image

[Boek] Pilaren van de aarde (Ken Follet), Part (2)

Ze had diepliggende ogen met een intense blik en een eigenaardige gouden kleur, zo helder en doordringend dat ze tot in iemands hart leek te kijken, en wie door haar aangekeken werd wendde zich af, uit angst dat zijn diepste geheimen ontdekt zouden worden. Ze was gehuld in lompen en tranen stroomden langs haar zachte wangen.

De voerman van de ossenkar keek afwachtend naar de baljuw. De baljuw keek op zijn beurt naar de sheriff, wachtend op de korte hoofdknik. De jonge priester met de sinistere uitstraling gebaarde ongeduldig naar de sheriff, maar die sloeg daar geen acht op. Hij liet de veroordeelde zingen. De lelijke man met zijn prachtige stem leek de dood op afstand te houden.

Bij de schemering nam de jager zijn prooi,

De leeuwerik hervond zijn vrijheid nimmer.

Alle vogels en mensen zijn zeker van hun sterven,

Maar liederen leven eeuwig voort.

Toen het zingen verstomde, keek de sheriff naar de baljuw en knikte. De baljuw riep: ‘Vort!' en met een eind touw geselde hij de flank van de os. De voerman liet zijn zweep knallen. De os stapte naar voren, en de man op de kar wankelde. De os trok de kar weg. Het touw werd strak getrokken en met een droge knal brak de nek van de veroordeelde.

Er weerklonk een schrille kreet en iedereen keek naar het meisje.

Zij had geen kreet geslaakt, maar de vrouw van de messenmaker naast haar. Het meisje was wel de oorzaak van de schreeuw. Ze was voor de galg op haar knieën gevallen, met haar armen naar voren gestrekt, alsof ze een vervloeking zou uitspreken. De omstanders weken angstig achteruit, want iedereen wist dat vervloekingen van iemand die onrecht wordt aangedaan veel kracht hebben, en iedereen had het vage vermoeden dat er iets niet in de haak was met de ophanging. De kleine jongens werden doodsbang.

Het meisje richtte haar hypnotische blik op de drie vreemdelingen, de ridder, de monnik en de priester, en toen sprak ze haar vervloeking uit, zo luid dat de woorden leken te galmen: ‘Ik vervloek jullie met ziekte en zorgen, met honger en pijn, jullie huizen zullen verteerd worden door het vuur, jullie kinderen zullen aan de galg sterven, jullie vijanden zal het goed gaan, en jullie zullen oud worden in droefheid en spijt, en jullie zullen een vreselijke doodsstrijd hebben…' Terwijl ze de laatste woorden uitsprak reikte het meisje naar een zak die naast haar op de grond stond en ze haalde daar een levende haan uit. Een mes leek uit het niets in haar hand te verschijnen, en met een snelle beweging sneed ze de kop van het dier af.

Het bloed spoot uit het lijf van de haan die ze met een felle beweging naar de zwartharige priester smeet. De haan viel voor hem op de grond, maar de priester werd bespat door het bloed, evenals de monnik en de ridder die naast hem stonden. De mannen wendden zich vol walging af, maar tevergeefs, want de bloedspatten besmeurden hun gezicht en kleding.

Het meisje kwam overeind en vluchtte weg.

De menigte week uiteen om haar door te laten. Even ontstond er een waar pandemonium. Maar uiteindelijk wist de sheriff de aandacht van zijn soldaten te krijgen en hij gelastte de mannen woedend haar te achtervolgen. De soldaten probeerden zich een weg te banen door de menigte, ze duwden mannen, vrouwen en kinderen ruw opzij, maar het meisje was al uit het zicht verdwenen, en de sheriff begreep dat hij haar niet meer zou vinden.

De sheriff wendde zich vol afschuw af. De ridder, de priester en de monnik hadden niet gezien dat het meisje gevlucht was. Ze staarden nog steeds naar de galg. De sheriff volgde hun blik. De dode dief bungelde aan het touw, en zijn bleke gezicht kleurde langzaam blauw, terwijl onder zijn levenloze lichaam de haan in wilde kringetjes stuiptrekkend over de met bloed besmeurde sneeuw bewoog.

