×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

Woord voor woord, Woord voor woord - les 9

Woord voor woord - les 9

hallo! welkom bij woord voor woord.

dit is les 9. de week.

welke dag is het vandaag?

rick, welke dag is het vandaag?

het is maandag.

het is maandag. de dag is maandag.

en bij jou? welke dag is het vandaag?

maandag is een dag.

dinsdag is een dag.

de week heeft zeven dagen.

maandag dinsdag woensdag donderdag

vrijdag zaterdag zondag

het is vandaag maandag.

vandaag is het maandag.

morgen is het dinsdag.

gisteren was het zondag.

rick, welke dag is het vandaag?

het is dinsdag.

het is vandaag dinsdag.

morgen is het woensdag.

gisteren was het maandag.

morgen – gisteren – vandaag

de week heeft zeven dagen.

zeven dagen samen is één week.

maandag dinsdag woensdag

donderdag vrijdag zaterdag zondag

vandaag is het dinsdag.

rick, welke dag is het vandaag?

het is woensdag.

en welke dag is het morgen?

morgen is het donderdag.

ja! het is vandaag woensdag.

morgen is het donderdag.

gisteren was het dinsdag.

hallo. ik heet mirjam.

ik ben een vrouw.

dit is rick. rick is een man. hij is een man.

zij is een vrouw.

rick is een man. ik ben een vrouw.

man – vrouw

dit is een man.

ik zeg hij. hij is een man.

hij is een man.

dit is een vrouw. ik zeg zij. zij is een vrouw.

zij is een vrouw.

de man – hij.

de vrouw – zij.

hij – zij.

hallo

ik heet mirjam. ik ben een vrouw.

ik ben een vrouw.

ik ben getrouwd. ik heb een man.

ik ben getrouwd. ik heb een man.

dit is mijn man.

hij heet victor.

ik heb twee kinderen.

zij heet monica.

hij heet alex.

monica is één kind.

alex is één kind. ik heb twee kinderen.

rick, ben jij getrouwd?

nee. ik ben niet getrouwd.

en heb jij kinderen?

nee. ik heb geen kinderen.

en jij? ben jij getrouwd?

heb jij kinderen?

de man.

de vrouw. het kind.

hij is een man.

zij is een vrouw.

ik ben getrouwd. ik heb kinderen.

ik ben niet getrouwd.

ik heb geen kinderen.

luister. luister goed!

dit is een luisteroefening.

ik zeg twee woorden.

ik zeg man, vrouw. hetzelfde?

nee. niet hetzelfde.

luister goed! ik zeg twee woorden.

kind, kinderen. hetzelfde?

nee. niet hetzelfde.

ik zeg man, maan.

luister goed. man, maan. hetzelfde?

nee niet hetzelfde.

zij, zij. ja hetzelfde.

mij, mijn

niet hetzelfde. luister goed.

mij, mijn. niet hetzelfde.

dag, daag

niet hetzelfde.

dit is nog een luisteroefening.

luister goed. ik zeg drie woorden.

de woorden zijn niet hetzelfde.

de vraag is hoor je het woord tas?

ik zeg kan, pen, les.

jij luistert. je hoort het woord tas niet.

nog een keer.

ik zeg drie woorden. de woorden zijn niet hetzelfde.

luister goed. hoor je het woord thee?

koffie, melk, suiker

nee. je hoort het woord thee niet. je luistert?

je hoort thee niet.

nog een keer.

ik zeg drie woorden. de woorden zijn niet hetzelfde.

de vraag is hoor je het woord dag?

luister goed.

de week, de dag, morgen

ja! je hoort het wordt de dag.

de week, de dag, morgen

je hoort het woord de dag.

ik zeg de dag. ik zeg daag. daag!

dit was les negen.

tot de volgende les.


