Examples from the LingQ library
- Detie droeg een bundel kleren over haar ene arm
- En waar zijn je kleren gebleven?” “Daar!” zei Heidi
- dragen toch ook geen kleren?” “Kom onmiddellijk mee!” zei
- het sollicitatiegesprek. Maar Karels kleren zijn erg oud. Hij
- mijn sollicitatiegesprek. Maar mijn kleren waren erg oud. Ik
- een sollicitatiegesprek. Drie : Karels kleren zijn erg oud. Zijn
- gaat hij zijn vieze kleren op een hoop gooien
- Dan gaat hij zijn kleren wassen in de wasmachine
- gooide ik mijn vieze kleren op een hoop. Daarna
- voor het herstel van kleren. Ook boombast, met leer
- kans kregen hun doorweekte kleren te drogen, wanneer de
