×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

Woord voor woord, Woord voor woord - les 11

Woord voor woord - les 11

hallo.

welkom bij woord voor woord.

dit is les elf. de datum.

welke dag is het vandaag?

rick, welke dag is het vandaag?

het is vandaag woensdag.

het is vandaag woensdag. en de datum?

wat is de datum?

rick, wat is de datum vandaag?

het is vandaag 12 december 2012.

het is vandaag 12 december 2012.

de datum is 12 december 2012.

en bij jou?

welke datum is het vandaag?

ik schrijf de datum op het bord.

12 - 12 - 2012

dit is de dag.

dit is de maand.

dit is het jaar. de dag 12. de maand 12.

dit is december. december is de twaalfde maand.

maand 12

rick, welke datum is het morgen?

morgen is het 13 december.

morgen is het dertien december 2012.

ik schrijf op 13 - 12 - 2012.

de dag. de maand. het jaar.

de dag staat voor aan.

het jaar staat achter aan.

vooraan – achteraan.

de maand staat in het midden.

vooraan – achteraan – in het midden

wat is jouw geboortedatum?

mijn geboortedatum is 24 maart 1976.

24 maart 1976. de dag vierentwintig.

de maand drie.

de maand maart is de derde maand.

het jaar 1976.

mijn geboortedatum. mijn geboortedatum is 24 maart 1976.

rick, wat is jouw geboortedatum?

mijn geboortedatum is 14 juni 1990.

14 juni 1990. de dag. de maand. het jaar.

rick, in welk jaar ben jij geboren?

in het jaar 1990.

ja. het jaar 1990.

in welke maand ben jij geboren?

in de maand juni.

ja. in de maand juni.

je bent geboren in de maand juni.

jij bent geboren op 14 juni 1990.

dat is jouw geboortedatum.

en jij? wat is jouw geboortedatum?

rick, uit welk land kom jij?

ik kom uit Nederland.

waar ben jij geboren?

ik ben in Nederland geboren.

rick is in Nederland geboren.

ik ben ook in Nederland geboren.

ik woon in Groningen.

mijn woonplaats is Groningen.

en jij, rick? waar woon jij? wat is jouw woonplaats?

ik woon ook in Groningen. mijn woonplaats is Groningen.

waar in Groningen, rick? wat is jouw adres?

mijn adres is landweg vijftien.

en jij? waar woon jij?

wat is jouw woonplaats?

dit is mijn telefoon. ik heb een telefoon.

mijn telefoonnummer is nul zes één twee drie vier vijf zes zeven acht.

dat is mijn telefoonnummer.

rick, heb jij een telefoon?

ja! ik heb een telefoon.

wat is jouw telefoonnummer?

mijn telefoonnummer is nul zes één vier drie twee vijf één twee.

ik heb een telefoon.

ik heb een telefoonnummer.

en jij? heb jij een telefoon?

wat is jouw telefoonnummer?

ik bel. ik bel mijn man.

ik moet op school blijven.

ik ga mijn man bellen.

ik ga zeggen ik moet tot zes uur op school blijven.

ik bel.

hallo. met mirjam.

ja. ja. ik kom om zes uur me naar huis.

ja. ja. ja. ik moet tot zes uur op school blijven.

ja. oh. o goed. hebben boodschappen.

fijn. dank je wel. ja. ja. daag!

ik ga nog niet naar huis.

ik moet op school blijven.

ik moet bellen ik blijf op school.

mag ik wat vragen?

ja natuurlijk.

ik kom maandag niet naar school.

ik moet naar de dokter.

oké.

rick moet naar de dokter. de dokter.

rick moet naar de dokter. hij komt niet naar school.

hij moet het zeggen. ik ben de docent.

rick komt niet naar school.

hij moet zeggen, ik kom niet naar school.

is rick niet op school?

is rick thuis? hij moet bellen.

hij moet naar school bellen en hij moet zeggen ik kom niet naar school maandag.

dit is de tas.

dit is ook een tas.

dit is het woord, tas.

dit is de kar.

dit is het woord, kar.

het woord kar heeft drie letters. één, twee, drie.

het woord tas heeft drie letters. één, twee, drie.

de... staat vooraan. de... staat achteraan. de... staat in het midden.

dit is het woord meel.

het woord meel heeft vier letters.

één, twee, drie, vier. meel.

de... staat vooraan. de... staat achteraan.

... staat in het midden.

... is met twee letters.

de letter ... en de letter ... samen ...

