iets verkeerds had gedaan. Het probleem van Ellen kon opgelost worden als ze een ambacht beheerste, peinsde Tom. Een metselaar, een timmerman, een wever of een looier zou zich nooit in haar situatie bevinden. Een ambachtsman kon altijd naar de stad trekken, op zoek naar werk. Er waren maar weinig vrouwen met een ambacht, en meestal waren dat de vrouwen of de weduwen van vaklieden. ‘Wat ze nodig heeft,' zei Tom hardop, ‘is een echtgenoot.'

Agnes zei bits: ‘Nou, maar de mijne krijgt ze niet.'

3 De dag dat ze het varken kwijtraakten was ook de laatste dag met zacht weer. Ze brachten die nacht door in een schuur, en toen ze de volgende ochtend weer naar buiten kwamen had de hemel de kleur van een loden dak, en er stond een kille wind met regenvlagen. Ze rolden hun mantels van dikke stof uit en trokken die aan, stevig dichtgebonden onder de kin en ze trokken hun kappen ver naar voren om het gezicht tegen de regen te beschermen. Ze gingen in een sombere stemming op weg, vier schimmige gestalten in de regen, hun houten klompen deden het water van de modderige poelen opspatten.

Tom vroeg zich af hoe de kathedraal van Salisbury eruit zou zien. Een kathedraal was in wezen een kerkgebouw als ieder ander: alleen was het de kerk waar de bisschop zijn zetel had. Maar kathedralen waren altijd de grootste, de rijkste en meest versierde kerken. Een kathedraal was zelden een eenvoudige zuilengang met ramen. De meeste bestonden uit drie gangen, een hoge middenbeuk geflankeerd door twee kleinere zijbeuken, in de vorm van een hoofd en schouders. De zijmuren van de middenbeuk bestonden uit twee rijen pilaren, met elkaar verbonden door bogen, zodat een galerij ontstond. De zijbeuken werden gebruikt voor processies – die heel indrukwekkend konden zijn in kathedrale kerken – en boden ook plaats aan kleine zijkapellen die aan bepaalde heiligen waren gewijd, wat een bron van extra donaties vormde. Kathedralen waren zeker de kostbaarste gebouwen op de wereld, veel duurder dan paleizen of kastelen, en er moesten inkomsten zijn om ze in stand te houden.

Salisbury was dichterbij dan Tom verwacht had. Halverwege de ochtend liepen ze op een heuveltop, en daarachter daalde de weg glooiend voor hen in een lange bocht, en achter de verregende akkers zagen ze de versterkte stad op de heuvel oprijzen boven de velden, als een schip op een meer. De details werden versluierd door de regen, maar toch kon Tom enkele torens onderscheiden, vier of vijf, hoog oprijzend boven de stadsmuren. Zijn hart sprong op bij de aanblik van zoveel metselwerk.

Een ijzige wind geselde de vlakte en hun gezichten en handen leken te bevriezen toen ze de weg naar de oostelijke stadspoort volgden. Vier wegen kwamen aan de voet van de heuvel bij elkaar, te midden van verspreid gebouwde huizen buiten de muren, en andere reizigers voegden zich bij hen, lopend met gebogen hoofd en opgetrokken schouders, optornend tegen de gure wind naar de beschutting van de stadsmuren.

Op de helling naar de poort haalden ze een ossenwagen met een lading stenen in – een hoopvol teken voor Tom. De voerman duwde met zijn schouder tegen de achterkant van het ruwe houten gevaarte, zodat hij de twee ossen hielp die traag omhoog sjokten. Tom zag een kans hier een vriend te maken. Hij wenkte Alfred, en beiden zetten ze hun schouders tegen de achterkant van de kar om te helpen duwen.

De hoge houten wielen ratelden over een brug van balken die een brede droge gracht overspande. De verdedigingswerken waren indrukwekkend: aan het graven van deze gracht en het opwerpen van de aarde tot stadswallen moesten honderden mannen gewerkt hebben, dacht Tom. Dit was een veel omvangrijker karwei geweest dan graven voor de fundamenten van een kathedraal. De brug over de vestinggracht kreunde en kraakte onder het gewicht van de ossenwagen en de twee zware trekdieren.

De helling vlakte af en de kar reed gemakkelijker naar de stadspoort. De voerman richtte zich op, en Tom en Alfred volgden zijn voorbeeld. ‘Ik dank jullie hartelijk,' zei de voerman.

Tom vroeg: ‘Waar zijn deze stenen voor?'

‘Voor de nieuwe kathedraal.'

‘Nieuw? Ik hoorde dat de oude kerk vergroot werd?'

De voerman knikte. ‘Dat zeiden ze ook, tien jaar geleden. Maar nu is er meer nieuw dan oud.'

Dat was nog meer goed nieuws. ‘Wie is de bouwmeester?'

‘John van Shaftesbury, maar bisschop Roger heeft veel te maken met het ontwerp.'