Hoofdstuk I

1 In een brede vallei, aan de voet van een glooiende heuvel, naast een bruisende beek, was Tom bezig een huis te bouwen. De muren waren al een meter hoog en rezen snel. De twee metselaars die Tom had ingehuurd werkten gestaag in de zonneschijn, hun troffels schraapten eentonig en ritmisch, terwijl de sjouwer zweette onder het gewicht van de grote blokken steen. Toms zoon Alfred mengde de mortel, hij telde hardop de scheppen zand af. Er was ook een timmerman, aan de werkbank naast Tom, die behoedzaam een eind beukenhout op maat schaafde.

Alfred was veertien jaar oud, en net als Tom lang van stuk. Tom was een kop groter dan de meeste mannen, en Alfred maar een paar centimeter kleiner, terwijl hij nog steeds groeide. Ze leken ook op elkaar: allebei hadden ze lichtbruin haar, en groenige ogen met bruine vlekjes. De mensen zeiden dat ze een knap stel vormden. Het voornaamste verschil tussen hen was dat Tom een krullerige bruine baard had, maar Alfred alleen wat fijne blonde donshaartjes. Zo was het haar op zijn hoofd ook ooit geweest, herinnerde Tom zich teder. Nu Alfred een man werd, hoopte Tom dat zijn zoon serieuzer belangstelling kreeg voor zijn vak, want hij moest nog veel leren wanneer hij net als zijn vader metselaar wilde worden. Maar tot nog toe vond Alfred de beginselen van de bouwkunst vervelend en ingewikkeld.

Als het huis eenmaal klaar was, zou dit de mooiste woning in de wijde omtrek zijn. Beneden zou een ruime voorraadkelder zijn, met een gewelfd stenen plafond, zodat het niet in brand kon raken. De zaal waar de mensen woonden zou daarboven zijn, bereikbaar langs een hoge buitentrap, zodat de woning moeilijk aan te vallen was en gemakkelijk verdedigd kon worden. Tegen de wand van de zaal zou een schoorsteen komen, om de rook van het vuur af te voeren. Dat was een ingrijpende nieuwigheid: Tom had slechts een keer een huis met een schoorsteen gezien, maar hij vond het zo'n goed idee dat hij vastbesloten was dat na te volgen. Aan een zijde van het huis, boven de zaal, kwam een kleine slaapkamer, want die hadden de grafelijke dochters tegenwoordig nodig – ze waren te verfijnd om tussen de mannen en de dienstmeiden en de jachthonden te slapen. De keuken zou afzonderlijk gebouwd worden, want vroeg of laat brak er altijd brand uit; daarom was de enige oplossing een keuken ver weg te bouwen en genoegen te nemen met lauwwarm opgediende gerechten.

Tom werkte aan de toegang tot het huis. De deurposten zouden afgerond worden, zodat ze op pilaren leken – een teken van stand voor het pasgetrouwde edele paar dat hier kwam wonen. Met zijn oog gericht op de houten mal die hij als maat gebruikte, zette Tom zijn ijzeren beitel schuin tegen de steen en begon zachtjes te kloppen met een zware houten hamer. Een fijne regen van gruis spatte weg van het oppervlak, zodat de steen wat ronder werd. Hij herhaalde de bewegingen. Glad genoeg voor een kathedraal.

Hij had al eens aan een kathedraal gewerkt – in Exeter. Eerst had hij dat als een gewoon karwei beschouwd. Hij was boos en beledigd geweest toen de bouwmeester hem gewaarschuwd had dat zijn werk niet helemaal aan de eisen voldeed: Tom wist dat hij zorgvuldiger was dan een doorsnee metselaar. Maar toen besefte hij dat de muren van een kathedraal niet alleen sterk moesten zijn, ze moesten volmaakt zijn. Omdat de kathedraal voor God was, en ook omdat het gebouw zo groot werd dat de kleinste oneffenheid in de muren, de geringste afwijking van zuiver haaks en waterpas, de hele structuur gevaarlijk kon verzwakken. Toms gebelgdheid sloeg om in fascinatie. De combinatie van een groots en ambitieus bouwwerk en strenge aandacht voor het kleinste detail opende Toms ogen voor het wonderlijke van zijn ambacht. Hij leerde van de meester in Exeter hoe belangrijk verhoudingen zijn, de symboliek van bepaalde getallen en de bijna magische formules om de juiste dikte van een muur of de hoek van een trede in een wenteltrap te berekenen. Zulke dingen vond hij boeiend. En het verbaasde hem dat veel metselaars die onderwerpen onbegrijpelijk vonden.