... staat in het midden. dit papier is geel.

dit papier is ook geel. geel.

ik schrijf het woord tas op het bord. ik schrijf met rood.

dit is rood. dit is rood.

het woord tas.

drie letters. de letter... staat vooraan,

de letter ... achteraan. de letter ... in het midden.

het woord tas.

ik heb een tas.

de tas is rood.

ik heb een tas. ik schrijf de zin, ik heb een tas, op het bord.

ik heb een tas.

vier woorden. één twee drie vier.

ik heb een tas.

vier woorden samen, de zin.

letter letter letter.

letter letter letter. woord.

woord, woord, woord.

samen, de zin.

letter – woord – zin

ik schrijf mijn telefoonnummer.

nul zes één twee drie vier vijf zes zeven acht.

dit zijn geen letters.

dit zijn getallen.

de nul staat vooraan. de acht staat achteraan.

tien getallen. mijn telefoonnummer.

ik schrijf het adres.

ik schrijf het adres van rick.

landweg vijftien

landweg 15

dit zijn letters

dit is een nummer. het huisnummer twee getallen samen.

het huisnummer.

dit is de straat –

samen het adres.

ik schrijf de datum. de datum van vandaag.

twaalf december 2012.

dit zijn getallen. dit is de datum.

dit zijn letters. dit zijn getallen.

het telefoonnummer. het adres. het huisnummer.

de datum. het is vandaag 12 december 2012.

bij mij, bij rick en bij mij, en bij jou.

welke datum is het vandaag?

dit was les elf. tot de volgende les.


Woord voor woord - les 11 Kelimesi kelimesine - ders 11

hallo. hallo.

welkom bij woord voor woord. welcome to word for word. kelimesi kelimesine hoş geldiniz.

dit is les elf. de datum. this is lesson eleven. the date. bu on birinci ders. tarih.

welke dag is het vandaag? What day is today? Bugün günlerden ne?

rick, welke dag is het vandaag? Rick, what day is it today? Rick, bugün günlerden ne?

het is vandaag woensdag. Bugün çarşamba.

het is vandaag woensdag. en de datum? Bugün çarşamba. ve tarih?

wat is de datum? tarih ne?

rick, wat is de datum vandaag? Rick, bugünün tarihi nedir?

het is vandaag 12 december 2012.

het is vandaag 12 december 2012.

de datum is 12 december 2012.

en bij jou? and with you? ve seninle?

welke datum is het vandaag? bugünün tarihi ne?

ik schrijf de datum op het bord. Tarihi tahtaya yazarım.

12 - 12 - 2012 12-12-2012

dit is de dag. bu gün

dit is de maand. bu ay

dit is het jaar. de dag 12. de maand 12. bu yıl gün 12. ay 12.

dit is december. december is de twaalfde maand. bu aralık Aralık on ikinci aydır.

maand 12

rick, welke datum is het morgen? rick, welke datum is het morgen? Rick, yarın hangi gün?

morgen is het 13 december.

morgen is het dertien december 2012.

ik schrijf op 13 - 12 - 2012. I am writing on 13 - 12 - 2012. 13 - 12 - 2012'de yazıyorum.

de dag. de maand. het jaar.

de dag staat voor aan. the day is ahead. gün başlıyor

het jaar staat achter aan. the year is behind. yıl geride kaldı.

vooraan – achteraan. front – back.

de maand staat in het midden.

vooraan – achteraan – in het midden

wat is jouw geboortedatum? What is your date of birth? wat is jouw geboortedatum? Doğum günün ne zaman?

mijn geboortedatum is 24 maart 1976.

24 maart 1976. de dag vierentwintig. 24 Mart 1976. yirmi dördüncü gün.

de maand drie.

de maand maart is de derde maand.

het jaar 1976.

mijn geboortedatum. mijn geboortedatum is 24 maart 1976.

rick, wat is jouw geboortedatum?

mijn geboortedatum is 14 juni 1990.

14 juni 1990. de dag. de maand. het jaar.

rick, in welk jaar ben jij geboren?

in het jaar 1990.

ja. het jaar 1990.

in welke maand ben jij geboren? hangi ayda doğdun

in de maand juni.

ja. in de maand juni.

je bent geboren in de maand juni.

jij bent geboren op 14 juni 1990.

dat is jouw geboortedatum.

en jij? wat is jouw geboortedatum?

rick, uit welk land kom jij?

ik kom uit Nederland.

waar ben jij geboren? Where are you born?

ik ben in Nederland geboren.

rick is in Nederland geboren.

ik ben ook in Nederland geboren.

ik woon in Groningen.

mijn woonplaats is Groningen. my hometown is Groningen.

en jij, rick? waar woon jij? wat is jouw woonplaats? and you, rick? Where do you live? what is your place of residence?

ik woon ook in Groningen. mijn woonplaats is Groningen.