Dat was gebruikelijk. Bisschoppen lieten de bouwers zelden hun gang gaan. Een van de problemen voor een bouwmeester was het kalmeren en inperken van de verhitte fantasie van de geestelijken. Maar John van Shaftesbury was dus de man die werkers inhuurde.

De voerman knikte naar Toms gereedschap. ‘Metselaar?'

‘Ja. En ik zoek werk.'

‘Dat zul je hier wel vinden,' zei de voerman neutraal. ‘Als het niet bij de kathedraal is, dan misschien bij het kasteel.'

‘En wie is de kasteelheer?'

‘Roger is hier zowel bisschop als kasteelheer.'

Uiteraard, dacht Tom. Hij had weleens gehoord van de machtige Roger van Salisbury, die al zolang iedereen zich herinnerde goed bevriend was met de koning.

Ze liepen door de poort de stad in. Het was binnen de muren zo vol met huizen, mensen en dieren, dat het wel leek of de stad elk ogenblik uit zijn cirkelvormige vestingwallen kon barsten, zodat de gracht vol zou stromen. De houten huizen stonden dicht tegen elkaar, als toeschouwers die schouder aan schouder naar een executie komen kijken. De kleinste stukjes grond werden ergens voor gebruikt. Als ergens twee woningen waren opgetrokken met een steeg ertussen, dan had iemand er later een smal huis tussen gebouwd, zonder ramen, omdat de deur het grootste deel van de voorgevel al in beslag nam. En als er zelfs voor een heel smal huis geen plaats was, dan stond er wel een kraam waar bier, brood of appelen werden verkocht, en als ook daarvoor de ruimte ontbrak dan stond er wel een varkenskot, lag er een hoop mest of er stond een regenton.

Het was ook erg rumoerig. De regen dempte amper de kreten van de ambachtslieden in hun werkplaatsen, de roep van venters die hun koopwaar aanprezen, de stemmen van mensen die elkaar begroetten, met elkaar onderhandelden of ruzieden.

Martha probeerde boven het lawaai uit te komen: ‘Wat is dat voor stank?'

Tom lachte. Ze was al een paar jaar niet meer in een stad geweest. ‘Dat is de lucht van mensen,' zei hij tegen haar.

De straat was amper breder dan de ossenwagen, maar de voerman liet zijn trekdieren niet stilhouden, uit angst dat ze misschien niet meer in beweging wilden komen en hij gebruikte de zweep, alle obstakels negerend, en zo baanden ze zich een weg door de menigte, zonder onderscheid te maken tussen een ridder op zijn strijdros, een houtvester met een boog, een dikke monnik op een pony, krijgsvolk, bedelaars, huisvrouwen en hoeren.

De ossenwagen reed achter een oude herder die met moeite zijn kleine kudde bijeen hield. Het moest marktdag zijn, begreep Tom. Terwijl de ossenwagen verder sukkelde, liep een van de schapen een kroeg binnen, en een ogenblik later was de hele kudde door de deur verdwenen, blatend en geweldig veel consternatie veroorzakend door stoelen, tafels en potten bier omver te werpen.

De grond was een zee van modder en afval. Tom wist hoeveel regen op een dak valt, en hij wist ook hoe breed een goot moest zijn om het water af te voeren, en het viel hem op dat al het regenwater dat op deze stad viel uiteindelijk langs deze straat wegvloeide. Als het echt stortregende, dacht hij, dan heb je een boot nodig om hier de straat over te steken.

Toen ze het kasteel naderden op de top van de heuvel, werd de straat breder. Hier stonden stenen huizen, en bij enkele ervan waren reparaties noodzakelijk. De huizen waren eigendom van ambachtslieden en kooplui, die hun werkplaatsen en magazijnen op de begane grond hadden en boven hun bedrijf woonden. Met zijn geoefende oog keek Tom wat er zoal te koop was, en hij begreep dat dit een welvarende stad was. Iedereen moest pannen en messen hebben, maar alleen rijke mensen kochten geborduurde sjaals, versierde broekriemen en zilveren gespen.

Voor het kasteel leidde de voerman zijn span ossen naar rechts, en Tom volgde met zijn gezin. De straat beschreef een kwart cirkel, rond de vestingwerken van het kasteel. Ze passeerden weer een poort en lieten het gewoel van de stad achter zich, om op een andere drukke plek te arriveren: de bedrijvigheid van een grote bouwplaats.

Ze waren binnen het ommuurde erf van de kathedraal, dat het gehele noordwestelijke kwartier van de stad besloeg. Tom liet het tafereel even op zich inwerken. Alleen de aanblik, de geluiden en de geuren gaven hem al een opgewonden gevoel. Toen ze met de karrenvracht stenen aankwamen, reden juist twee lege ossenwagens weg. Overal langs de zijmuren van de kerk waren schuren gebouwd, waar steenwerkers bezig waren de ruwe blokken op maat te maken, met ijzeren beitels en grote houten hamers, en te veranderen in passende plinten, kolommen, kapitelen, onderdelen voor steunberen, bogen, pinakels en balustrades.