Na een tijdje was Tom de rechterhand van de bouwmeester geworden, en toen begon hij ook de tekortkomingen van zijn leermeester te zien. Zijn baas was een groot vakman, maar onbekwaam als organisator. Hij wist totaal geen raad met problemen als het tijdig aanvoeren van de juiste hoeveelheden stenen om in de pas te blijven met de metselaars, ervoor zorgen dat de smid genoeg gereedschappen maakte, kalk branden en karrenvrachten zand aanvoeren voor de mortelmakers, bomen vellen voor de timmerlui, en voldoende geld krijgen van het kapittel om alles te betalen.

Als Tom in Exeter gebleven was tot de bouwmeester stierf, dan was hij misschien zelf bouwmeester geworden, maar het geld van het kapittel van de kathedraal raakte op – deels door het wanbeheer van de bouwmeester – en de ambachtslieden moesten verder trekken, op zoek naar een nieuw karwei. Tom kreeg van de slotvoogd in Exeter het aanbod bouwmeester van de vestingmuren te worden, om daar herstelwerkzaamheden en versterkingen uit te voeren. Dat zou een taak voor het leven zijn, als er zich geen onvoorziene omstandigheden voordeden. Maar Tom had het aanbod afgeslagen, omdat hij een andere kathedraal wilde bouwen.

Zijn vrouw Agnes had dit besluit nooit kunnen begrijpen. Ze zouden een mooi stenen huis hebben gekregen, en bedienden, en hun eigen stallen en bij elk avondmaal vlees op tafel, en ze had het Tom nooit vergeven dat hij deze kans voorbij had laten gaan. Ze kon niet begrijpen wat zo onweerstaanbaar aantrekkelijk was aan het bouwen van een kathedraal: de alle aandacht vergende ingewikkeldheid van de organisatie, de verstandelijke uitdaging van de berekeningen, de ontzagwekkende hoogte van de muren, en de adembenemende grootsheid van het voltooide bouwwerk. Toen Tom eenmaal van die wijn geproefd had, nam hij nooit meer met minder genoegen.

Dat was nu tien jaar geleden. Sindsdien waren ze nooit erg lang op dezelfde plaats gebleven. Hij ontwierp een nieuwe kapittelzaal voor een klooster, werkte een jaar of twee aan een kasteel, of hij bouwde een stadshuis voor een rijke koopman, maar zodra hij wat geld gespaard had, vertrok hij met zijn vrouw en kinderen, en ging weer op weg, zoekend naar een nieuwe kathedraal.

Tom keek op van zijn werk en zag Agnes aan de rand van het bouwterrein staan; ze hield een mand met eten in haar hand en op haar heup rustte een grote kruik bier. Het was middag. Hij keek haar liefdevol aan. Niemand zou haar ooit knap noemen, maar haar gezicht straalde kracht uit: een breed voorhoofd, grote bruine ogen, een rechte neus en een vastberaden onderkaak. Haar donkere haar was in het midden gescheiden en in een knot gebonden. Ze was Toms hartsvriendin.

Ze schonk bier in voor Tom en Alfred. Ze bleven daar even staan, de twee grote mannen en de forse vrouw, bier drinkend uit houten nappen, en toen kwam het vierde lid van het gezin aanhuppelen uit het korenveld: Martha, zes jaar oud en zo mooi als een madelief, maar dan wel een madelief die een bloemblad miste, want er gaapte een gat op de plek waar twee melktanden waren uitgevallen en de nieuwe tanden nog niet doorgekomen waren. Ze rende naar Tom, kuste zijn stoffige baard en bedelde om een slok bier. Hij omhelsde haar magere lichaam. ‘Niet te veel drinken, anders val je nog in een greppel,' zei hij. Ze wankelde speels in het rond, en deed alsof ze dronken was.

Ze gingen op een stapel balken zitten. Agnes reikte Tom een homp tarwebrood aan, een dikke snee gekookt spek en een kleine ui. Hij nam een hap van het vlees en begon de ui te pellen. Agnes gaf de kinderen te eten en begon toen zelf aan haar middagmaal. Misschien was het onverantwoord, dacht Tom, die saaie baan in Exeter af te wijzen en op zoek te gaan naar een kathedraal die nog gebouwd moest worden, maar ik ben altijd in staat geweest mijn hele gezin te voeden, ondanks mijn roekeloosheid.

Hij haalde zijn mes uit de voorste zak van zijn leren schort, sneed een plak van de ui en at die tegelijk met een hap brood. De ui smaakte zoet en scherp tegelijk. Agnes zei: ‘Ik ben weer in verwachting.



Want to learn a language?


Learn from this text and thousands like it on LingQ.