waar in Groningen, rick? wat is jouw adres? where in Groningen, rick? what's your address?

mijn adres is landweg vijftien. my address is country road fifteen.

en jij? waar woon jij?

wat is jouw woonplaats?

dit is mijn telefoon. ik heb een telefoon.

mijn telefoonnummer is nul zes één twee drie vier vijf zes zeven acht.

dat is mijn telefoonnummer.

rick, heb jij een telefoon?

ja! ik heb een telefoon.

wat is jouw telefoonnummer?

mijn telefoonnummer is nul zes één vier drie twee vijf één twee.

ik heb een telefoon.

ik heb een telefoonnummer.

en jij? heb jij een telefoon? And you? do you have a phone?

wat is jouw telefoonnummer?

ik bel. ik bel mijn man. I call. I call my husband.

ik moet op school blijven. I have to stay at school.

ik ga mijn man bellen.

ik ga zeggen ik moet tot zes uur op school blijven. I'm going to say I have to stay at school until six.

ik bel.

hallo. met mirjam. stay

ja. ja. ik kom om zes uur me naar huis.

ja. ja. ja. ik moet tot zes uur op school blijven.

ja. oh. o goed. hebben boodschappen. Yes. Oh. oh good. have groceries.

fijn. dank je wel. ja. ja. daag!

ik ga nog niet naar huis. hello with miriam

ik moet op school blijven. yes yes I will come home at six o'clock

ik moet bellen ik blijf op school. yes yes yes I have to go to school until six

mag ik wat vragen? stay

ja natuurlijk. yes oh oh well have groceries

ik kom maandag niet naar school. nice thank you yes yes bye I'm going

ik moet naar de dokter. not going home

oké. I have to stay in school

rick moet naar de dokter. de dokter. i have to call i stay at school

rick moet naar de dokter. hij komt niet naar school. can I ask you something

hij moet het zeggen. ik ben de docent. he has to say it. I am the teacher.

rick komt niet naar school. school I have to go to the doctor

hij moet zeggen, ik kom niet naar school.

is rick niet op school? isn't rick at school?

is rick thuis? hij moet bellen. is rick at home? he has to call.

hij moet naar school bellen en hij moet zeggen ik kom niet naar school maandag. he has to say it i am the teacher

dit is de tas. Rick is not coming with school he has to

dit is ook een tas.

dit is het woord, tas.

dit is de kar. dial

dit is het woord, kar.

het woord kar heeft drie letters. één, twee, drie.

het woord tas heeft drie letters. één, twee, drie.

de... staat vooraan. de... staat achteraan. de... staat in het midden. the... is in front. the... is at the back. the... is in the middle.

dit is het woord meel. this is the word flour.

het woord meel heeft vier letters.

één, twee, drie, vier. meel.

de... staat vooraan. de... staat achteraan.

... staat in het midden.

... is met twee letters.

de letter ... en de letter ... samen ...

... staat in het midden. dit papier is geel. ... is in the middle. this paper is yellow.

dit papier is ook geel. geel.

ik schrijf het woord tas op het bord. ik schrijf met rood. I write the word bag on the blackboard. I write in red.

dit is rood. dit is rood.

het woord tas.

drie letters. de letter... staat vooraan, three letters. the letter... is in front,

de letter ... achteraan. de letter ... in het midden.

het woord tas.

ik heb een tas.

de tas is rood.

ik heb een tas. ik schrijf de zin, ik heb een tas, op het bord.

ik heb een tas.

vier woorden. één twee drie vier.

ik heb een tas.

vier woorden samen, de zin. four words together, the sentence.

letter letter letter.

letter letter letter. woord.

woord, woord, woord.

samen, de zin.

letter – woord – zin

ik schrijf mijn telefoonnummer.

nul zes één twee drie vier vijf zes zeven acht.

dit zijn geen letters.

dit zijn getallen. these are numbers.

de nul staat vooraan. de acht staat achteraan.

tien getallen. mijn telefoonnummer.

ik schrijf het adres.

ik schrijf het adres van rick.

landweg vijftien country road fifteen

landweg 15

dit zijn letters

dit is een nummer. het huisnummer twee getallen samen.

het huisnummer.

dit is de straat –

samen het adres.

ik schrijf de datum. de datum van vandaag.

twaalf december 2012.

dit zijn getallen. dit is de datum.

dit zijn letters. dit zijn getallen.

het telefoonnummer. het adres. het huisnummer.

de datum. het is vandaag 12 december 2012.

bij mij, bij rick en bij mij, en bij jou. with me, with rick and with me, and with you.

welke datum is het vandaag?

dit was les elf. tot de volgende les.