Woord voor woord - les 9

hallo! welkom bij woord voor woord. hello welcome by word for word

dit is les 9. de week. this is class 9 the week

welke dag is het vandaag?

rick, welke dag is het vandaag? Rick, welcher Tag ist heute?

het is maandag.

het is maandag. de dag is maandag.

en bij jou? welke dag is het vandaag? und mit dir? Welcher Tag ist heute? and with you? What day is today?

maandag is een dag. Montag ist ein Tag.

dinsdag is een dag.

de week heeft zeven dagen.

maandag dinsdag woensdag donderdag

vrijdag zaterdag zondag

het is vandaag maandag. Heute ist Montag. It is monday today.

vandaag is het maandag. heute ist Montag.

morgen is het dinsdag. tomorrow is tuesday.

gisteren was het zondag.

rick, welke dag is het vandaag?

het is dinsdag.

het is vandaag dinsdag.

morgen is het woensdag.

gisteren was het maandag.

morgen – gisteren – vandaag

de week heeft zeven dagen.

zeven dagen samen is één week. sieben Tage zusammen sind eine Woche. seven days together is one week.

maandag dinsdag woensdag

donderdag vrijdag zaterdag zondag

vandaag is het dinsdag.

rick, welke dag is het vandaag?

het is woensdag.

en welke dag is het morgen?

morgen is het donderdag.

ja! het is vandaag woensdag.

morgen is het donderdag.

gisteren was het dinsdag.

hallo. ik heet mirjam.

ik ben een vrouw.

dit is rick. rick is een man. hij is een man.

zij is een vrouw.

rick is een man. ik ben een vrouw.

man – vrouw

dit is een man.

ik zeg hij. hij is een man. I say he. he is a man.

hij is een man.

dit is een vrouw. ik zeg zij. zij is een vrouw.

zij is een vrouw.

de man – hij.

de vrouw – zij.

hij – zij.

hallo

ik heet mirjam. ik ben een vrouw.

ik ben een vrouw.

ik ben getrouwd. ik heb een man. I am married. I have a husband.

ik ben getrouwd. ik heb een man.

dit is mijn man.

hij heet victor.

ik heb twee kinderen.

zij heet monica. sie heißt monika.

hij heet alex.

monica is één kind.

alex is één kind. ik heb twee kinderen.

rick, ben jij getrouwd? Rick, bist du verheiratet? rick, are you married?

nee. ik ben niet getrouwd.

en heb jij kinderen? und hast du kinder?

nee. ik heb geen kinderen.

en jij? ben jij getrouwd?

heb jij kinderen?

de man.

de vrouw. het kind.

hij is een man.

zij is een vrouw.

ik ben getrouwd. ik heb kinderen.

ik ben niet getrouwd.

ik heb geen kinderen.

luister. luister goed! Hören. Hör genau zu!

dit is een luisteroefening. Dies ist eine Hörübung. this is a listening exercise.

ik zeg twee woorden.

ik zeg man, vrouw. hetzelfde? Ich sage Mann, Frau. gleich? I say man, woman. the same?

nee. niet hetzelfde.

luister goed! ik zeg twee woorden.

kind, kinderen. hetzelfde?

nee. niet hetzelfde.

ik zeg man, maan.

luister goed. man, maan. hetzelfde?

nee niet hetzelfde.

zij, zij. ja hetzelfde. Sie sie. Ja das Gleiche. she she. Yes the same.

mij, mijn mir

niet hetzelfde. luister goed. not the same. listen carefully.

mij, mijn. niet hetzelfde. mir. nicht das gleiche.

dag, daag bye, bye

niet hetzelfde.

dit is nog een luisteroefening. this is another listening exercise.

luister goed. ik zeg drie woorden.

de woorden zijn niet hetzelfde.

de vraag is hoor je het woord tas? Die Frage ist, hörst du das Wort Tasche? the question is do you hear the word bag?

ik zeg kan, pen, les. Ich sage Dose, Stift, Lektion. you hear the word and you don't listen

jij luistert. je hoort het woord tas niet. Sie hören. Sie hören das Wort Tasche nicht. you listen. you don't hear the word bag.

nog een keer. wieder. I say three words the words are not

ik zeg drie woorden. de woorden zijn niet hetzelfde. the same

luister goed. hoor je het woord thee? Hör genau zu. hörst du das Wort Tee? the question is do you hear the word

koffie, melk, suiker day listen carefully

nee. je hoort het woord thee niet. je luistert? nein. Sie hören das Wort Tee nicht. Sie hören?

je hoort thee niet.

nog een keer. wieder. again.

ik zeg drie woorden. de woorden zijn niet hetzelfde.

de vraag is hoor je het woord dag?

luister goed.

de week, de dag, morgen

ja! je hoort het wordt de dag. Yes! you hear it is the day.

de week, de dag, morgen

je hoort het woord de dag.

ik zeg de dag. ik zeg daag. daag! Ich sage den Tag. Ich sage Tschüss. Wiedersehen!

dit was les negen. das war Lektion neun.

tot de volgende les.