  • A vast library of audio lessons, all with matching text
  • Revolutionary learning tools
  • A global, interactive learning community.

Language learning online @ LingQ

Ze had diepliggende ogen met een intense blik en een eigenaardige gouden kleur, zo helder en doordringend dat ze tot in iemands hart leek te kijken, en wie door haar aangekeken werd wendde zich af, uit angst dat zijn diepste geheimen ontdekt zouden worden. Ze was gehuld in lompen en tranen stroomden langs haar zachte wangen.

De voerman van de ossenkar keek afwachtend naar de baljuw. De baljuw keek op zijn beurt naar de sheriff, wachtend op de korte hoofdknik. De jonge priester met de sinistere uitstraling gebaarde ongeduldig naar de sheriff, maar die sloeg daar geen acht op. Hij liet de veroordeelde zingen. De lelijke man met zijn prachtige stem leek de dood op afstand te houden.

Bij de schemering nam de jager zijn prooi,

De leeuwerik hervond zijn vrijheid nimmer.

Alle vogels en mensen zijn zeker van hun sterven,

Maar liederen leven eeuwig voort.

Toen het zingen verstomde, keek de sheriff naar de baljuw en knikte. De baljuw riep: ‘Vort!' en met een eind touw geselde hij de flank van de os. De voerman liet zijn zweep knallen. De os stapte naar voren, en de man op de kar wankelde. De os trok de kar weg. Het touw werd strak getrokken en met een droge knal brak de nek van de veroordeelde.

Er weerklonk een schrille kreet en iedereen keek naar het meisje.

Zij had geen kreet geslaakt, maar de vrouw van de messenmaker naast haar. Het meisje was wel de oorzaak van de schreeuw. Ze was voor de galg op haar knieën gevallen, met haar armen naar voren gestrekt, alsof ze een vervloeking zou uitspreken. De omstanders weken angstig achteruit, want iedereen wist dat vervloekingen van iemand die onrecht wordt aangedaan veel kracht hebben, en iedereen had het vage vermoeden dat er iets niet in de haak was met de ophanging. De kleine jongens werden doodsbang.

Het meisje richtte haar hypnotische blik op de drie vreemdelingen, de ridder, de monnik en de priester, en toen sprak ze haar vervloeking uit, zo luid dat de woorden leken te galmen: ‘Ik vervloek jullie met ziekte en zorgen, met honger en pijn, jullie huizen zullen verteerd worden door het vuur, jullie kinderen zullen aan de galg sterven, jullie vijanden zal het goed gaan, en jullie zullen oud worden in droefheid en spijt, en jullie zullen een vreselijke doodsstrijd hebben…' Terwijl ze de laatste woorden uitsprak reikte het meisje naar een zak die naast haar op de grond stond en ze haalde daar een levende haan uit. Een mes leek uit het niets in haar hand te verschijnen, en met een snelle beweging sneed ze de kop van het dier af.

Het bloed spoot uit het lijf van de haan die ze met een felle beweging naar de zwartharige priester smeet. De haan viel voor hem op de grond, maar de priester werd bespat door het bloed, evenals de monnik en de ridder die naast hem stonden. De mannen wendden zich vol walging af, maar tevergeefs, want de bloedspatten besmeurden hun gezicht en kleding.

Het meisje kwam overeind en vluchtte weg.

De menigte week uiteen om haar door te laten. Even ontstond er een waar pandemonium. Maar uiteindelijk wist de sheriff de aandacht van zijn soldaten te krijgen en hij gelastte de mannen woedend haar te achtervolgen. De soldaten probeerden zich een weg te banen door de menigte, ze duwden mannen, vrouwen en kinderen ruw opzij, maar het meisje was al uit het zicht verdwenen, en de sheriff begreep dat hij haar niet meer zou vinden.

De sheriff wendde zich vol afschuw af. De ridder, de priester en de monnik hadden niet gezien dat het meisje gevlucht was. Ze staarden nog steeds naar de galg. De sheriff volgde hun blik. De dode dief bungelde aan het touw, en zijn bleke gezicht kleurde langzaam blauw, terwijl onder zijn levenloze lichaam de haan in wilde kringetjes stuiptrekkend over de met bloed besmeurde sneeuw bewoog.

Hoofdstuk I

1

In een brede vallei, aan de voet van een glooiende heuvel, naast een bruisende beek, was Tom bezig een huis te bouwen.

De muren waren al een meter hoog en rezen snel. De twee metselaars die Tom had ingehuurd werkten gestaag in de zonneschijn, hun troffels schraapten eentonig en ritmisch, terwijl de sjouwer zweette onder het gewicht van de grote blokken steen. Toms zoon Alfred mengde de mortel, hij telde hardop de scheppen zand af. Er was ook een timmerman, aan de werkbank naast Tom, die behoedzaam een eind beukenhout op maat schaafde.

Alfred was veertien jaar oud, en net als Tom lang van stuk. Tom was een kop groter dan de meeste mannen, en Alfred maar een paar centimeter kleiner, terwijl hij nog steeds groeide. Ze leken ook op elkaar: allebei hadden ze lichtbruin haar, en groenige ogen met bruine vlekjes. De mensen zeiden dat ze een knap stel vormden. Het voornaamste verschil tussen hen was dat Tom een krullerige bruine baard had, maar Alfred alleen wat fijne blonde donshaartjes. Zo was het haar op zijn hoofd ook ooit geweest, herinnerde Tom zich teder. Nu Alfred een man werd, hoopte Tom dat zijn zoon serieuzer belangstelling kreeg voor zijn vak, want hij moest nog veel leren wanneer hij net als zijn vader metselaar wilde worden. Maar tot nog toe vond Alfred de beginselen van de bouwkunst vervelend en ingewikkeld.

Als het huis eenmaal klaar was, zou dit de mooiste woning in de wijde omtrek zijn. Beneden zou een ruime voorraadkelder zijn, met een gewelfd stenen plafond, zodat het niet in brand kon raken. De zaal waar de mensen woonden zou daarboven zijn, bereikbaar langs een hoge buitentrap, zodat de woning moeilijk aan te vallen was en gemakkelijk verdedigd kon worden. Tegen de wand van de zaal zou een schoorsteen komen, om de rook van het vuur af te voeren. Dat was een ingrijpende nieuwigheid: Tom had slechts een keer een huis met een schoorsteen gezien, maar hij vond het zo'n goed idee dat hij vastbesloten was dat na te volgen. Aan een zijde van het huis, boven de zaal, kwam een kleine slaapkamer, want die hadden de grafelijke dochters tegenwoordig nodig – ze waren te verfijnd om tussen de mannen en de dienstmeiden en de jachthonden te slapen. De keuken zou afzonderlijk gebouwd worden, want vroeg of laat brak er altijd brand uit; daarom was de enige oplossing een keuken ver weg te bouwen en genoegen te nemen met lauwwarm opgediende gerechten.

Tom werkte aan de toegang tot het huis. De deurposten zouden afgerond worden, zodat ze op pilaren leken – een teken van stand voor het pasgetrouwde edele paar dat hier kwam wonen. Met zijn oog gericht op de houten mal die hij als maat gebruikte, zette Tom zijn ijzeren beitel schuin tegen de steen en begon zachtjes te kloppen met een zware houten hamer. Een fijne regen van gruis spatte weg van het oppervlak, zodat de steen wat ronder werd. Hij herhaalde de bewegingen. Glad genoeg voor een kathedraal.

Hij had al eens aan een kathedraal gewerkt – in Exeter. Eerst had hij dat als een gewoon karwei beschouwd. Hij was boos en beledigd geweest toen de bouwmeester hem gewaarschuwd had dat zijn werk niet helemaal aan de eisen voldeed: Tom wist dat hij zorgvuldiger was dan een doorsnee metselaar. Maar toen besefte hij dat de muren van een kathedraal niet alleen sterk moesten zijn, ze moesten volmaakt zijn. Omdat de kathedraal voor God was, en ook omdat het gebouw zo groot werd dat de kleinste oneffenheid in de muren, de geringste afwijking van zuiver haaks en waterpas, de hele structuur gevaarlijk kon verzwakken. Toms gebelgdheid sloeg om in fascinatie. De combinatie van een groots en ambitieus bouwwerk en strenge aandacht voor het kleinste detail opende Toms ogen voor het wonderlijke van zijn ambacht. Hij leerde van de meester in Exeter hoe belangrijk verhoudingen zijn, de symboliek van bepaalde getallen en de bijna magische formules om de juiste dikte van een muur of de hoek van een trede in een wenteltrap te berekenen. Zulke dingen vond hij boeiend. En het verbaasde hem dat veel metselaars die onderwerpen onbegrijpelijk vonden.

Na een tijdje was Tom de rechterhand van de bouwmeester geworden, en toen begon hij ook de tekortkomingen van zijn leermeester te zien. Zijn baas was een groot vakman, maar onbekwaam als organisator. Hij wist totaal geen raad met problemen als het tijdig aanvoeren van de juiste hoeveelheden stenen om in de pas te blijven met de metselaars, ervoor zorgen dat de smid genoeg gereedschappen maakte, kalk branden en karrenvrachten zand aanvoeren voor de mortelmakers, bomen vellen voor de timmerlui, en voldoende geld krijgen van het kapittel om alles te betalen.

Als Tom in Exeter gebleven was tot de bouwmeester stierf, dan was hij misschien zelf bouwmeester geworden, maar het geld van het kapittel van de kathedraal raakte op – deels door het wanbeheer van de bouwmeester – en de ambachtslieden moesten verder trekken, op zoek naar een nieuw karwei. Tom kreeg van de slotvoogd in Exeter het aanbod bouwmeester van de vestingmuren te worden, om daar herstelwerkzaamheden en versterkingen uit te voeren. Dat zou een taak voor het leven zijn, als er zich geen onvoorziene omstandigheden voordeden. Maar Tom had het aanbod afgeslagen, omdat hij een andere kathedraal wilde bouwen.

Zijn vrouw Agnes had dit besluit nooit kunnen begrijpen. Ze zouden een mooi stenen huis hebben gekregen, en bedienden, en hun eigen stallen en bij elk avondmaal vlees op tafel, en ze had het Tom nooit vergeven dat hij deze kans voorbij had laten gaan. Ze kon niet begrijpen wat zo onweerstaanbaar aantrekkelijk was aan het bouwen van een kathedraal: de alle aandacht vergende ingewikkeldheid van de organisatie, de verstandelijke uitdaging van de berekeningen, de ontzagwekkende hoogte van de muren, en de adembenemende grootsheid van het voltooide bouwwerk. Toen Tom eenmaal van die wijn geproefd had, nam hij nooit meer met minder genoegen.

Dat was nu tien jaar geleden. Sindsdien waren ze nooit erg lang op dezelfde plaats gebleven. Hij ontwierp een nieuwe kapittelzaal voor een klooster, werkte een jaar of twee aan een kasteel, of hij bouwde een stadshuis voor een rijke koopman, maar zodra hij wat geld gespaard had, vertrok hij met zijn vrouw en kinderen, en ging weer op weg, zoekend naar een nieuwe kathedraal.

Tom keek op van zijn werk en zag Agnes aan de rand van het bouwterrein staan; ze hield een mand met eten in haar hand en op haar heup rustte een grote kruik bier. Het was middag. Hij keek haar liefdevol aan. Niemand zou haar ooit knap noemen, maar haar gezicht straalde kracht uit: een breed voorhoofd, grote bruine ogen, een rechte neus en een vastberaden onderkaak. Haar donkere haar was in het midden gescheiden en in een knot gebonden. Ze was Toms hartsvriendin.

Ze schonk bier in voor Tom en Alfred. Ze bleven daar even staan, de twee grote mannen en de forse vrouw, bier drinkend uit houten nappen, en toen kwam het vierde lid van het gezin aanhuppelen uit het korenveld: Martha, zes jaar oud en zo mooi als een madelief, maar dan wel een madelief die een bloemblad miste, want er gaapte een gat op de plek waar twee melktanden waren uitgevallen en de nieuwe tanden nog niet doorgekomen waren. Ze rende naar Tom, kuste zijn stoffige baard en bedelde om een slok bier. Hij omhelsde haar magere lichaam. ‘Niet te veel drinken, anders val je nog in een greppel,' zei hij. Ze wankelde speels in het rond, en deed alsof ze dronken was.

Ze gingen op een stapel balken zitten. Agnes reikte Tom een homp tarwebrood aan, een dikke snee gekookt spek en een kleine ui. Hij nam een hap van het vlees en begon de ui te pellen. Agnes gaf de kinderen te eten en begon toen zelf aan haar middagmaal. Misschien was het onverantwoord, dacht Tom, die saaie baan in Exeter af te wijzen en op zoek te gaan naar een kathedraal die nog gebouwd moest worden, maar ik ben altijd in staat geweest mijn hele gezin te voeden, ondanks mijn roekeloosheid.

Hij haalde zijn mes uit de voorste zak van zijn leren schort, sneed een plak van de ui en at die tegelijk met een hap brood. De ui smaakte zoet en scherp tegelijk. Agnes zei: ‘Ik ben weer in verwachting.

×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.